Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6924

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-10-2010
Datum publicatie
10-12-2010
Zaaknummer
AWB 09-2306 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek eigen risicodrager om terug te mogen keren naar het publieke bestel.

Het beleid van verweerder dat kleine werkgevers onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid hebben om terug te keren naar het publieke bestel is buiten wettelijk begunstigend beleid, dat de bestuursrechter terughoudend dient te toetsen. Dit beleid is niet van toepassing op werkgevers die een werknemer in dienst hebben (gehad) die vóór 1 juli 2004 arbeidsongeschikt was en aan wie na die datum een WAO-uitkering is toegekend. Het standpunt van eiser dat uit antwoorden op Kamervragen kan worden afgeleid dat het beleid een ruimere toepassing kent, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat verweerder het beleid niet op consistente wijze heeft toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2306 WAO

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J.J. Bakker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. E. Kuipers.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 april 2009 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2010. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens eiseres is tevens verschenen [naam 1].

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2010. Partijen hebben zich weer laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Namens eiseres zijn tevens verschenen [naam 1] en [naam 2].

Overwegingen

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres is eigen risicodrager in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en heeft verweerder verzocht om met terugwerkende kracht per 1 juli 2004 terug te mogen keren in het zogenoemde publieke bestel.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 december 2008 in de zaak met zaaknummer AWB 07/2397 WAO geoordeeld dat eiseres tegen dat besluit bezwaar had moeten maken en heeft het beroepschrift ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

1.3. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft aan de afwijzing van het verzoek van eiseres het navolgende ten grondslag gelegd. Verweerder hanteert op basis van zijn discretionaire bevoegdheid een beleid dat hij uit coulance toepast op kleine werkgevers die per 1 juli 2004 eigen risicodrager voor de WAO zijn geworden en die een werknemer in dienst hebben (gehad) die vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering toegekend heeft gekregen. Dit beleid, dat is neergelegd in een interne werkinstructie (het terugkeerbeleid), houdt in dat, indien van toepassing, kleine werkgevers onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid hebben om terug te keren naar het publieke bestel. Nu eiseres geen werknemer in dienst had aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend, maar een werknemer aan wie eerst per 22 september 2004 een WAO-uitkering is toegekend, mist het terugkeerbeleid in het geval van eiseres toepassing en kan niet worden toegekomen aan een inhoudelijke toets van het verzoek van eiseres aan de in het terugkeerbeleid neergelegde criteria voor het mogen terugkeren naar het publieke bestel, aldus verweerder.

2.2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder het terugkeerbeleid te beperkt uitlegt door het slechts van toepassing te achten op werkgevers die een werknemer in dienst hebben (gehad) aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend. Volgens eiseres is het beleid ook van toepassing op werkgevers die een werknemer in dienst hebben (gehad) die vóór 1 juli 2004 arbeidsongeschikt was en aan wie na die datum een WAO-uitkering is toegekend, zoals bij eiseres het geval is. Eiseres verwijst in dit verband naar de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op Kamervragen die door de leden Bussemaker en Smeets op 7 juni 2006 zijn gesteld. Volgens eiseres kan uit die antwoorden worden afgeleid dat het beleid een ruimere toepassing kent en ook van toepassing is op de situatie zoals die bij eiseres aan de orde is. Eiseres heeft verder gesteld dat de betrokken werknemer op het moment dat eiseres zich aanmeldde voor het eigen risicodragerschap al geruime tijd niet meer bij haar dienst was en dat zij er niet van op de hoogte was dat de werknemer een aanvraag voor een WAO-uitkering had gedaan. Onder deze omstandigheden valt volgens eiseres in redelijkheid niet in te zien waarom het beleid van verweerder niet op haar situatie van toepassing kan zijn en waarom aldus aan eiseres niet de mogelijkheid wordt geboden om terug te keren naar het publieke bestel. Indien het beleid niet ook op deze situatie van toepassing is, is dit beleid volgens eiseres kennelijk onredelijk, omdat hiermee rechtsongelijkheid in het leven wordt geroepen en de grenzen van een redelijke beleidsuitoefening worden overschreden.

3. Overwegingen

3.1. Het terugkeerbeleid houdt in dat in bepaalde gevallen de uiteindelijk ongunstige gevolgen van de aanvankelijk gewenste inwilliging van de aanvraag om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden ongedaan worden gemaakt. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) in zijn uitspraak van 19 februari 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BL4562) heeft overwogen, dient het terugkeerbeleid te worden aangemerkt als buitenwettelijk begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 maart 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN BL7847).

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat alleen werkgevers die een werknemer in dienst hebben gehad aan wie vóór 1 juli 2004 een WAO-uitkering is toegekend onder het terugkeerbeleid van verweerder vallen. Het beleid is immers afgestemd op het inlooprisico van artikel 75b van de WAO en onder dit inlooprisico vallen alle werknemers aan wie een WAO-uitkering is toegekend voordat de werkgever eigen risicodrager is geworden, dus vóór 1 juli 2004. Dat uit de antwoorden op Kamervragen die de leden Bussemaker en Smeets op 7 juni 2006 aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben gesteld, volgens eiseres kan worden afgeleid dat het terugkeerbeleid een ruimere toepassing kent, kan niet tot een ander oordeel leiden. Nog daargelaten dat verweerders beleid niet door antwoorden van de minister op Kamervragen tot stand komt of (nader) wordt gevormd, leest de rechtbank in die antwoorden ook niet dat het beleid een zodanig ruime toepassing zou kennen dat het ook van toepassing is op situaties waarin een werkgever een werknemer in dienst heeft (gehad) die arbeidsongeschikt is geworden vóór 1 juli 2004 en na die datum een WAO-uitkering is toegekend.

3.3. Nu aan de betrokken werknemer van eiseres niet vóór 1 juli 2004, maar eerst per

22 september 2004 een WAO-uitkering is toegekend, heeft verweerder het beleid terecht niet op de situatie van eiseres van toepassing geacht. Gesteld noch gebleken is dat verweerder hiermee het terugkeerbeleid ten opzichte van eiseres niet op consistente wijze heeft toegepast, zodat niet gezegd kan worden dat verweerder het verzoek van eiseres om terug te mogen keren in het publieke bestel niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Gelet op de terughoudende wijze waarop de rechtbank het terugkeerbeleid dient te toetsen, kan de beroepsgrond dat eiseres, gelet op de gevolgen die de afwijzing van de aanvraag voor haar heeft, toch onder het terugkeerbeleid zou moeten vallen, niet slagen.

3.4. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht of gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzitter en mrs. R.B. Kleiss en L.C. Bachrach, rechters, in aanwezigheid van mr. A.P.M. van Dullemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2010.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB