Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO2756

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
406109 / HA ZA 08-2363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring en verrekening in een belastingzaak.

Op grond van artikel 27 lid 2 onder a Invorderingswet 1990 wordt de verjaringstermijn van vijf jaar geschorst door een verleend uitstel van betaling. De Ontvanger stelt dat hij voor vier aanslagen uitstel van betaling heeft verleend, maar beschikt niet over een afschrift van de uitstelbeschikkingen. Deze beschikkingen zijn volgens de Ontvanger geautomatiseerd opgemaakt. Dat voor deze aanslagen uitstel van betaling is verleend blijkt volgens de Ontvanger uit de schermprints van de geautomatiseerde administratie van de Ontvanger (GOA), met waarop ‘DB38’, wat staat voor uitstel van betaling in verband met bezwaar, in combinatie met de omstandigheid dat [A] om uitstel van betaling heeft verzocht, dat de Ontvanger vanaf het moment van uitstelverlening geen invorderingsmaatregelen meer heeft genomen en dat [A] de aanslagen niet heeft betaald.

[A] heeft niet betwist dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Evenmin heeft [A] (voldoende gemotiveerd) betwist de uitstelbeschikkingen (via zijn toenmalige advocaat) te hebben ontvangen. Dit had, mede gezien de informatie afkomstig uit het GOA, wel op zijn weg gelegen. Aangezien [A] onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat hem uitstel van betaling is verleend, wordt aangenomen dat voor de vier hiervoor genoemde aanslagen de verjaring is geschorst.

De Ontvanger heeft een bedrag van € 66.022,22 dat sinds 2001 bij hem in depot stond afgeboekt op aanslagen, die op het moment van afboeken waren verjaard. Door de verjaring eindigt ook de bevoegdheid tot verrekening. De Ontvanger mocht dan ook niet zonder toestemming van [A] het bedrag dat hij in bewaring hield in mindering brengen op de verjaarde aanslagen. De rechtbank maakt daarbij geen onderscheid tussen afdwingen van betaling door verrekening dan wel afboeking. De Ontvanger zal tot teruggave van het depotbedrag aan [A] moeten overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 406109 / HA ZA 08-2363

Vonnis van 2 juni 2010

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. B.J.G.L. Jaeger,

tegen

publiekrechtelijk lichaam

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. E.E. Schipper.

Partijen zullen hierna [A] en de Ontvanger worden genoemd .

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 augustus 2008 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- het tussenvonnis van 24 juni 2009 waarin een comparitie is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 januari 2010 en het daarin genoemde stuk, alsmede de nadien binnengekomen brieven van [A] van 5 en 9 februari 2010 en van de Ontvanger van 9 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] procedeert al jaren tegen de Ontvanger over onder meer aan hem opgelegde aanslagen inkomstenbelasting 1994 en 1995. Op dit moment loopt daarover een cassatieprocedure. Bij brief van 19 maart 2008 heeft [A] het volgende aan de Ontvanger geschreven:

(…)

In het kader van die cassatieprocedure benader ik u met het volgende.

Ik constateer dat het om zo langzamerhand wel heel oude aanslagen gaat, waarbij ik mij afvraag of en in hoeverre er op die aanslagen is betaald, of en in hoeverre er in het verleden voor die aanslagen uitstel van betaling is verleend en of en in hoeverre er nog mogelijkheden zijn voor actieve invordering. Gelet op de wettelijke termijnen moet er immers sprake zijn geweest van schorsings- dan wel stuitingshandelingen, wil de verjaring niet inmiddels zijn ingetreden. Het lijkt mij weinig zinvol de Hoge Raad te belasten met een uitspraak over aanslagen waarvan de invordering toch niet meer ter hand kan worden genomen.

Om die reden zou ik het op prijs stellen indien u mij zou willen informeren over wat de actuele belastingschuld van de heer [A] is, alsmede gedocumenteerd aan zou willen geven of de op dat overzicht prijkende aanslagen nog kunnen worden ingevorderd en zo ja, om welke reden. Vanzelfsprekend verzoek ik u mij daarbij dan direct de verificatoire bescheiden mee te zenden, zodat ik ook zelf kan beoordelen of ik uw standpunt daarin deel. Tevens verneem ik graag wat voor invorderingshandelingen er al hebben plaatsgevonden, of er uitstel van betaling is gevraagd voor de met de cassatie te bestrijken aanslagen, alsmede of en zo nodig onder welke voorwaarden u eventueel bereid zou zijn (hernieuwd) uitstel voor de betaling van deze aanslagen te verlenen.

(…)

2.2. In reactie hierop heeft de Ontvanger [A] op 26 maart 2008 een intern verjaringsoverzicht en debiteurenoverzicht gestuurd. Op het debiteurenoverzicht staan 15 aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, zes aanslagen vermogensbelasting en een aanslag Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen met een totaal van bijna 12 miljoen euro.

2.3. Bij brief van 7 april 2008 heeft [A] de Ontvanger geschreven dat het debiteurenoverzicht niet juist is, onder meer omdat rechterlijke uitspraken en betalingen daarin niet zijn verwerkt.

2.4. In aanvulling op deze brief heeft [A] de Ontvanger op 25 april 2008 geschreven dat er ƒ 496.945,80 in beslag is genomen en er een voorlopige teruggaaf van ƒ 48.549 in depot staat. Verder heeft [A] geschreven dat de opbrengst van de woning in Nederhorst den Berg van vier miljoen gulden in mindering moet worden gebracht op zijn belastingschulden, nu deze woning volgens de Inspecteur aan hem moet worden toegerekend.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. hem voor goed opposant verklaart,

b. de Ontvanger opdraagt om binnen twee weken na het vonnis in zijn administratie de eerdere fiscale uitspraken door te voeren en daarvan te doen blijken aan [A], onder verbeurte van een dwangsom van € 250 per dag dat de Ontvanger daarmee in gebreke blijft,

c. voor recht verklaart dat de in het debiteurenoverzicht genoemde aanslagen zijn verjaard,

d. voor recht verklaart dat de opbrengst van de verkoop van de woning te Nederhorst den Berg aan [A] moet worden toegerekend,

e. de Ontvanger veroordeelt om aan [A] alle kosten, schade en interesten als gevolg van de (wijze van) invordering te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

f. de Ontvanger veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. [A] stelt dat met het debiteurenoverzicht minst genomen wordt geïmpliceerd dat de Ontvanger een of meerdere dwangbevelen heeft uitgevaardigd en dat de Ontvanger op termijn voornemens is een belastingschuld van 12 miljoen euro te innen.

[A] legt verder aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Ontvanger onherroepelijk vaststaande rechterlijke uitspraken niet doorvoert in zijn administratie, verrekenbare betalingen, beslagen geldbedragen en uitgewonnen goederen ten onrechte onder zich houdt zonder tot daadwerkelijke verrekening over te gaan, alsmede ervan uitgaat dat aanslagen nog niet zijn verjaard. Aangezien de Ontvanger niet reageert op verzoeken om het overzicht aan te passen en aan te tonen dat de aanslagen nog niet zijn verjaard, wendt [A] zich (alvast) tot de rechtbank. Door het nodeloos voortzetten van procedures en als gevolg van de invorderingsmaatregelen uit het verleden heeft [A] schade geleden.

3.3. De Ontvanger voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Doorvoeren uitspraken in administratie (b)

4.1. Bij brief van 28 oktober 2008, dus na de dagvaarding, hebben de Ontvanger en de Inspecteur van de belastingdienst [A] bericht dat de (navordering)aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (nummer eindigend op h27), 1993 (h36) en 1996 (h66) alsmede de aanslag vermogensbelasting 1997 (k76) inmiddels conform de rechterlijke uitspraken zijn verminderd. De rechtbank begrijpt dat het gaat om de uitspraken van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2000 en 14 april 2003. Deze verminderingen zijn blijkens een door de Ontvanger overgelegd debiteurenoverzicht van 29 januari 2009 ook in de administratie van de Ontvanger verwerkt. [A] heeft hiertegen geen nadere bezwaren ingebracht. Bij deze stand van zaken heeft [A] geen belang meer bij zijn vordering sub b en deze zal dan ook worden afgewezen.

Verjaring (c)

4.2. Op grond van artikel 27 lid 1 van de Invorderingswet 1990 verjaart het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de aanslag geheel invorderbaar is dan wel, als dit tot een later tijdstip leidt, vijf jaar na de aanvang van de dag volgend op die waarop de laatste akte van vervolging ter zake van die aanslag aan de belastingschuldige is betekend. Het tweede lid onder a van artikel 27 Invorderingswet 1990 bepaalt dat de verjaring wordt geschorst door een verleend uitstel van betaling.

4.2.1. De Ontvanger betwist niet langer dat het recht tot dwanginvordering en het recht tot verrekening met betrekking tot de volgende tien aanslagen zijn verjaard: de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (h27), 1993 (h36), 1994 (h46), 1995, (h50 en h56) en 1996 (h60 en h66) en de aanslagen vermogensbelasting 1995 (k56), 1996 (k66) en 1997 (k76). De vordering sub c kan dan ook in zoverre worden toegewezen.

4.2.2. [A] en de Ontvanger verschillen nog van mening over de vraag of de Ontvanger de voorlopige aanslag 1996 (h60) mocht voldoen door middel van afboeking van een gedeelte van de teruggave uit hoofde van vermindering van de definitieve aanslag inkomstenbelasting (h66). Aangezien de vorderingen van [A] hierop geen betrekking hebben, staat deze kwestie niet ter beoordeling aan de rechtbank.

4.3. Ten aanzien van vier aanslagen die minder dan vijf jaar geleden zijn opgelegd, houdt [A] niet langer vol dat deze zijn verjaard. Het gaat om de volgende aanslagen: inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2001 (h16), 2002 (h26), 2003 (h36) en 2004 (h46).

4.4. De Ontvanger stelt dat hij voor de overige acht aanslagen uitstel van betaling heeft verleend. Dit wordt door [A] niet langer betwist voor zover het gaat om aanslagen waarvoor de Ontvanger uitstelbeschikkingen heeft overgelegd. Dit zijn de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1999 (h96) en 2000 (h06), vermogensbelasting 2000 (k06) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen 1999 (w960).

4.4.1. De Ontvanger beschikt niet over een afschrift van de uitstelbeschikkingen voor de vier resterende aanslagen (inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1997 (h76) en 1998 (h86) en vermogensbelasting 1998 (k86) en 1999 (k96)). Deze beschikkingen zijn volgens de Ontvanger geautomatiseerd opgemaakt. Dat voor deze aanslagen uitstel van betaling is verleend blijkt volgens de Ontvanger uit de schermprints van de geautomatiseerde administratie van de Ontvanger (GOA), met waarop ‘DB38’, wat staat voor uitstel van betaling in verband met bezwaar, in combinatie met de omstandigheid dat [A] om uitstel van betaling heeft verzocht, dat de Ontvanger vanaf het moment van uitstelverlening geen invorderingsmaatregelen meer heeft genomen en dat [A] de aanslagen niet heeft betaald.

4.4.2. [A] heeft niet betwist dat hij om uitstel van betaling heeft verzocht. Evenmin heeft [A] (voldoende gemotiveerd) betwist de uitstelbeschikkingen (via zijn toenmalige advocaat) te hebben ontvangen. Dit had, mede gezien de informatie afkomstig uit het GOA, wel op zijn weg gelegen. Aangezien [A] onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden dat hem uitstel van betaling is verleend, wordt aangenomen dat voor de vier hiervoor onder 4.4.1 genoemde aanslagen de verjaring is geschorst. Dit deel van de vordering komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

4.5. Samenvattend wordt de vordering sub c toegewezen voor zover het de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (h27), 1993 (h36), 1994 (h46), 1995, (h50 en h56) en 1996 (h60 en h66) en de aanslagen vermogensbelasting 1995 (k56), 1996 (k66) en 1997 (k76) betreft.

Verzet (a)

4.6. Het verzet van [A] tegen de dwangbevelen voor de hiervoor onder 4.5 genoemde aanslagen is dan ook gegrond. Dat er meer dwangbevelen zijn uitgevaardigd is gesteld noch gebleken. [A] zal dan ook voor het overige niet ontvankelijk worden verklaard in zijn verzet.

Opbrengst woning Nederhorst den Berg (d)

4.7. Met betrekking tot de woning in Nederhorst den Berg voert de Ontvanger aan dat hij deze woning niet heeft uitgewonnen en dat er dan ook geen opbrengst is die aan [A] kan worden toegerekend. In reactie hierop heeft [A] een brief van de belastingdienst Utrecht van 25 augustus 1997 overgelegd, maar daaruit volgt – anders dan [A] stelt – niet dat de belastingdienst de woning heeft uitgewonnen. In de brief staat namelijk alleen dat de belastingdienst Utrecht de beslagen op diverse onroerende zaken (waaronder kennelijk de woning in Nederhorst den Berg) heeft doorgehaald, niet dat de onroerende zaken door of in opdracht van de belastingdienst Utrecht zijn verkocht of dat met de verkoop door de belastingdienst Utrecht opbrengsten zijn gegenereerd. Hetgeen [A] verder heeft gesteld kan niet tot toewijzing van zijn vordering leiden, zodat zijn in dit verband gedane bewijsaanbod als niet ter zake doende wordt gepasseerd.

Schade (e)

4.8. Bij brief van 4 februari 2009 heeft de Ontvanger [A] bericht dat een bedrag van € 66.022,22 dat sinds 2001 bij hem in depot stond is afgeboekt op de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (h27) en 1993 (h36). Tijdens de comparitie heeft [A] verzocht om onder sub e van de vordering ook te begrijpen een vordering tot uitbetaling door de Ontvanger van dit depotbedrag. Tegen deze verzoek heeft de Ontvanger geen bezwaar gemaakt en de rechtbank zal dan ook begrijpen dat de vordering sub e mede inhoudt een veroordeling van de Ontvanger tot betaling van € 66.022,22.

4.8.1. De Ontvanger heeft uitgelegd dat het bedrag is geïncasseerd voor de aanslagen h27 en h36, maar dat met het afboeken is gewacht totdat de Inspecteur de aanslagen heeft verminderd, hetgeen bij beschikking van 11 november 2008 is gebeurd. Volgens de Ontvanger is dan ook geen sprake van verrekening. De gelden waren al geïnd vóór een eventuele verjaring en de bevoegdheid om een geïnd bedrag op een aanslag af te boeken verjaart volgens de Ontvanger niet.

4.8.2. Op het moment dat de Ontvanger het depotbedrag in mindering bracht op de aanslagen, had [A] de dagvaarding in deze zaak al aan de Ontvanger betekend en zich aldus (naar nu vaststaat terecht) beroepen op verjaring van het recht op dwanginvordering en verrekening van deze aanslagen. Door de verjaring is de schuld van [A] aan de Ontvanger niet vervallen (er resteert een natuurlijke verbintenis), maar de Ontvanger kan betaling niet meer afdwingen. Ook de bevoegdheid tot verrekening eindigt door de verjaring van belastingaanslagen. Hieruit volgt dat de Ontvanger zonder toestemming van [A] het bedrag dat hij in bewaring hield niet in mindering mocht brengen op de verjaarde aanslagen. De rechtbank maakt daarbij geen onderscheid tussen afdwingen van betaling door verrekening dan wel afboeking. De Ontvanger mocht het depotbedrag dan ook niet op de aanslagen h27 en h36 afboeken en zal tot teruggave van het depotbedrag aan [A] moeten overgaan.

4.9. [A] verzoekt in de dagvaarding de Ontvanger te gelasten de bedragen die de Ontvanger onder zich heeft en nog niet heeft verrekend bij gebreke aan nog openstaande belastingschulden aan [A] uit te betalen. Nog daargelaten dat niet alle aanslagen op het debiteurenoverzicht zijn verjaard zodat niet gezegd kan worden dat [A] geen openstaande belastingschulden meer heeft, heeft [A] geen hiertoe strekkende vordering ingesteld. Deze stelling van [A] blijft dan ook verder buiten beschouwing.

4.10. [A] stelt tot slot schade te hebben geleden doordat hij nodeloos kosten heeft gemaakt voor het voortzetten van procedures en tengevolge van invorderingsmaatregelen.

4.10.1. Procederen kan, ook als dat niet tot een gunstig resultaat leidt, op zichzelf niet als onrechtmatig worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden die dat in het onderhavige geval anders maken zijn gesteld noch gebleken. De kosten als gevolg van het voortzetten van de procedures komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

4.10.2. De Ontvanger betwist dat [A] schade heeft geleden als gevolg van zijn handelen. Gelet op deze betwisting had het op de weg van [A] gelegen om in ieder geval gemotiveerd aan te geven op welke wijze hij schade heeft geleden tengevolge van welke invorderingsmaatregelen. Dit heeft hij niet gedaan. Daarmee heeft [A] de mogelijkheid van schade onvoldoende aannemelijk gemaakt, waardoor de rechtbank niet kan overgaan tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat.

Proceskosten (f)

4.11. De Ontvanger zal in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,44

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.243,44

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet gegrond voor zover het betrekking heeft op de dwangbevelen voor de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (h27), 1993 (h36), 1994 (h46), 1995, (h50 en h56) en 1996 (h60 en h66) en de aanslagen vermogensbelasting 1995 (k56), 1996 (k66) en 1997 (k76),

5.2. stelt de hiervoor onder 5.1 genoemde dwangbevelen buiten werking,

5.3. verklaart [A] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn verzet,

5.4. verklaart voor recht dat de aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1992 (h27), 1993 (h36), 1994 (h46), 1995, (h50 en h56) en 1996 (h60 en h66) en de aanslagen vermogensbelasting 1995 (k56), 1996 (k66) en 1997 (k76) zijn verjaard,

5.5. veroordeelt de Ontvanger tot betaling aan [A] van € 66.022,22 (zesenzestig duizend tweeëntwintig euro en tweeëntwintig eurocent),

5.6. veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 1.243,44,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. Jöbsis en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2010.?