Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO2853

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
04-11-2010
Zaaknummer
13-993045-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artt. 5:54 en 5:56 Wft

Medeplegen van handelen met voorwetenschap.

Openbaar Ministerie ontvankelijk; niet gebleken van een schending van het zorgvuldigheids- danwel gelijkheidsbeginsel bij vervolging.

Gelet op de familierelatie met de bezitter van voorkennis en de afwijking van zijn beleggingspatroon bestaat het vermoeden van handel met voorkennis. Doordat verdachte of zijn mededader voor het tijdstip van de transacties en de afwijking van het patroon geen aannemelijke en overtuigende beweegredenen heeft kunnen opgeven, heeft verdachte dit vermoeden niet kunnen weerleggen.

Wetsverwijzingen
Wet op het financieel toezicht
Wet op het financieel toezicht 5:53
Wet op het financieel toezicht 5:54
Wet op het financieel toezicht 5:56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2010/353 met annotatie van D.R. Doorenbos
JE 2011, 23
JOR 2010/353 met annotatie van D.R. Doorenbos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993045-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 3 november 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 oktober 2010. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mr. D. Kruimel, officier van justitie. Verdachte liet zich bijstaan door mr. P.A. Speijdel, advocaat te Enschede.

Alle hierna te bespreken verweren zijn zakelijk en kort samengevat weergegeven.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging ter terechtzitting van 20 oktober 2010, ten laste gelegd dat

hij op (een) tijdstip(pen) in de periode van 1 en/of 2 en/of 15 en/of 16 november 2007 te Enschedé en/of Am-sterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) althans alleen

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden te beschikken over voorwetenschap als bedoeld in artikel als bedoeld in artikel 5:53, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht,

(telkens) gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap

door (een) transactie(s) te verrichten en/of te bewerkstelligen in (certificaten van) aandelen Koninklijke Grolsch N.V., zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26, lid 1, van de Wet op het financieel toezicht, is verleend,

te weten Euronext Amsterdam, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

- op 1 november 2007 300 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en/of

- op 2 november 2007 250 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en/of

- op 15 november 2007 384 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en/of

- op 16 november 2007 69 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht

terwijl hij (telkens) bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks, althans mid-dellijk betrekking had op Koninklijke Grolsch N.V., te weten:

- dat er sprake was van een overname van of door Grolsch N.V. en/of

- dat Grolsch op korte termijn zou worden overgenomen (door SABMiller)

welke informatie (telkens) nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transactie(s) is/zijn

verricht/bewerkstelligd en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de koers van

de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

(artikel 5:56, derde lid, jo 5:54 Wft jo artikel 2, derde lid, WED)

2. Voorvragen

2.1. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het OM een helder vervolgingsbeleid heeft dat het, getuige een artikel in het NRC-Handelsblad, ook als zodanig uitdraagt. Uit dat artikel blijkt van een vervolgingsgrens van 50.000 euro, waarboven volgens het ‘shame and blame’-principe -dat wil zeggen met naam en toenaam- wordt vervolgd. De onderhavige vervolging is –hoe men de vervolgingsgrens ook interpreteert- evident met genoemd beleid in strijd.

Deze zaak onderscheidt zich niet van andere zaken vanwege de omstandigheid dat in casu ge-handeld is door een groepje personen, nu betrokkenheid van meerdere personen in voorweten-schapzaken gebruikelijk is gelet op het feit dat het veelal om (externe) verdachten gaat die in-formatie hebben verkregen van personen van ‘binnenuit’.

Het argument om [naam 1], de derde persoon genoemd in de aangifte, niet te vervolgen, te weten dat deze persoon 84 jaar oud was, kan evenmin een rechtvaardiging bieden, aangezien dat ontoelaatbare leeftijdsdiscriminatie zou opleveren.

Naast het voorgaande geldt dat zowel de verdachte als de medeverdachte niet eerder met poli-tie en justitie in aanraking is gekomen en de bewijsconstructie van de officier van justitie ‘uit de tenen’ moet komen. Er is dan ook bij de vervolging sprake van het maken van ongerecht-vaardigd onderscheid en voorts strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze schendingen dienen ieder voor zich alsook in onderlinge samenhang bezien tot het genoemde gevolg te lei-den.

2.2. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen vast beleid van het OM in de vervolging van voorwetenschapzaken bestaat. Derhalve kan van de door de raadsman bedoelde schending van een vervolgingsgrens geen sprake zijn. Wel is het zo dat voorweten-schapzaken geregeld worden getransigeerd. Deze zaak onderscheidt zich echter van die zaken door de omstandigheid dat de feiten in casu in familieverband zijn gepleegd. Daarnaast geldt dat het in deze zaak anders dan in veel getransigeerde zaken niet gaat om oude feiten. In het bijzonder onderscheidt deze zaak zich ten opzichte van de zaak tegen [naam 1] doordat die verdachte de leeftijd van 84 jaar had. Van het maken van ontoelaatbaar onderscheid in het al-gemeen danwel specifiek ten opzichte van de zaak tegen [naam 1] is dan ook geen sprake. Het spreekt vanzelf dat in de visie van het OM de feiten bewijsbaar zijn.

2.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van het verweer staat voorop dat het OM, op grond van het bepaalde in ar-tikel 167 Sv, aanmerkelijke vrijheid toekomt in zijn zelfstandige bevoegdheid om te beslissen tot vervolging over te gaan, buiten het strafproces om tot een afdoening te komen of na be-oordeling van het voorbereidende onderzoek te besluiten van verdere vervolging af te zien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Wel vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in de beginselen van een behoorlijk procesrecht, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Ten aanzien van de door de raadsman betoogde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat het OM geen beleid danwel richtlijn inzake ver-volging op het gebied van voorwetenschapzaken heeft gepubliceerd. Ook anderszins is de rechtbank niet van een dergelijk beleid gebleken. Daarmee kan van een schending als bedoeld door de raadsman geen sprake zijn. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat een vervol-gingsbeleid niet kan worden aangenomen op basis van het enkele door de raadsman aange-haalde artikel in het NRC-Handelsblad –ongeacht de inhoud daarvan.

De raadsman heeft voorts betoogd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, met name nu de zaak tegen [naam 1] is getransigeerd terwijl terwijl onder meer verdachte is gedagvaard.

De rechtbank stelt voorop dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel slechts sprake kan zijn indien gelijke gevallen werkelijk willekeurig ongelijk zijn behandeld.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting haar vervolgingsbeslissingen ten aanzien van de onderscheidenlijke verdachten toegelicht. In deze toelichting, zoals hiervoor weergegeven on-der rubriek 4.2, heeft zij uitgelegd op grond van welke omstandigheden in haar visie de zaken tegen verdachten zich onderscheiden van de zaak tegen [naam 1].

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de officier van justitie, na afweging van alle in het geding zijnde belangen en gegeven haar beleidsvrijheid, in redelijkheid tot deze beslissingen kunnen komen. De toelichting die zij heeft gegeven acht de rechtbank genoegzaam. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden gezegd dat de officier van justitie, nu zij de zaak tegen [naam 1] buiten het strafproces heeft afgedaan, in redelijkheid niet tot vervolging van de verdachte over heeft kunnen gaan. Een schending van het gelijkheidsbeginsel is daarmee niet aan de orde.

Nu de rechtbank geen van beide schendingen afzonderlijk aanwezig acht behoeft de combina-tie van beide schendingen geen bespreking. Het verweer van de raadsman wordt dan ook in zijn totaliteit verworpen.

Nu ook overigens de rechtbank niet is gebleken van een schending van de beginselen van be-hoorlijke procesorde, kan de officier van justitie in de vervolging van verdachte worden ont-vangen.

3. De feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit .

Aangifte AFM

3.1 Op 16 september 2008 doet de Stichting Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM) aangifte tegen [naam 2] en verdachte van overtreding van het verbod op handelen met voorkennis . De AFM heeft haar aangifte gebaseerd op onderzoek verricht naar aanlei-ding van meldingen van Rabobank Nederland gedaan op 30 november 2007 betreffende de na te bespreken aan- en verkopen in certificaten van aandelen in de onderneming Koninklijke Grolsch N.V. (hierna: Grolsch NV). Uit het op de aangifte verrichte onderzoek van de FI-OD/ECD blijkt het volgende.

Begrippen Wft

3.2 Grolsch NV is een naamloze vennootschap die blijkens de statuten tevens structuurven-nootschap is . De certificaten van aandelen in Grolsch NV zijn genoteerd op de effectenbeurs Euronext Amsterdam, gevestigd te Amsterdam . Euronext Amsterdam is houder van de ver-gunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). Grolsch NV is daarmee een uitgevende instelling in de zin van de Wft .

Aan- en verkopen certificaten van aandelen in Grolsch N.V.

3.3 [naam 2] koopt op 30 oktober 2007 1.130 certificaten van aandelen in Grolsch NV (hierna: certificaten Grolsch) aan.

3.4 Verdachte koopt via zijn bij de Rabobank aangehouden internetbeleggingsrekening in no-vember 2007 1.003 certificaten Grolsch aan voor een bedrag van € 27.034,11 . Meer precies gaat het om 300 certificaten op 1 november 2007, 250 certificaten op 2 november 2007, 384 certificaten op 15 november 2007 en 69 certificaten op 16 november 2007 .

3.5 Zowel [naam 2] als verdachte verkoopt ieder afzonderlijk op 19 november 2007 zijn respectievelijk in oktober 2007 en november 2007 aangekochte certificaten. Verdachte verkoopt op die datum tevens de 150 certificaten Grolsch die reeds in zijn portefeuille waren opgenomen .

3.6 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard de aankopen met zijn zoon [medeverdachte] te hebben besproken en daarna zelf de opdracht te hebben gegeven .

Openbaarmaking overnamebod door Grolsch NV

3.7 Eveneens op 19 november 2007 maar vóór de hiervoor genoemde verkooptransacties maakt Grolsch NV openbaar dat zij voorwaardelijke overeenstemming heeft bereikt met SABmiller plc over een openbaar bod dat SABMiller voornemens is uit te brengen op de aan-delen in het kapitaal van Grolsch NV

Familierelatie

3.8 [naam 2] is gehuwd met [echtenote naam 2]. Verdachte is getrouwd met [echtgenote verdachte]. [echtenote naam 2] en [echtgenote verdachte] zijn zusters van elkaar. Derhalve zijn [naam 2] en verdachte elkaars zwagers. Zij wonen in dezelfde woonplaats.

[naam 2] heeft verklaard dat de beide zussen een goede verhouding met elkaar heb-ben. [echtenote naam 2] heeft verklaard dat zij haar zus wekelijks ziet en spreekt , hetgeen door [echtgenote verdachte] is bevestigd .

Overnamebod bekend bij [naam 2] voor diens aankoop op 30 oktober 2007

3.9 [naam 3] is vanaf 1 januari 2000 werkzaam bij Grolsch NV als directiesecretaresse van een lid van de Raad van Bestuur . Zij wordt op 26 oktober 2007 in verband met het hiervoor genoemde overnamebod op een zogenaamde insiderlist geplaatst .

[naam 3] heeft verklaard dat zij uit informatie die zij in haar functie onder ogen kreeg wist dat er overnamegesprekken gaande waren bij Grolsch NV. Zij heeft voorts verklaard dat haar partner [naam 4], de zoon van [naam 2], uit verschillende gesprekken die hij met haar op dagen in de week van 22 oktober 2007 heeft gevoerd heeft kunnen opmaken dat er sprake was van een overname bij Grolsch NV. .

[naam 4] heeft verklaard dat hij van zijn partner [naam 3] wist dat er spra-ke was gesprekken bij Grolsch N.V. Hij heeft voorts erkend dat zijn vader [naam 2] hem deze informatie heeft ontfutseld .

3.10 [naam 2] heeft verklaard dat hij aan zijn zoon [naam 4] heeft gevraagd of bij Grolsch NV gesprekken werden gevoerd inzake een overname. Hierop antwoordde [naam 4] bevestigend . Naar aanleiding van dit gesprek heeft [naam 2] besloten tot de genoemde aankoop van de certificaten van aandelen in Grolsch NV. [naam 2] heeft zijn vrouw [echtenote naam 2] op de hoogte gesteld van zijn aankoop van de certificaten en van de reden voor die aankoop .

4. Het bewijs

4.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het tenlastegelegde kan worden veroordeeld. Zij heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat verdachte heeft gekocht vlak nadat [naam 2] had gekocht, welke aankopen laatstgenoemde deed, vanwege zijn wetenschap dat een overname van Grolsch NV ophanden was. Daarnaast is opmerkelijk dat de verkoop heeft plaatsgevonden direct na de bekendmaking van de overname door SAB Miller. Gelet op de familieband en de tijdstippen van handelen is aannemelijk dat er sprake is van handel met voorkennis. Weliswaar ontkennen verdachten, maar daar staat tegenover dat:

-sprake is van een familierelatie waarin geregeld contact werd onderhouden. Daar komt bij dat deze families over en weer wisten dat zij beide certificaten Grolsch hadden geërfd van de moeder van de gezusters [meisjesnaam echtgenotes].

-de timing van de aankoop bijzonder is. Er was in de tenlastegelegde periode geen enkele aanleiding om over te gaan tot aankoop, waarbij komt dat verdachte reeds langere tijd over beschikbare gelden beschikte.

-gefaseerde aankoop opvallend is, gelet op de ermee gemoeide transactiekosten.

-verdachte met het met de aankopen gemoeide bedrag van 27.000 euro zijn normale beleggingspatroon doorbreekt, zowel voor wat betreft de grootte als het soort aandeel.

Uit de persmap blijkt niet van berichtgeving tussen 1 augustus 2007 en 17 november 2007 van een overname van Grolsch (door Budweiser). Mochten verdachten die informatie voor die tijd hebben opgedaan, dan kan dat voor hun aankoop in november geen verklaring meer zijn.

Van opvallende koersverlopen of omzetontwikkelingen met betrekking tot de certificaten Grolsch is geen sprake geweest. Daarnaast zijn er geen positieve adviezen van aandelenanalis-ten geweest met betrekking tot de aankoop van de certificaten.

De officier van justitie acht tot slot medeplegen bewezen. Uit de verklaringen van verdachten komt het beeld naar voren dat verdachte niets deed zonder instemming van zijn zoon. Dat de zoon geen uitvoeringshandeling heeft verricht staat niet in de weg aan het aannemen van me-deplegen.

4.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat van medeplegen geen sprake is, aangezien tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] slechts sprake is geweest van communicatie. De uitvoeringshandelingen zijn geheel en al door ver-dachte verricht. Mogelijk zou er wel sprake kunnen zijn van een andere deelnemingsvorm als uitlokking, maar een dergelijke deelnemingsvorm is niet ten laste gelegd.

Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat de sfeer die het dossier uitademt over de koopwaardigheid van het aandeel in Grolsch NV in de periode voor de openbaarmaking van het overnamebod, onjuist is. Immers, uit een veelheid aan berichten spreekt dat het aandeel Grolsch NV juist koopwaardig was, waarbij de raadsman heeft verwezen naar de in kopie bij zijn pleitnota gevoegde publicaties. Daarbij geldt dat een signaal in de media dat een bedrijf een overnamekandidaat is niet direct behoeft te worden opgevolgd met het aankopen van aan-delen, aangezien algemeen bekend is dat met een overname vaak maanden zijn gemoeid.

Daarnaast heeft de raadsman in zijn pleidooi een opsomming gegeven van de verschillen tus-sen de feiten en omstandigheden in onderhavige zaak en de zaak Pie Medical, waarin voorkennis aanwezig werd geacht. De raadsman is gelet op die verschillen van mening dat hier de aanwezigheid van voorkennis bij verdachte niet bewezen kan worden verklaard.

Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat de omstandigheid dat verdachte in 2005 150 certifi-caten Grolsch heeft geërfd en daarna tot de tenlastegelegde aankopen geen certificaten heeft verkocht of bijgekocht niets met voorkennis van doen behoeft te hebben.

Het feit dat er bij de aankopen meerdere keren is bijgekocht laat zich verklaren doordat er geen haast –een contra-indicatie voor voorkennis- was en voorts dat er niet ‘bestens’ gekocht is.

De omstandigheid dat [naam 2] met voorkennis gekocht zegt te hebben betreft niet meer dan een toevalligheid. In dit verband zij opgemerkt dat de heer [naam 5] van de Rabobank de aankoop niet als atypisch voor de portefeuille van verdachte heeft aangemerkt.

Het feit dat direct na de overname verkocht is, kan evenmin als een indicator voor voorweten-schap dienen, nu het volstrekt logisch is dat als de koers omhoog schiet ten gevolge van een overnamebod, men dat direct online verzilvert.

Tot slot heeft de raadsman erop gewezen dat het koop- en verkoopgedrag van verdachte cor-respondeert met de bekende beurswijsheden.

4.3. Oordeel van de rechtbank

Transacties, financiële instrumenten en gereglementeerde markt

Verdachte heeft erkend de in de tenlastelegging genoemde transacties in de certificaten Grolsch te hebben verricht. De rechtbank stelt vast, gelet op rubriek 3.2, dat certificaten van aandelen zijn aan te merken als financiële instrumenten in de zin van de Wft en dat deze certi-ficaten zijn toegelaten tot de handel op Euronext Amsterdam. Laatstgenoemde effectenhandel betreft een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend. Van dit voorgaande gaan ook de officier van justitie en de verdediging uit.

Voorwetenschap

De rechtbank stelt voorts vast dat bekendheid met de informatie dat er sprake was van een voorgenomen overname van Grolsch NV, zoals ten laste gelegd, voor de openbare bekend-making daarvan, op 19 november 2007, voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 van de Wft oplevert, aangezien deze informatie concreet is en niet openbaar is gemaakt, terwijl openbaarmaking ervan significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de financiële instrumenten. Ook dit een en ander nemen de officier van justitie en de verdediging tot uit-gangspunt.

Gebruikmaken van die voorwetenschap

Verdachte betwist dat hij bij de aankooptransacties beschikte over deze voorwetenschap en voert aan daarvan dus geen gebruik te hebben gemaakt. Dat dit anders zou zijn, zo heeft zijn raadsman betoogd, valt, gelet op eerdere jurisprudentie, niet uit de feiten en omstandigheden af te leiden.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel over de vraag of verdachte bij de transacties die hier in het geding zijn, de bedoelde voorwetenschap had de volgende omstandigheden.

In de eerste plaats stelt de rechtbank vast dat de door verdachte gedane aankopen in november 2007 niet passen in zijn beleggingspatroon. Immers, niet eerder kocht verdachte van één en hetzelfde fonds in totaal zoveel aandelen of andere effecten, noch voor een dergelijk hoog totaalbedrag. Ook kocht verdachte niet eerder gefaseerd in, dat wil zeggen in verschillende el-kaar in relatief korte tijd opvolgende transacties. Tot slot was de periode waarin beleggingen in portefeuille werden gehouden, de ‘holding period’, niet eerder zo kort als bij deze aankopen .

Daarbij komt dat verdachte is begonnen met de gefaseerde aankopen de dag nadat zijn zwager [naam 2] een grote hoeveelheid van dezelfde certificaten heeft aangekocht, welke aankoop volgens diens verklaring was ingegeven doordat hij had gehoord dat een overname van Grolsch NV ophanden was. Volgens [naam 2] wist zijn echtgenote hiervan, terwijl vast staat dat zij in nauw contact stond met haar zuster, de echtgenote van verdachte.

Dit een en ander doet vermoeden dat deze kennis door de contacten die beide zusters met el-kaar onderhielden, bij verdachte is terecht gekomen en dat het deze kennis was, die hem tot zijn aankopen in november 2007 van de certificaten Grolsch heeft doen besluiten.

Dit vermoeden is van dien aard dat het aan verdachte is met steekhoudende argumenten te komen om dit te weerleggen.

Hieromtrent geldt het volgende.

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD/ECD verklaard dat hij tot de aankopen is geko-men, omdat hij altijd al aandelen Grolsch NV in zijn portefeuille heeft gehad. Van Grolsch NV was al langere tijd bekend dat het een overnamekandidaat was. Tot zijn aankopen in november 2007 is hij specifiek gekomen omdat er toen geruchten waren dat Grolsch NV een overnamekandidaat was. Analisten zeiden daarnaast al geruime tijd dat Grolsch NV een koop-waardig aandeel was.

In het volgende verhoor bij de FIOD/ECD heeft verdachte verklaard dat hij tot de aankoop is gekomen door de positieve geluiden vanuit de markt en de media, het feit dat het om een be-drijf uit zijn woonplaats Enschede ging en verdachte een emotie heeft bij streekgebonden be-drijven en het feit dat verdachte liquide middelen beschikbaar had voor aankopen.. De koers-ontwikkeling was de reden dat verdachte tussentijds heeft bijgekocht.

Ter terechtzitting heeft verdachte zijn motieven uit het laatstgenoemde verhoor herhaald en daarnaast heeft hij verklaard dat hij niet veel met financiële zaken heeft en geen regelmatige speler op de markt is. Dat de aankoop in grootte afweek van het bestaande patroon had te ma-ken met een eerdere grote verkoop van effecten uit zijn portefeuille. Hij heeft de certificaten na het bekend worden van het bod verkocht vanwege de grote winst die hij toen kon behalen.

Volgens de zoon van verdachte, medeverdachte [medeverdachte], is de reden voor de aankopen geweest, zo heeft hij in zijn verhoor bij de FIOD/ECD verklaard, dat zijn vader al jaren aandelen Grolsch NV wilde hebben, omdat hij het mooi vond om bezig te zijn in de regio. Dit heeft [medeverdachte] tegengehouden omdat Grolsch NV in zijn visie een heel rustig en stabiel fonds was en er sprake was van een opgaande beurs. Daarom zat [medeverdachte] op dat moment liever in andere fondsen. Vanwege de interesse van zijn vader voor het aandeel is [medeverdachte] het wel gaan volgen. Daardoor was hij bekend met het feit dat Grolsch NV al jaren een overnamekandidaat was. Omdat er na een aantal verkopen uit diens portefeuille veel geld op de rekening van zijn vader stond en het fonds Grolsch NV zeer stabiel en een zogenaamd de-fensiever fonds was stemde [medeverdachte] in met de aankoop in november 2007. Een stabiel fonds waar relatief weinig in gehandeld wordt moet men gefaseerd aankopen, in de hoop daarmee een positief effect te sorteren. [medeverdachte] vond het aandeel eveneens positief om-dat Grolsch NV zou gaan samenwerken met Budweiser, waardoor naar zijn idee een overna-me weleens mogelijk zou kunnen zijn. Daarnaast was het mede door vernieuwde bierflessen al met al een populair biertje.

Deze door verdachte en zijn zoon opgegeven beweegredenen om in november 2007 tot de transacties te besluiten, acht de rechtbank achteraf geconstrueerd en zij overtuigen dan ook niet, zelfs als waar zou zijn dat Grolsch NV al langere tijd allerwegen als een overnamekandi-daat werd gezien. Met deze opgegeven beweegredenen immers biedt verdachte geen redelijke verklaring waarom hij nu juist in de ongeveer twee weken voor de publicatie van 19 novem-ber 2007 de transacties deed, terwijl hij het geld hiervoor al maanden ter beschikking had. Evenmin bieden de opgegeven beweegredenen er een redelijke verklaring voor waarom ver-dachte in die ongeveer twee weken van aankopen veel meer geld in een enkel fonds stak dan hij voordien ooit had gedaan.

Daarbij laat de rechtbank nog daar dat verdachte en zijn zoon geen enkele plausibele verkla-ring hebben gegeven waarom niet een enkele order tot aankoop is gegeven, maar gefaseerd is ingekocht. Dat heeft slechts tot hogere transactiekosten geleid, terwijl bij een handelsvolume als dat van de onderhavige certificaten, de inleg van een order tot aankoop van 1000 stuks op de koers geen invloed heeft. Ook laat de rechtbank daar dat verdachte en zijn zoon geen be-leggingsadviseur hebben kunnen noemen die in de periode voorafgaande aan de transacties tot aankoop van certificaten Grolsch heeft geadviseerd.

Verdachte heeft dus het vermoeden dat hij met voorwetenschap heeft gehandeld, niet kunnen weerleggen.

Medeplegen

Anders dan de raadsman, oordeelt de rechtbank dat sprake is van medeplegen.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte bij de beslissingen aangaande zijn beleggingsportefeuille, zeker nadat zijn zoon [medeverdachte] uit de Randstad was teruggekeerd naar Twente, geheel leunde op zijn adviezen, mede omdat zijn zoon dankzij zijn eerdere werkzaamheden voor makelaars in effecten professionele kennis en ervaring in beleggen heeft. In feite kwam het erop neer dat verdachte de beleggingsrekening en het daar-op aanwezige saldo bezat, maar dat hij alle beslissingen met betrekking tot aan- of verkopen aan zijn zoon liet, ook ten aanzien van de keuze voor het moment, voor het fonds, voor de hoeveelheden en de prijs. Ook hier is dat het geval geweest. Auctor intellectualis was dus de zoon, die voor zijn vader de beleggingsbeslissingen heeft genomen die de vader heeft uitge-voerd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door de zoon opgegeven redenen voor aankoop, moet het ervoor worden gehouden dat ook de zoon wist dat een over-namebod op Grolsch NV ophanden was.

Er was dus een bewuste en nauwe samenwerking, hetgeen is vereist voor medeplegen en hier-aan doet niet af dat de zoon niet in de winst van zijn vader heeft gedeeld.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 1 tot en met 16 november 2007 te Enschede en Amsterdam te-zamen en in vereniging met een ander, terwijl hij wist dat hij beschikte over voorwetenschap als bedoeld in artikel 5:53 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht, telkens gebruik heeft gemaakt van die voorwetenschap door telkens een transactie te verrichten in certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V., zijnde financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 5:26 lid 1 van de Wet op het financieel toezicht is verleend, te weten Euronext Amsterdam,

immers hebben verdachte en zijn mededader

- op 1 november 2007 300 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 2 november 2007 250 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 15 november 2007 384 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht en

- op 16 november 2007 69 certificaten van aandelen Koninklijke Grolsch N.V. aangekocht

terwijl hij steeds bekend was met niet openbaar gemaakte, concrete informatie die rechtstreeks betrekking had op Koninklijke Grolsch N.V., te weten:

dat er sprake was van een overname van Grolsch N.V.,

welke informatie nog niet openbaar was gemaakt op het moment dat genoemde transacties

zijn verricht en waarvan de openbaarmaking significante invloed zou kunnen hebben op de

koers van de aandelen Koninklijke Grolsch N.V.

De rechtbank heeft haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan, gegrond op de hiervoor onder rubriek 3 en 4.3 in samenvattende vorm weergegeven feiten en omstan-digheden, zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Waar de tenlastelegging taalkundig is verbeterd, is verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren en een geldboete van 10.000 euro. Daarnaast heeft de officier van justitie het voornemen aangekondigd een vordering tot ontneming van het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen.

Ter motivering van haar eis heeft de officier van justitie gewezen op de omstandigheid dat het goed functioneren van de kapitaalmarkt van wezenlijke betekenis is voor de economie. Wie meer weet moet de markt mijden. Door dat niet te doen en gebruik te maken van voorwetenschap wordt het vertrouwen in de effectenmarkt geschaad en wordt het bereiken van een transparante markt een utopie. In het voordeel van verdachte speelt dat hij first offender is.

8.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat opgemerkt dat hij de eis van de officier van justitie onverklaarbaar acht gelet op zowel de getransigeerde zaak als op andere zaken.

8.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de keuze voor de straf en bij de vaststelling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van wat in de volksmond ook wel beursfraude wordt genoemd. Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de integriteit en transparantie van de effectenmarkt. De effectenmarkt vervult een sleutelrol in het economisch proces aangezien daar vraag en aanbod van kapitaal bij elkaar komen. De aanbieders van kapitaal moeten erop kunnen vertrouwen dat zij allen de beschikking hebben over dezelfde relevante informatie. Door gebruik te maken van voorkennis wordt dit vertrouwen geschaad.

Het belang van dat vertrouwen en die transparantie wordt ook in Europees verband in toenemende mate onderkend. Zo zijn de lidstaten overeengekomen dat het vertrouwen van beleggers door het stellen van strenge normen moet worden bevorderd en dat de sancties voldoende afschrikwekkend moeten zijn en in verhouding dienen te staan tot de ernst van de inbreuk en de gerealiseerde winst.

Ten voordele van verdachte geldt dat hij een blanco strafblad heeft. De rechtbank acht het gevaar voor herhaling verwaarloosbaar.

Ook hecht de rechtbank gewicht aan het feit dat aannemelijk is dat deze strafzaak voor verdachte -mogelijk zware- repercussies zal hebben voor de uitoefening van zijn functie in de financiële sector.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat de officier van justitie heeft aangekondigd het door verdachte verkregen voordeel te willen ontnemen.

Gelet op al het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan met het opleggen van na te noemen geldboete.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Straf-recht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 5:54 en 5:56 van de Wet op het financieel toezicht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5:56 van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,- (tienduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 85 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. W.M. de Vries en J.L. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 november 2010.

De jongste rechter is buiten staat te ondertekenen.