Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO2147

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
AWB 09/1612 GEMWT, AWB 09/2959 GEMWT en AWB 09/3059 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom. Handhaving in verband met strijdig gebruik gronden als beeldentuin. Niet is gebleken van bedrijfsmatig gebruik van de beeldentuin. Het gebruik is ondergeschikt aan de woonfunctie. Geen geslaagd beroep op overgangsrecht, gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers:

AWB 09/1612 GEMWT, AWB 09/2959 GEMWT en AWB 09/3059 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

eiser 1,

gemachtigde mr. J.T.F. van Berkel,

[eiser 2],

wonende te [woonplaats],

eiser 2,

gemachtigde mr. J.G. Hinnen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren,

verweerder,

gemachtigde mr. J.C. Meijer.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2008 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser 1 aangeschreven om - uiterlijk binnen één maand na verzending van het besluit - het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde” als beeldentuin te staken en gestaakt te houden. Verweerder heeft aan eiser 1 een dwangsom opgelegd van

€ 500 voor elke dag waarop de overtreding na afloop van de genoemde termijn niet is beëindigd, met een maximum van € 15.000.

Bij besluit van 15 september 2008 (het primaire besluit II) heeft verweerder partijen meegedeeld niet handhavend op te treden ten aanzien van het van het gebruik door eiser 1 van de gronden met de bestemming “Tuin en Erf” als beeldentuin.

Bij besluit van 11 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser 2 tegen het primaire besluit van 15 september 2008 (het primaire besluit II) ongegrond verklaard (het bestreden besluit I).

Eiser 2 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 09/1612 GEMWT.

Bij besluit van 27 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 tegen het primaire besluit van 15 september 2008 (het primaire besluit I) ongegrond verklaard (het bestreden besluit II).

Eiser 1 heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 09/2959 GEMWT.

Eiser 2 heeft eveneens tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 09/3059 GEMWT.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 29 juli 2010. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door mr. C. Lubben, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Eiser 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten

1.1. Eiser 1 is eigenaar van het perceel [perceel]. Eiser 2 is eigenaar van het perceel [perceel 2]. Partijen hebben zich in elkaars zaken als belanghebbende in het geschil gemengd.

1.2. Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Oud ’s-Graveland” en “Oud ’s-Graveland herziening 1987”. Ingevolge deze plannen rust op het perceel [perceel] de bestemmingen “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden”, “Wonen” en “Tuin en Erf”.

1.3. Eiser 2 heeft zich in 2003 en 2004 tot verweerder gericht met het verzoek om handhavend op te treden ten aanzien van een aantal met name genoemde activiteiten op het perceel [perceel], waaronder het gebruik van de gronden als beeldentuin.

1.4. Verweerder heeft eiser 1 bij brief van 26 september 2007 meegedeeld voornemens te zijn een handhavingstraject te starten ten aanzien van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarde” en “Tuin en Erf” en om, op straffe van een dwangsom, te gelasten het met het bestemmingsplan strijdige gebruik als (beelden)tuin te beëindigen.

2. Het wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

2.2. Op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zal het bevoegde bestuursorgaan, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, in de regel van de bevoegdheid tot handhaving gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren handhavend op te treden. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhaving in een zodanig onevenredige verhouding staat tot het te dienen belang dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BN4263).

3. Ten aanzien van het bestreden besluit I

3.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat de situatie op het perceel [perceel] na het voornemen tot handhaving is gewijzigd en dat ten aanzien van het gebruik van de gronden met de bestemming “Tuin en Erf” niet langer handhavend behoeft te worden opgetreden. Volgens verweerder heeft de beeldentuin niet langer een bedrijfsmatig, maar een hobbymatig karakter, dat een aan de woonbestemming ondergeschikt gebruik van de gronden betreft.

3.2. Eiser 2 heeft in beroep betwist dat sprake is van een hobbymatig karakter van de beeldentuin. Volgens eiser 2 blijkt het bedrijfsmatige gebruik uit de uitbreiding van het aantal beelden in de beeldentuin gedurende de afgelopen jaren, uit commerciële uitingen, zoals de vermelding van de beeldentuin op de website van de plaatselijke kunstroute www.kunstroutesgraveland.nl, de bewegwijzering op de openbare weg en een naambord met indicatie “open” of “gesloten” en uit het feit dat regelmatig beelden worden verkocht.

3.3. De rechtbank stelt vast dat niet zozeer in geschil is op welke wijze, dat wil zeggen aan de hand van welke criteria, verweerder het gebruik van de gronden met de bestemming “Tuin en Erf” heeft getoetst, maar dat de uitkomst van deze toets wordt betwist. De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van de beelden op de gronden met de bestemming “Tuin en Erf” op zich niet in strijd is met het bestemmingsplan, zolang het gebruik van de gronden ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich bij de totstandkoming van het bestreden besluit I kunnen baseren op de vaststelling dat de beeldentuin niet meer op de website van eiser 1, te weten de website [website], wordt aangeprezen, dat eiser 1 heeft verklaard dat hij niet bemiddelt tussen kunstenaars en eventuele kopers van de beelden en dat hij zelf nog slechts sporadisch een beeld verkoopt, dat de beeldentuin nog slechts op afspraak bezichtigd kan worden en dat verweerder niet heeft kunnen constateren dat het voorgaande ten tijde in geding anders was.

3.4. Eiser 2 heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat wel of nog altijd sprake is van bedrijfsmatig gebruik van de gronden met de bestemming “Tuin en Erf”. De enkele stelling dat er de afgelopen jaren meer beelden bij zijn gekomen, is hiervoor onvoldoende. De aanwezigheid van beelden leidt op zichzelf immers niet tot een strijdig gebruik van de gronden. De stelling van eiser 2 dat de uitbreiding van de beelden, wat hier ook van zij, heeft geleid tot (veel) meer bezoekers, heeft hij niet onderbouwd. De foto die eiser 2 als productie 4 bij het bezwaarschrift van 11 december 2008 heeft overgelegd, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende, nu niet duidelijk is of deze foto dateert van vóór of na het voornemen tot handhaving en bovendien niet in geschil is dat er wel eens rondleidingen worden gegeven.

3.5. De omstandigheid dat eiser 1 zo nu en dan nog een beeld verkoopt, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het gebruik van de beeldentuin niet langer ondergeschikt aan de woonfunctie kan worden geacht. De rechtbank is niet gebleken dat eiser 1 (nog) handel drijft in deze beelden.

3.6. Ten aanzien van de omstandigheid dat de beeldentuin door derden is vermeld op de website van de plaatselijke kunstroute www.kunstroutesgraveland.nl, waar mensen worden geattendeerd op een mooie tuin met beelden, en ten aanzien van de indicatieborden “open” of “gesloten” overweegt de rechtbank het volgende. Bezoekers kunnen uit de indicatieborden opmaken of de beeldentuin open of gesloten is voor bezichtiging. Eiser 1 heeft ter zitting verklaard dat het bord “gesloten” tot doel heeft om te voorkomen dat mensen ongevraagd de beeldentuin komen bezoeken en dat hij met het bord “open” aan mensen kenbaar maakt wanneer hij een rondleiding geeft. In de vermelding van de beeldentuin op voornoemde website en de aanwezigheid van voornoemde borden (al dan niet aan de openbare weg), ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat het gebruik van de beeldentuin niet ondergeschikt is aan de woonfunctie.

3.7. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser 2 tegen het bestreden besluit I ongegrond verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

4. Ten aanzien van de beroepen tegen het bestreden besluit II

4.1. Niet in geschil is dat het gebruik van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” als (beelden)tuin strijdig is met het bestemmingsplan. Een tuin is op deze gronden alleen toegestaan indien komt vast te staan dat de gronden al sinds 26 juli 1988, de datum van inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan, als tuin in gebruik zijn, zodat overgangsrecht van toepassing is, dan wel als vrijstelling van het bestemmingsplan wordt verleend.

4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het overgangsrecht niet van toepassing is en heeft geen aanleiding gezien om voor dit strijdige gebruik vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, vanwege de bescherming van de landschappelijke waarden en het behoud van het open karakter van het landschap. Verweerder is van oordeel dat met het primaire besluit I terecht tot handhaving van het strijdige gebruik van de gronden is overgegaan.

AWB 09/3059 GEMWT

4.3. Ten aanzien van het beroep van eiser 2 overweegt te rechtbank dat niet is gebleken van enig procesbelang bij het bestreden besluit II. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij het niet zozeer oneens is met het besluit tot handhavend optreden tegen het gebruik van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” als (beelden)tuin, maar wel met het feit dat verweerder zich slechts hiertoe heeft beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de omstandigheid dat eiser 2 in 2003 en 2004 diverse verzoeken tot handhavend optreden aan verweerder heeft gericht en verweerder daar nu in wezen gehoor aan heeft gegeven door een handhavingstraject te starten, evenwel niet dat verweerder alle onderdelen uit de verzoeken van eiser 2 nu bij de besluitvorming had behoren te betrekken. Nu met het primaire besluit I en het bestreden besluit II verweerder tegemoet is gekomen aan de verzoeken van eiser 2 tot handhavend optreden ten aanzien van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden”, zal de rechtbank het beroep van eiser 2 tegen het bestreden besluit II vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

AWB 09/2959 GEMWT

4.4. Eiser 1 heeft in beroep aangevoerd dat de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” al sinds 1974 als tuin in gebruik zijn, zodat het overgangsrecht van toepassing is.

4.5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser 1 niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betreffende gronden ten tijde van de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan (26 juli 1988) als tuin in gebruik waren. De in beroep ingediende getuigenverklaringen, de in bezwaar ingediende foto’s en een bij de verkoopakte van het perceel [perceel] gevoegde kaart, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende, omdat het gebruik van de gronden als tuin ten tijde van de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan hiermee niet komt vast te staan.

4.6. Eiser 1 heeft in beroep voorts aangevoerd dat verweerder voor het gebruik van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” als tuin vrijstelling van het bestemmingsplan had moeten verlenen, nu voor strijdig gebruik van gronden met eenzelfde bestemming op een volkstuinencomplex wel vrijstelling is verleend. Eiser 1 beroept zich in dit verband op het gelijkheidsbeginsel.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiser 1 op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Verweerder heeft ten aanzien van het door eiser 1 genoemde volkstuinencomplex toegezegd dat wegens concreet zicht op legalisatie niet handhavend zal worden opgetreden, nu de volkstuinen in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan passen. De door eiser 1 gebruikte beeldentuin op de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” past niet in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, zodat in dit geval geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dat eiser hierover nog in gesprek zal gaan met verweerder, zoals hij ter zitting heeft verklaard, maakt dit niet anders. Er is dan ook geen sprake van een gelijk geval op grond waarvan verweerder gehouden was om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

4.8. Eiser 1 heeft zijn eerst ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de wethouder hem zou hebben toegezegd dat van handhavend optreden zal worden afgezien, niet met enig bewijs onderbouwd. De rechtbank is niet gebleken van een schriftelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van een daartoe bevoegd bestuursorgaan waaraan eiser 1 gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dan ook evenmin.

4.9. Eiser 1 heeft tot slot aangevoerd dat verweerder het handhavingsverzoek van eiser 2 op grond van artikel 4:6 van de Awb had moeten afwijzen, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd ten opzichte van de in het verleden gevoerde procedures over het gebruik van deze gronden als (beelden)tuin.

4.10. De rechtbank stelt vast dat verweerder, gelet op de onder 2.3. genoemde vaste rechtspraak, in beginsel gehouden is om, in geval van strijd met een wettelijk voorschrift, handhavend op te treden. Verweerder heeft dan ook geen verzoek van derden nodig om tot handhavend optreden over te gaan. Aan het besluit van verweerder om in dit geval tot handhaving van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de gronden met de bestemming “Weide van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke waarden” over te gaan, kan, hoewel eerdere verzoeken van eiser 2 daartoe zijn afgewezen, artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, niet in de weg staan. Deze grond faalt.

4.11. De stelling van eiser 2 dat verweerder in het belang van de rechtszekerheid van handhaving had behoren af te zien, omdat verweerder eerdere verzoeken tot handhaving van eiser 2 heeft afgewezen, kan evenmin slagen, juist omdat verweerder ook zelfstandig bevoegd is om tot handhaving over te gaan. In de uitspraak van deze rechtbank van 14 september 2006 (AWB 05/2548) heeft verweerder aanleiding gezien om de situatie nogmaals en nader te onderzoeken, hetgeen tot het opstarten van het onderhavige handhavingstraject heeft geleid.

4.12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser 1 tegen het bestreden besluit II ongegrond verklaren. Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake AWB 09/1612 GEMWT ongegrond;

- verklaart het beroep inzake AWB 09/3059 GEMWT niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep inzake AWB 09/2959 GEMWT ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2010.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB