Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO6684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-08-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
468258/ rekestnummer: FA RK 10-7169 en 468273 / KG 10-1583
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Huisverbod niet onrechtmatig. Voldoende grond om ernstig en onmiddellijk gevaar aan te nemen. Ernstig vermoeden fysiek geweld op basis van mutaties waarin de vrouw op consistente wijze verklaart dat er sprake is van huiselijk geweld. Conflicten mede veroorzaakt door softdrugsgebruik. Beroep tegen verlenging gegrond wegens strijd met artikel 3:46 Awb, beginsel deugdelijke motivering. Deel feitencomplex waarop verlengingsbesluit berust onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

voorzieningenrechter

zaaknummer 468258/ rekestnummer: FA RK 10-7169 en 468273 / KG 10-1583

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 30 augustus 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

Zitting hebben:

mr. T.P.J. de Graaf, als voorzieningenrechter,

mr. L.R. Dávila Talavera, als griffier.

in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. O.M. Karam,

(hierna: de man),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder,

zetelende te Amsterdam,

gemachtigde mr. A. Berends,

(hierna: verweerder),

in welke zaak mede belanghebbende is:

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

(hierna: de vrouw),

niet verschenen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd (hierna: bestreden besluit). Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft verweerder het tijdelijk huisverbod verlengd met een periode van 18 dagen (hierna: verlengingsbesluit).

Tegen zowel het bestreden besluit als het verlengingsbesluit heeft de man bij brief van 25 augustus 2010 beroep ingesteld. Tevens heeft de man bij brief van 25 augustus 2010 de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij hangende het beroep de echtelijke woning aan de [adres] voor ommekomst van het tijdelijk huisverbod mag betreden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het verzoek en het beroep zijn ter zitting gevoegd behandeld.

De man is daar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. A. Berends. De vrouw is hoewel behoorlijk opgeroepen niet ter zitting verschenen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 30 augustus 2010 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

Ten aanzien van het bestreden besluit:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verlengingsbesluit:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) af;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,=;

- bepaalt dat, nu aan de man een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier worden betaald.

3. De overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

3.1 De feiten

Bij de beoordeling van het beroep en het verzoek gaat de rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De vrouw en de man wonen gezamenlijk op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) en zijn daar beiden ingeschreven. Tevens is daar één minderjarig kind woonachtig, te weten [kind] (4 jaar). De man en de vrouw zijn reeds enkele jaren met elkaar gehuwd.

Proces-verbaal van bevindingen en proces-verbaal van aangifte

Op 13 augustus 2010 heeft zich in de woning tussen de man en de vrouw een incident voorgedaan in de huiselijke sfeer. De vrouw heeft hierop de politie gealarmeerd. In het proces verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse waren en het proces verbaal van aangifte van de vrouw, welke stukken zich onder de gedingstukken bevinden, is vermeld dat de man de vrouw op 13 augustus 2010 bij de keel heeft gegrepen. Toen de vrouw zich hiertegen wilde verweren, heeft de man gedreigd haar te zullen wurgen. De vrouw hoorde de man vervolgens tegen haar schreeuwen. Ook sloeg de man het hoofd van de vrouw tegen de muur. De man heeft vervolgens gedreigd dat hij de vrouw en haar familie zou vermoorden. Aanleiding voor dit geweldsincident was dat het neefje van de man en de vrouw dat 14 jaar is, twee dagen bij de man en de vrouw had gelogeerd. De man heeft naar aanleiding hiervan de vrouw ervan beschuldigd met het betreffende neefje naar bed te zijn geweest. Het kind van partijen was ten tijde van het incident in de woning aanwezig.

RiHG

De hulpofficier van justitie heeft de situatie getoetst in het kader van een eventueel op te leggen huisverbod aan de hand van het daartoe ingevulde Risicotaxatie-instrument (hierna: RiHG), dat bij het bestreden besluit is overgelegd.

Hij is tot de conclusie gekomen dat er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de vrouw was, dan wel dat het ernstige vermoeden daartoe bestond. Hij is daartoe blijkens het door hem opgemaakte procesverbaal van bevindingen gekomen op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Toen de melding van de vrouw binnenkwam bleek er een politiemutatie te bestaan waaruit blijkt dat zich vaker ruzies hebben voorgedaan in de woning. Voorts vertoonde de man extreem jaloers gedrag ten opzichte van de vrouw, sloeg hij zonder aanleiding dreigende taal tegen de vrouw uit en gebruikte hij fysiek geweld onder meer door met een fles tegen het been van de vrouw te slaan. De man heeft zaken vernield zoals een laptop. De man en de vrouw maken sinds enkele jaren onafgebroken ruzie met elkaar en de zwaarte en het frequentie van het geweld is de laatste jaren toegenomen. Daarnaast gebruikt de man vaak softdrugs.

Vervolgens heeft de hulpofficier van justitie aan de man het voornemen meegedeeld hem uit huis te plaatsen en de man in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.

Hierna heeft de hulpofficier van justitie namens verweerder aan de man het besluit tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod uitgereikt en hem hierover verder geïnformeerd.

Het bestreden besluit

Het bestreden besluit, zoals door de hulpofficier van justitie aan de man uitgereikt, houdt in dat verweerder de man gelast de woning onmiddellijk te verlaten en deze niet te betreden of zich in de omgeving daarvan op te houden, gedurende de periode van 14 augustus 2010, 17.39 uur tot 24 augustus 2010, 17:39 uur, alsmede een verbod voor hem om met de vrouw en het kind contact op te nemen gedurende die periode. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 9 oktober 2008, houdende regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod, Stb 2008, 421, hierna: Wth).

Het bestreden besluit is gegrond op het vermoeden dat de aanwezigheid van de man in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de vrouw en het minderjarige kind en een afweging van de belangen van de vrouw en het minderjarige kind en die van de man. De gevaardreiging vloeit in de visie van verweerder met name voort uit het geweldsincident van 14 augustus 2010, alsmede uit de overige informatie zoals in voormelde processen-verbaal en het ingevulde RiHG verwoord, waarvan met name het feit dat het geweld dat de man gebruikt de laatste periode ernstiger is geworden en het onberekenbare gedrag van de man dat volgens de vrouw door zijn softdrugs gebruik wordt veroorzaakt.

De man heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij nooit fysiek geweld heeft gebruikt tegen zijn vrouw en haar nooit heeft bedreigd. De man heeft bevestigd met verheffende stem tegen de vrouw te hebben gepraat. Volgens de man is dat het gevolg van hun huisvestingsproblemen en het feit dat zij beiden geen werk hebben en van een uitkering leven. Daarnaast heeft de man beaamd dat zijn regelmatige softdrugs gebruik ook veel problemen veroorzaakt.

Verlengingsbesluit

Op 22 augustus 2010 is door de Blijfgroep coördinatiepunt Tijdelijk Huisverbod (ASHG) en op 24 augustus 2010 door de directie Openbare Orde en Veiligheid aan verweerder advies uitgebracht ten aanzien van verlenging van het huisverbod.

Bij het verlengingsbesluit heeft verweerder tot verlenging van het huisverbod van 14 augustus 2010 besloten, namelijk over de periode van 24 augustus 2010 te 17.39 uur tot 11 september 2010 te 17.39 uur.

3.2 De beoordeling

3.2.1 Het bestreden besluit

Voorlopige voorzieningen

Nu de periode waarop het bestreden besluit betrekking had is verstreken en een voorlopige voorziening zoals gevraagd reeds daarom niet meer kan worden toegewezen, wijst de rechter het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen af.

Bodemprocedure

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechter heeft dan ook allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning op 14 augustus 2010 een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer van zijn huisgenoten, te weten de vrouw.

Deze vraag beantwoordt de rechter bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

De rechter stelt voorop dat duidelijk is dat er tussen de man en de vrouw sprake is van een escalerende situatie en dat het kind van de man en de vrouw hiermee geconfronteerd wordt. De man heeft ter zitting erkend dat hij verbaal geweld gebruikt omdat er zowel financiële problemen als problemen met betrekking tot de huisvesting zijn. Hoewel de man ontkent fysiek geweld te gebruiken acht de rechter op basis van de overgelegde mutaties waarin de vrouw op consistente wijze verklaart dat er sprake is van huiselijk geweld, het ernstige vermoeden aanwezig dat er sprake is van ernstige huiselijke twisten die met fysiek geweld gepaard gaan. Voorts betrekt de rechter in zijn oordeel dat de man ter zitting heeft beaamd dat de echtelijke twisten mede worden veroorzaakt door zijn veelvuldige softdrugs gebruik.

Op grond van het voorgaande was verweerder bevoegd om gebruik te maken van zijn bevoegdheid ex artikel 2 Wth. Gezien hetgeen is aangevoerd en anderszins is gebleken, is de rechter van oordeel dat verweerder geen kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van voornoemde bevoegdheid. Het beroep is dan ook ongegrond.

3.2.2 Verlengingsbesluit

Bodemprocedure

In het verlengingsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

-“Daarnaast moeten uithuisgeplaatste en achterblijver aan het eind van deze maand hun woning verlaten hetgeen bij de uithuisgeplaatste veel woede veroorzaakt. Achterblijver zal vervolgens naar verwachting bij familie verblijven totdat zij (middels een urgentieverklaring) een eigen woning kan betrekken . Uithuisgeplaatste is tegen het tijdelijke verblijf van de achterblijver bij familie omdat er mannen (zwager) in de woning zijn. Dit geeft een bijkomende dreiging van gevaar aangezien er een reëel vermoeden is dat hij zal proberen met haar contact op te nemen tijdens haar verblijf bij familie”

-“Het beleidsadvies wijkt af van het zorgadvies dat een verlenging van 10 dagen voorstaat. We adviseren tot een verlenging met 18 dagen omdat een huisverbod tevens een contactverbod inhoudt, en een contactverbod na vertrek uit de gezamenlijke woning geadviseerd wordt op basis van het bovenstaande”.

Ter zitting hebben zowel de man als verweerder aangegeven dat de hiervoor genoemde passages niet juist zijn. De man heeft gesteld dat op 1 september 2010 een woning van de woningbouwvereniging Eigen Haard kan worden betrokken. Verweerder heeft medegedeeld dat het juist is dat de man en de vrouw op korte termijn een andere woning krijgen aangeboden, maar dat dat blijkens ingewonnen informatie nog enkele weken zal duren. Tot die tijd mogen de man en de vrouw de woning aan de [straat] blijven gebruiken, aldus verweerder.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat een deel van het feitencomplex waarop het verlengingsbesluit is gebaseerd niet klopt. Met name het uitgangspunt dat de vrouw de woning in de [straat] op 1 september 2010 zal moeten verlaten is niet juist. Nu Woningbouwvereniging Stadgenoten tot nu toe geen ontruimingsprocedure is begonnen, is uiterst onwaarschijnlijk dat de man en de vrouw zullen worden ontruimd voor het moment waarop zij naar de nieuwe woning kunnen verhuizen. De in het verlengingsbesluit uitgesproken verwachting dat de vrouw bij familie zal (moeten) gaan verblijven is dan ook evenmin terecht. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van verweerder dat hij ten tijde van genomen verlengingsbesluit niet op de hoogte was van voornoemde feiten, omdat het op de weg van verweerder had gelegen om voor het nemen van het besluit zich te vergewissen van de laatste stand van zaken.

Ten aanzien van de tweede geciteerde zinsnede uit het verlengingsbesluit overweegt de rechter het volgende.

Blijkens de definitie van het begrip huisverbod in artikel 1 van de Wth kan een contactverbod alleen worden opgelegd ten aanzien van bewoners van de woning die onderwerp van het huisverbod is. Zodra de vrouw geen bewoner meer is van de [straat] is er derhalve geen wettelijke grondslag meer voor het handhaven van een huisverbod.

Gelet op het voorgaande komt het verlengingsbesluit in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde beginsel dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. De rechter ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van het navolgende.

Verweerder heeft ter zitting onbetwist gesteld dat de vrouw naar alle waarschijnlijkheid de woning niet zal hebben verlaten voordat de in het verlengingsbesluit genoemde termijn van 18 dagen is verstreken. Verder heeft verweerder naar voren gebracht en nader toegelicht dat de benodigde hulpverlening aan de man nog niet op gang is gekomen en dat er nog geen verandering heeft plaatsgevonden in de explosieve situatie tussen de man en de vrouw zoals deze bij het opleggen van het huisverbod door de verweerder is vastgesteld. De rechter is op grond hiervan van oordeel dat ernstige vermoeden van gevaar zoals bedoeld in artikel 2 Wth zich nog steeds voordoet en dat verweerder derhalve bevoegd was om tot verlenging van het huisverbod over te gaan. Van een kennelijk onredelijk gebruik van deze bevoegdheid is geen sprake. De verweerder diende een afweging te maken tussen de veiligheid van de vrouw en het kind en het belang van de man in zijn woning te kunnen verblijven en niet gebleken is dat de gemaakte afweging gebreken vertoont.

Dit brengt mee dat verweerder na vernietiging van het bestreden besluit eenzelfde besluit, zij het met verbeterde onderbouwing, zal kunnen nemen. De rechter ziet daarin aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72 lid 3 van de Awb in stand te laten.

De omstandigheid dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven brengt mee dat de man zich ondanks de gegrondverklaring van het beroep aan het huisverbod heeft te houden. De rechter ziet dan ook geen grond om het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toe te wijzen.

De gegrondverklaring van het beroep is aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechter bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift,1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 437,-) op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal

De griffier. De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: