Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6836

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
AWB 10-22 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO. Verhuiskostenvergoeding. Rechtbank acht beperkingen die causaal verband houden met omgevingsfactoren van de woning in beginsel vallen binnen het bereik van de compensatieplicht. Motiveringsgebrek. Verweerder geeft met stelling dat omgevingsfactoren enkel een rol kunnen spelen via de hardheidsclausule van de Vmo een te beperkte invulling aan de compensatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/22 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. dr. G.P. Dayala,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. Smit.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten (verhuiskostenvergoeding) ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 24 november 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2010. Eiseres en haar gemachtigde zijn - met kennisgeving - niet verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is in oktober 2007 verhuisd uit de woning aan het [adres] te [woonplaats]. Eiseres heeft op 17 januari 2008 een verhuiskostenvergoeding aangevraagd in verband met deze verhuizing. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) om advies gevraagd. Het CIZ heeft op l0 april 2008 rapport uitgebracht.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres bij het primaire besluit afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit het advies van het CIZ is gebleken dat eiseres geen objectief aantoonbare beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning op grond waarvan een verhuizing noodzakelijk was.

1.3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit en tegen het CIZ-rapport. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het CIZ om aanvullend advies gevraagd. Het CIZ heeft op 3 oktober 2008 en 28 mei 2009 rapport uitgebracht.

1.4. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het CIZ-rapport van 10 april 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.5. Bij besluit van 2 april 2009 heeft verweerder het besluit van 21 oktober 2008 ingetrokken, voor zover het betreft het bezwaar tegen het primaire besluit. De beslissing op het bezwaarschrift tegen het CIZ-rapport van 10 april 2008 heeft verweerder gehandhaafd. Bij brief van 23 juni 2009 heeft eiseres het beroep ingetrokken.

1.6. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres wederom ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eiseres voornamelijk is verhuisd omdat zij haar voormalige woonomgeving als onveilig heeft ervaren en overlast ondervond. Dit zijn geen factoren die rechtstreeks in verband staan met de woning zelf. Genoemde omstandigheden kunnen zich in heel Amsterdam voordoen en beperken zich niet tot de omgeving van een bepaalde woning, zoals de vorige woning van eiseres. Eiseres komt derhalve niet in aanmerking voor de gevraagde vergoeding.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen om onder meer een huishouden te voeren en zich te verplaatsen in en om de woning, de zogenaamde compensatieplicht.

2.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

2.3. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Amsterdam (Vmo) wordt een algemene of individuele voorziening slechts toegekend voorzover deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op te heffen of aanzienlijk te verminderen.

2.4. Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vmo verstrekt het college alleen een individuele woonvoorziening ter compensatie van aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bestaat de door het college te verstrekken individuele voorziening uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting.

2.5. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vmo kan voor een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten in aanmerking komen een persoon met beperkingen.

2.6. In artikel 35 van de Vmo is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon met beperkingen kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt (hierna: de hardheidsclausule).

2.7. Op grond van paragraaf 2.1 van de Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: de Beleidsregels) worden woonvoorzieningen verstrekt om beperkingen bij het normale gebruik van de woning te compenseren. (...) Geluids- of geuroverlast, problemen met buren, onveiligheidsgevoelens en allergie ten gevolge van omgevingsfactoren buiten de woning zijn geen redenen voor verstrekking van een woonvoorziening.

2.8. In paragraaf 2.2.a.1 van de Beleidsregels, dat betrekking heeft op artikel 26 van de Verordening, is bepaald dat moet zijn vastgesteld dat verhuizing medisch noodzakelijk is wegens beperkingen in het normale gebruik van de woning. Van medische noodzaak is slechts sprake indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de persoon met beperkingen bewoonde woning, terwijl de beperkingen voorts in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) moeten worden ondervonden.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat de gemachtigde van eiseres de rechtbank per faxbrief van 16 augustus 2010, 16.31u, heeft meegedeeld dat hij en eiseres niet bij de behandeling ter terechtzitting op 17 augustus 2010 zullen verschijnen. De gemachtigde heeft de rechtbank daarbij tevens verzocht om de medische stukken die zijn ingebracht in de procedure met het nummer AWB 08/4751 WMO als herhaald en ingelast te beschouwen in onderhavige procedure. De rechtbank acht dit tardieve verzoek in strijd met de goede procesorde en zal genoemde medische stukken niet bij onderhavige procedure betrekken.

3.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de hoorplicht is geschonden omdat eiseres voorafgaand aan het nemen van het thans bestreden besluit niet opnieuw is gehoord.

Uit artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt niet een algemene verplichting tot het opnieuw horen van een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank ziet in het onderhavige geval ook geen gronden voor het oordeel dat het uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk was om eiseres opnieuw te horen. Eiseres was immers reeds op 4 september 2008 gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden dat ook aan het onderhavige bestreden besluit ten grondslag ligt. Gesteld noch gebleken is dat hetgeen blijkt uit de CIZ-rapportages van

3 oktober 2008 en 28 mei 2009 nieuwe feiten of omstandigheden oplevert in de zin van artikel 7:9 van de Awb. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat verweerder eiseres, voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit, in de gelegenheid heeft gesteld op laatstgenoemd rapport te reageren. Eiseres heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt.

3.3. De rechtbank stelt voorop dat het - gelet op artikel 4 van de Wmo – in beginsel aan verweerder is om te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht. De rechter dient de keuze(n) die verweerder daarbij heeft gemaakt in beginsel te respecteren, onverminderd de rechtsplicht van verweerder om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 van de Wmo legt verweerder, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk dient te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die verweerder bij de uitvoering van de artikelen 4 en 6 van de Wmo heeft gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel

4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht (zie ook CRvB 28 oktober 2009, LJ-nummer BK3321).

3.4. De rechtbank concludeert uit de gedingstukken en hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd dat zij voornamelijk is verhuisd vanwege psychische klachten die samenhangen met buurtoverlast en een door haar als onveilig ervaren voormalige woonomgeving. Niet in geschil is dat psychische en psychosociale factoren vallen onder de reikwijdte van de compensatieplicht uit artikel 4 van de Wmo.

3.5. Zoals de meervoudige kamer van deze rechtbank in haar uitspraak van

17 maart 2009 (LJ-nummer BN3104) heeft geoordeeld, vormt een invulling van de compensatieplicht op een wijze dat slechts beperkingen die in relatie staan tot bouwkundige of woontechnische (ergonomische) belemmeringen een onaanvaardbare inperking van

artikel 4 van de Wmo. In navolging van dit oordeel, overweegt de rechtbank dat ook beperkingen die causaal verband houden met omgevingsfactoren van de woning in beginsel kunnen vallen binnen het bereik van de compensatieplicht uit artikel 4 van de Wmo.

3.6. Eiseres heeft in bezwaar een tweetal verklaringen overgelegd van haar behandelend psychiater dr. W.H. Lionarons van 24 oktober 2007 en 24 januari 2008. Hieruit blijkt dat eiseres leidt aan een bipolaire stoornis. De klachten van eiseres worden verergerd door psychosociale stress en een belangrijke stressfactor was, tot de verhuizing, de woonomgeving die eiseres als onveilig ervaarde, aldus de psychiater. De rechtbank overweegt dat uit deze verklaringen kan worden opgemaakt dat de medische klachten waaraan eiseres lijdt, verergeren door haar voormalige woonomgeving.

3.7. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het CIZ-advies van

3 oktober 2008. Uit dit advies blijkt dat CIZ-arts dr. H.M. Laane en CIZ-adviseur

H. de Graaf zich op het standpunt stellen dat de (psychische) klachten van eiseres geen rechtstreeks oorzakelijk verband houden met een of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de woning zelf. In het bestreden besluit is weliswaar voorop gesteld dat het enkel verstrekken van een verhuiskostenvergoeding indien sprake is van een rechtstreeks causaal verband tussen beperkingen en de bouwkundige/woontechnische opzet van de woning in strijd is met artikel 4 van de Wmo, maar vervolgens is overwogen dat de door eiseres ervaren overlast en onveilige woonomgeving geen factoren zijn die in rechtstreeks verband staan tot de woning zelf omdat deze omstandigheden kort gezegd zich in heel Amsterdam kunnen voordoen.

3.8. De rechtbank is van oordeel dat noch in het bestreden besluit noch in het daaraan ten grondslag liggende CIZ-advies de – onderbouwde – stelling van eiseres dat causaal verband bestaat tussen haar medische beperkingen en haar voormalige woonomgeving, voldoende gemotiveerd is weerlegd. De enkele stelling van verweerder dat een dergelijke woonomgeving zich op meerdere plaatsen in Amsterdam voordoet, is daartoe onvoldoende. Het bestreden besluit zal dan ook worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

3.9. Met het oog op de nieuwe besluitvorming overweegt de rechtbank nog het volgende over de ter zitting door de gemachtigde van verweerder ingenomen stelling dat omgevingsfactoren enkel een rol kunnen spelen in de compensatieplicht via de hardheidsclausule uit de Vmo. Een hardheidsclausule is naar zijn aard bedoeld om slechts bij hoge uitzondering te worden toegepast. Ingeval verweerder omgevingsfactoren enkel in de compensatieplicht zou betrekken via de hardheidsclausule, zou verweerder een te beperkte invulling geven van de compensatieplicht uit artikel 4 van de Wmo.

3.10. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en verweerder opdragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres.

3.11. De rechtbank zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 437,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen. Nu het beroep gegrond wordt verklaard dient verweerder voorts het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 437,-, te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB