Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6833

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
AWB 09-2151 WRB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om extra uren rechtsbijstand te mogen verlenen te laat ingediend. Besluitbegrip artikel 1:3 van de Awb. Overschrijding van het forfaitaire aantal uren was voorzienbaar. Niet is gebleken dat de rechtsbijstandsverlener niet in de gelegenheid was tijdig een aanvraag in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2151 WRB

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. B.L.M. Ficq,

en

de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. S.O. Vos.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 15 mei 2009 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 1 april 2009, verzonden op 14 april 2009 (het bestreden besluit).

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2010. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. T. Nieuwburg. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij besluit van 13 maart 2008 heeft verweerder aan eiser een ambtshalve toevoeging verleend ten behoeve van rechtsbijstand in een strafzaak.

1.2. Bij brief van 15 april 2008 heeft de gemachtigde van eiser verweerder verzocht om ten minste 50 extra uren te mogen besteden aan de strafzaak.

1.3. Bij brief van 19 mei 2008 heeft verweerder het verzoek om 50 extra uren toegewezen, maar daarbij opgemerkt dat verweerder bij de eindafrekening de door de gemachtigde van eiser bestede tijd tussen de 24 een 55,5 uur buiten beschouwing zal laten, omdat de gemachtigde van eiser zonder verschoonbare reden geen goedkeuring van de begroting heeft aangevraagd voorafgaand aan de overschrijding van de forfaitaire grens.

1.4. Bij besluit van 13 augustus 2008 heeft verweerder een extra vergoeding van 49 uren vastgesteld naast de forfaitaire vergoeding voor 24 uren.

1.5. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 19 mei 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dat volgens verweerder geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor zover het bezwaar gericht kan worden geacht tegen het besluit van 13 augustus 2008 is verweerder van mening dat het bezwaar ongegrond is. Verweerder heeft hiertoe verwezen naar het advies van de bezwarencommissie van de Raad voor Rechtsbijstand.

1.6. In beroep heeft eiser aangevoerd dat de brief van 19 mei 2008 is gericht op rechtsgevolg, zodat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dat de gemachtigde van eiser de begroting niet voorafgaand aan de extra te besteden uren heeft ingediend, is verschoonbaar, omdat de medewerkster van de gemachtigde die daarop toe zag plotseling ziek is geworden. Direct nadat de gemachtigde van eiser bekend werd met de overschrijding van de forfaitaire uren in de strafzaak heeft zij de begroting ingediend.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (Bvr) wordt, indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, één punt toegekend mits het bureau de begroting voor de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd.

2.3. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het Bvr, voor zover relevant, legt de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in artikel 22 bedoelde tijdsgrens een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat het bureau geheel of gedeeltelijk instemt met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend.

2.4. In hoofdstuk IV van de Leidraad extra uren van december 2007 (de Leidraad) van de raden voor rechtsbijstand wordt opgemerkt dat uit het Bvr, in het bijzonder uit artikel 31, volgt dat een aanvraag om extra uren tijdig, dat wil zeggen voorafgaand aan de extra te besteden uren, moet worden ingediend. Extra uren die reeds zijn besteed vóór de ontvangst van de aanvraag extra uren komen in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. Bij hoge uitzondering kan door de raad worden bepaald dat het niet tijdig indienen van de aanvraag verschoonbaar is. Dat kan zich voordoen als er hangende de overschrijding van de forfaitair gestelde tijdsgrens juist rechtsbijstand verleend diende te worden in de zaak en de rechtsbijstandverlener niet in de gelegenheid was om de aanvraag bij de raad in te dienen. Overigens dient in een dergelijke uitzonderlijke situatie, direct wanneer de mogelijkheid zich voordoet, de aanvraag extra uren alsnog te worden ingediend.

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de brief van 19 mei 2008 al dan niet een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bevat.

In de aanvraag van 15 april 2008 heeft eiser verweerder verzocht om goedkeuring van de begroting voor extra te besteden uren in de zin van artikel 22 jo. 31 van het Bvr. Uit de door de gemachtigde van eiser bij die aanvraag gevoegde urenspecificatie blijkt dat dit verzoek mede een aantal uren omvat die zij aan de strafzaak heeft besteed nadat de forfaitaire urengrens van 24 uur was overschreden, te weten tussen de 24 en 55,5 uren. Door in de brief van 19 mei 2008 de begroting voor 50 extra uren goed te keuren, maar daarbij de uren tussen de 24 uren en 55,5 uren buiten beschouwing te laten, heeft verweerder goedkeuring aan de begroting voor die uren onthouden. Gelet op artikel 22, eerste lid, van het Bvr wordt voor die uren geen punt toegekend, omdat de begroting daarvoor niet is goedgekeurd. De (gedeeltelijke) weigering om goedkeuring aan de begroting te verlenen, is daarmee op rechtsgevolg gericht. De stelling van verweerder dat verleende goedkeuring nog niet impliceert dat de extra uren ook daadwerkelijk worden vergoed, doet daaraan niet af. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 19 mei 2008 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 19 mei 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, omdat het een deugdelijke motivering, zoals voorgeschreven in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, ontbeert. De rechtbank zal in het navolgende bezien of zij aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.3. Uit de tekst van de artikelen 22 en 31 van het Bvr blijkt dat in de systematiek van tussentijdse declaratie en begroting van verdere tijdbesteding aan de strafzaak is voorzien in voorafgaande beoordeling van en beslissing over de verdere tijdbesteding aan de zaak. Het is in strijd met de wettelijke regeling van de gesubsidieerde rechtsbijstand, indien een rechtshulpverlener aanspraak zou hebben op vergoeding van meer bestede uren boven de forfaitaire vergoeding per soort zaak zonder voorafgaande beoordeling daarvan door verweerder als in de aangehaalde bepalingen voor bewerkelijke strafzaken voorzien (zie ook de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2009, LJN BJ9049).

3.4. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om het niet tijdig indienen van de aanvraag verschoonbaar te achten, omdat van de gemachtigde mag worden verwacht dat zij een zodanige administratie voert dat tijdig kan worden onderkend op welk moment in een zaak extra uren aangevraagd dienen te worden. Uit de urenspecificatie leidt verweerder af dat de gemachtigde van eiser voorafgaand aan het bereiken van de forfaitaire urengrens op 12 maart 2008 had kunnen voorzien dat de werkzaamheden in de strafzaak extra uren zouden vergen. De gemachtigde van eiser had al eerder dan op 16 april 2008 een aanvraag kunnen indienen, aldus verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Niet is gebleken dat de rechtsbijstandverlener niet in de gelegenheid was om tijdig een aanvraag bij de raad in te dienen. De omstandigheid dat een medewerkster ziek is, is geen toereikend bewijs dat de rechtsbijstandverlener niet in de gelegenheid was tijdig een aanvraag in te dienen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

3.5. Nu het beroep van eiser gegrond zal worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot de totale kosten op

€ 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht van

€ 41 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 644 (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op om het griffierecht van € 41 (zegge: éénenveertig euro) aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M Vogel-Frishert, griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2010.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB O