Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO4139

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
419227 - HA ZA 09-432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid rechtsbijstandverzekeraar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0911

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 419227 / HA ZA 09-432

Vonnis van 4 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A & B] FINANCIËLE DIENSTEN B.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaat mr. M.H.D. Vergouwen,

tegen

de naamloze vennootschap

DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGSMIJ NV,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.A.J. Raaijmaakers.

Partijen zullen hierna [A & B] en DAS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 23 producties;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 3 juni 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 oktober 2009;

- de conclusie van repliek met 6 bijlagen;

- de conclusie van dupliek met de producties I tot en met V;

- de akte uitlating producties met 4 bijlagen zijdens [A & B];

- de akte uitlating producties zijdens DAS;

- de antwoordakte zijdens [A & B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In maart 2007 is er tussen [A & B] en één van haar werknemers, de heer [C] (hierna: [C]), een arbeidsgeschil gerezen. Op 22 maart 2007 heeft [C] [A & B] verzocht een raadsman in te schakelen ter bemiddeling en afwikkeling van het conflict.

2.2. Op basis van een tussen [A & B] en DAS gesloten rechtsbijstands-verzekering heeft DAS [A & B] vanaf april 2007 rechtsbijstand verleend in verband met het arbeidsgeschil met [C]. Deze bijstand werd verleend door de heer mr [D] (hierna: [D]).

2.3. In een e-mailbericht van 16 april 2007 vraagt [A] (hierna [A]) van [A & B] aan [D] wat zijn standpunt is inzake de mogelijkheid [C] op non-actief te stellen:

“Graag verneem ik van u of wij in het licht van de zaak meneer [C] op non-actief kunnen stellen. Wij achten het niet wenselijk om medewerkers die zulke zware verdachtmakingen als sexuele intimidatie uiten en die klaarblijkelijk niet tot een werkbaar compromis willen komen contacten onderhouden met relaties van ons kantoor.”

2.4. [D] heeft [A & B] geadviseerd niet over te gaan tot het op non-actief stellen van [C]. [A] stuurt [D] vervolgens op 19 april 2007 een e-mailbericht met onder andere de volgende inhoud:

“In overleg met u hebben wij de heer [C] nog niet op nonactief gesteld maar zijn voornemens om bij consensus over de ontbindingsvoorwaarden c.q. het aanvragen van ontslag meneer [C] geen verder gebruik te maken van zijn diensten. Wij stellen vast dat de heer [C] momenteel actief binnen de klantendatabase werkt c.q. leest en vinden dit in de licht van de arbeidsverhouding niet verantwoord.”

2.5. Op 20 april 2007 ontvangt [A & B] van [D] een aan de raadsman van [C] gerichte conceptbrief met dagtekening 18 april 2007. Daarin wordt het voorstel gedaan de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder vergoeding. Van het op non-actief stellen van [C] geeft deze conceptbrief geen blijk.

2.6. Op 20 april 2007 stuurt [D] aan [C] een brief waarin het voorstel wordt gedaan de arbeidsovereenkomst met [A & B] te ontbinden. Uit de brief blijkt voorts:

“Gelet op het feit dat inmiddels gebleken is dat uw cliënt geen althans nagenoeg geen werkzaamheden meer verricht alsmede dat de onderlinge verhouding dusdanig verstoord is, heeft cliënte besloten om uw cliënt met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen.”

2.7. Op 23 april 2007 stuurt [A] [D] het volgende e-mailbericht:

“Uit het schrijven dat u vrijdag naar de advocaat van [C] heeft gestuurd stel ik vast dat u de nonactiefstelling reeds heeft aangekondigd. Wij hadden het op prijs gesteld dit met u kort te bespreken zodat wij de heer [C] zelf ook tijdig konden informeren.”

2.8. Bij brief van 23 april 2007 schrijft [A & B] [C] onder andere het volgende:

“In navolging van het schrijven dat door onze jurist is verstuurd naar jouw jurist informeren wij jou graag persoonlijk. In overleg met onze jurist zien wij ons genoodzaakt om jou in afwachting van verdere ontwikkeling van het heersend conflict op non-actief te stellen.”

2.9. Bij brief van 25 april 2007 schrijft [A] dat hij uitvoerig met de raadsman van [C] heeft gesproken. Hij schrijft daarin onder andere het volgende:

“Terzake van de ontbinding ziet het er positief uit, er informeel gesproken over een ontbinding per 1/7/07 onder vrijstelling van arbeid en met handhaving van het relatiebeding.

(..)

Ik stel voor om vooreerst te bezien of in ieder geval over de beëindiging van het dienstverband overeenstemming bereikt kan worden waarbij 1 juli op zich geen slechte datum is aangezien in een inhoudelijke procedure (…) een ontbinding niet eerder zal kunnen plaats vinden dan begin juni en alsdan nog de reële mogelijkheid bestaat dat er nog een vergoeding wordt toegekend.”

2.10. Op 14 mei 2007 hebben partijen een gesprek. DAS deelt [A & B] op 18 mei 2007 telefonisch mede dat zij het dossier wil uitbesteden. [A & B] kon daarbij kiezen uit een aantal advocaten. In reactie hierop stuurt [A] diezelfde dag een e-mailbericht aan DAS waarin hij aangeeft dat [A & B] zich daarin kan vinden omdat het vertrouwen in [D] behoorlijk beschadigd is.

2.11. Op 25 mei 2007 is het dossier inzake [C] overgedragen aan mr M.J.M. Jansen-Van Beek.

2.12. Op 4 juni 2007 stuurt [A] mr. Jansen-Van Beek een e-mailbericht, waaruit onder andere het volgende blijkt:

“U reageert in uw schrijven alleen op het schikkingsvoorstel. Dit is niet wat door de tegenpartij wordt gevraagd. De tegenpartij vraagt een motivatie voor de doos ons gekozen procedure. Daarmee stellen zij dat wij een procedure zijn gestart.

Wij willen eens en voor altijd helder hebben dat niet wij maar de heer [C] de procedure is gestart en om een schikkingsvoorstel heeft gevraagd. Helaas heeft de heer [D] van de DAS verzuimd dit door de heer [E] schriftelijk te laten bevestigen en heeft hij alleen maar gereageerd naar aanleiding van telefonisch contact tussen hem en de heer [E].

(…)

Inzake de non-actiefstelling zijn wij uitvoerig terughoudend geweest en hebben wij dit niet eerder in gang gezet dan nadat door partijen was gecommuniceerd dat een redelijke ontbinding de enige oplossing was en pas nadat de heer [C] aantoonbaar alle werkzaamheden had gestaakt (…) en niet eerder dan is gebleken dat contacten tussen de heer [C] en binnendienst en externe maatschappijen als onvriendelijk en niet in het belang van klant en kantoor is ervaren, zoals het eenzijdig en zonder overleg afleggen van dossier Pieper en het over de schutting gooien van het dossier van de heer [F] dat na één jaar nog steeds niet tot een goede afronding is gebracht en nu volledig dreigt te escaleren. (…)”

2.13. Op 18 juni 2007 is een ontbindingsverzoek ingediend, hetgeen heeft geresulteerd in een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 augustus 2007. Daarbij is de arbeidsovereenkomst ontbonden. Tevens is aan [C] een vergoeding toegekend. Uit het vonnis blijkt onder andere het volgende:

“De kantonrechter kent aan verweerder een bedrag van € 10.505,- aan vergoeding en een bedrag van € 7.000,- aan immateriële schadevergoeding tot, zoals procespartijen met elkaar hebben afgesproken.

(…)

Daarnaast zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling het volgende overeengekomen:

- Verzoekster voldoet aan verweerder een bedrag van € 17.025,- bruto aan provisie, vakantiegeld en loon (…).”

2.14. Bij brief van 18 december 2007 verzoekt [A & B] DAS een schadevergoeding in verband met de schade die het gevolg is van het (uitblijven van) handelen door DAS. DAS heeft bij e-mailbericht van 11 april 2008 aansprakelijkheid ontkend. Partijen hebben daarna getracht tot een minnelijke schikking te komen.

3. Het geschil

3.1. [A & B] vordert samengevat – en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- een verklaring voor recht dat DAS toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis, voortvloeiende uit de tussen [A & B] en DAS bestaande rechtsbijstandverzekeringsovereenkomst;

- veroordeling van DAS aan [A & B] alle schade te vergoeden die zij heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat;

- veroordeling van DAS in de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeling van DAS in de kosten van de procedure.

3.2. DAS voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De stellingen van [A & B] komen er op neer dat DAS een beroepsfout heeft gemaakt. De rechtbank stelt bij de beantwoording van de vraag of DAS ([D]) een beroepsfout heeft gemaakt voorop dat het enkele feit dat een beroepsbeoefenaar onjuist handelt of een onjuist advies geeft, nog geen civielrechtelijke aansprakelijkheid schept. Aansprakelijkheid ontstaat pas wanneer een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in de gegeven omstandigheden anders gehandeld zou hebben respectievelijk dat advies niet zou hebben gegeven. Hetgeen [A & B] DAS in dit verband verwijt, betreft enerzijds de vertraging in de behandeling van het dossier (door DAS en door de externe advocaat) en betreft anderzijds het op het non-actief stellen van [C]. Voor zover de rechtbank in het dossier tevens aanwijzingen vindt voor het verwijt dat [D] indiscreet met de zaak zou zijn omgesprongen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. [A & B] verbindt hieraan geen consequenties en gesteld noch gebleken is dat zij als gevolg daarvan schade heeft geleden.

De gestelde vertraging

4.2. De vertraging(sschade) valt uiteen in een aantal componenten. [A & B] stelt enerzijds dat het dossier in de periode 26 april 2007 tot 14 mei 2007 zonder verklaring stil heeft gelegen. Daarna ontstaat verdere vertraging doordat een in het gesprek van 14 mei 2007 volgens [A & B] door [D] (DAS) gedane toezegging, om uiterlijk 18 mei 2007 over te gaan tot het opstellen van een ontbindingsverzoek, niet is nagekomen. Ook nadat het dossier op 25 mei 2007 is overgedragen, duurt het nog tot 18 juni 2007 voordat een ontbindingsverzoek wordt ingediend. Dit zou (mede) verband houden met het feit dat [D] een onvolledig dossier heeft overgedragen (waarvoor [A & B] verwijst naar een als bijlage 6 bij repliek overgelegde e-mail van 4 juni 2007).

4.3. Wat de periode na 25 mei 2007 betreft hebben partijen gediscussieerd over (de toepassing van) een in de door DAS gehanteerde algemene voorwaarden opgenomen exoneratieclausule. Artikel 2.3 van die algemene voorwaarden luidt: “DAS (…) is (…) niet aansprakelijk voor schade door of in verband met de behandeling door een externe deskundige.” De rechtbank gaat voorbij aan de door partijen op dit punt gevoerde discussie (en dus ook aan hetgeen [A & B] heeft aangevoerd op grond waarvan die exoneratieclausule buiten beschouwing zou moeten worden gelaten). De opdracht aan de advocaat is door DAS namens [A & B] gegeven. DAS was daartoe door [A & B] gemachtigd. Handelingen van die advocaat kunnen daarom niet aan DAS worden toegerekend, maar komen in de verhouding tussen [A] en [B] en DAS (hoe dan ook) voor rekening van [A & B]. Dat [D] een onvolledig dossier zou hebben overgedragen is de rechtbank niet gebleken. Uit het door [A & B] aangehaalde e-mailbericht blijkt dit niet. In het door [A & B] genoemde e-mailbericht van 4 juni 2007 zet [A] uiteen dat niet [A & B], maar [C] een procedure is gestart. Uit het e-mailbericht valt voorts af te leiden dat de contacten tussen [D] en de advocaat van [C] deels mondeling hebben plaatsgevonden. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in dat en waarom als gevolg daarvan vertraging is opgetreden, welke aan DAS toerekenbaar zou zijn.

4.4. Met betrekking tot de periode van 26 april tot en met 24 mei 2007 stelt de rechtbank vast dat [D] het dossier van 26 april tot 14 mei 2007 onberoerd heeft gelaten. Dit leidt niet tot wanprestatie. Niet gezegd kan worden dat daarmee sprake is van een zodanig onzorgvuldig handelen dat moet worden geoordeeld dat een redelijk handelend vakgenoot dit niet zou hebben gedaan. Ook voor rechtsbijstandjuristen zal gelden dat zij gelet op het aantal zaken dat zij onder zich hebben hun tijd moeten verdelen over hun cliënten. Op 14 mei 2007 heeft vervolgens een bespreking plaatsgevonden tussen [A] en [D], op grond waarvan [D] meende dat het beter zou zijn de zaak uit te besteden aan een advocaat, hetgeen partijen op 18 mei 2007 zijn overeengekomen. In het licht daarvan - en gelet op het feit dat de zaak op 25 mei 2007 ook daadwerkelijk is overgedragen - kan niet gezegd worden dat [D], door in de periode van 14 tot 25 mei 2007 geen activiteiten te verrichten in het dossier, zo onzorgvuldig heeft gehandeld dat DAS voor de gevolgen daarvan aansprakelijk is. Het had op de weg van [A & B] gelegen nader toe te lichten dat en waarom dit wel het geval is. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, voor zover [A & B] stelt dat [D] had toegezegd dat hij vóór 18 mei 2007 zou aanvangen met het opstellen van een verzoekschrift (hetgeen wordt betwist) dit nog niets zegt over het tijdstip waarop dit verzoekschrift daadwerkelijk zou zijn afgerond en ook niet over het tijdstip waarop dit vervolgens zou zijn ingediend.

4.5. De conclusie van het voorgaande is dat de gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot toekenning van schadevergoeding, voor zover deze zien op de gestelde vertraging, moeten worden afgewezen.

Het op non-actief stellen

4.6. Het verwijt dat [A & B] DAS maakt, is dat DAS ([D]) tegen de uitdrukkelijke wensen van [A & B] in, ertoe is overgegaan [C] op non-actief te stellen.

4.7. De rechtbank stelt voorop dat, ook indien ervan moet worden uitgegaan dat de kantonrechter ter zitting heeft gezegd dat het op non-actief stellen voorbarig was, daarmee nog niet is gesteld (en al helemaal niet is gebleken) dat een redelijk handelend rechtsbijstandjurist onder de gegeven omstandigheden niet eveneens zou hebben geadviseerd om tot het op non-actief stellen over te gaan. Hierbij spelen de zoals de wensen en gevoelens van [A & B] een belangrijke rol, waarbij met name kan worden gewezen op de door [A & B] geuite bezwaren dat [C] nog actief werkte binnen de klantendatabase en contacten onderhield met cliënten (en het door [C] in twijfel trekken van intenties van [A & B]) en de “ongezond hoge spanningsboog in de directe communicatie” tussen [C] en [A].

4.8. Het gaat er in het onderhavige geval daarom vooral om of DAS een verwijt valt te maken van het feit dat [C] door [D] zonder toestemming van [A & B] op non-actief is gesteld. Dat is niet het geval. Uit de onder 2.3, 2.4, en 2.10 weergegeven brief en e-mailberichten blijkt dat [A & B] [C] op non-actief wilde stellen, hetgeen na overleg met [A & B] (zie het eigen e-mailbericht van 8 mei 2007) ook is gebeurd. Voor zover [A & B] betwist dat over het op non-actief stellen overleg is gevoerd (ter zitting heeft [A & B] betwist dat welk overleg dan ook had plaatsgevonden, terwijl zij voorts stelt dat overleg heeft plaatsgevonden nadat de brief van 20 april 2007 al was verzonden) heeft te gelden dat zij hoe dan ook met het op non-actief stellen heeft ingestemd. Dit blijkt uit de e-mailcorrespondentie met [D] en is door [A & B] zelf, drie dagen na het op non-actief stellen door [D], ook nog eens aan [C] bevestigd.

Conclusie

4.9. De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van [A & B] moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal zij in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Aan de zijde van DAS worden deze tot op heden begroot op:

- € 262,00 vast recht

- € 1.356,00 kosten advocaat (3 punten volgens tarief II)

€ 1.618,00.

4.10. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot op € 131,00.

4.11. Dit vonnis is in verband met organisatorische redenen (rouleren) gewezen door een andere rechter dan de rechter die de comparitie van partijen heeft geleid.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A & B] in de kosten van de procedure, aan de zijde van DAS tot op

heden begroot op € 1.618,00.

- veroordeelt [A & B] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat;

- verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Straalen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2010.?