Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1737

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
438277 / HA ZA 09-2999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regresvordering UWV na ongeval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2012/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 438277 / HA ZA 09-2999

Vonnis van 30 juni 2010

in de zaak van

het publiekrechtelijk lichaam

UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. A. van Hees,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMLIN CORPORATE INSURANCE N.V., rechtsopvolger van FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. Chr.H. van Dijk.

Partijen zullen hierna het Uwv en Amlin genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 juni 2009, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het tussenvonnis van 11 november 2009, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de op 3 februari 2010 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. Op 11 januari 2002 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden te Heerenveen. Bij dit ongeval waren betrokken een bij (de rechtsvoorganger van) Amlin verzekerde automobilist (hierna: de verzekerde) en een bromfietser, de heer [A] (hierna: [A]). [A] heeft bij het ongeval ernstig letsel opgelopen. Amlin heeft aansprakelijkheid voor het ongeval aan de zijde van haar verzekerde erkend.

2.3. Ten tijde van het ongeval was [A] 39 jaar oud en elf jaar werkzaam als expeditiemedewerker bij Borkent B.V. Zijn werkzaamheden bestonden met name uit het laden en lossen van vrachtwagens.

2.4. Ten gevolge van het ongeval is [A] ongeschikt geraakt voor zijn werk als expeditiemedewerker. In een rapportage van het Uwv van 4 november 2002 heeft register-arbeidsdeskundige [B] over [A], voor zover hier van belang, als volgt bericht:

“3. Arbeidsmogelijkheden

3.1. Eigen werk

Gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde verminderde belastbaarheid van belanghebbende t.a.v. met name de forse beperkingen van de rechter dominante arm, zekere mate van rolstoelgebruik en vertraagde tempo, is belanghebbende ongeschikt te achten voor deze functie daar de belastbaarheid van belanghebbende op deze aspecten in de functie ruimschoots worden overschreden.

(...)

3.2. Andere Arbeidsmogelijkheden

Om na te gaan of belanghebbende geschikt is voor andere gangbare arbeid elders op de vrije arbeidsmarkt, werd een onderzoek ingesteld in het CBBS. De uitgangspunten daarbij vormden de verminderde belastbaarheid zoals deze d.d. 16-10-02 door de verzekeringsarts werd vastgesteld, alsmede de opleiding en de werkervaring van belanghebbende.

Geconcludeerd werd dat er voor belanghebbende géén functies op de vrije arbeidsmarkt zijn te duiden die aan bovengenoemde uitgangspunten voldoen. De reden hiervoor is met name de forse beperkingen van de rechter dominante arm, zekere mate van rolstoelgebruik en vertraagde tempo. De restverdiencapaciteit is dan ook € 0,- bruto per uur te stellen.”

2.5. Met ingang van 13 januari 2003 heeft het Uwv een arbeidsongeschiktheids-uitkering toegekend aan [A], gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 procent. De uitkering bedroeg 70 procent van het door [A] laatst verdiende dagloon.

2.6. Bij brief van 12 januari 2004 heeft Borkent bij het CWI ontslag aangevraagd voor [A] op grond van diens arbeidsongeschiktheid.

2.7. Een rapport van neuroloog dr. [C] van 2 juli 2004 bericht, voor zover hier van belang, als volgt:

“Bij het ongeval op 11-01-2001 liep de heer [A] een myelumletsel op t.h.v. C3-C4. Er was op die hoogte preexistent al een nauw kanaal maar door de klap is het myelum knel gekomen en ontstond er een beeld van een bijna totale dwarslaesie. Op de MRI werd e.e.a. bevestigd. (...) Geleidelijk aan is het beeld gelukkig wel opgeknapt. Hij is gerevalideerd in Beatrixoord in Haren en is weer zo goed als ADL zelfstandig geraakt en kan ook weer met hulpmiddelen wat lopen. Toch zijn er nog forse afwijkingen bij hem. Er is sprake van een tetraparese waarbij rechts meer is aangedaan dan links. Fijne motoriek van de handen is beperkt, rechts meer dan links en lopen is eveneens beperkt. Hij geeft een loopafstand van 100 m aan met hulpmiddelen. Daarnaast zijn er stoornissen in de seksuele functies en lichte stoornissen in de mictie. Gezien het feit dat nu 3 jaar verstreken is na het ongeval kunnen we hier spreken van een eindtoestand. De beschreven verschijnselen en problemen zijn allen een rechtstreeks ongevalsgevolg.”

2.8. In februari 2003 heeft Amlin samen met de advocaat van [A] een arbeidsdeskundige van Prevent Consultants ingeschakeld om de mogelijkheden tot re-integratie en omscholing te onderzoeken. In een rapport van 14 maart 2003 heeft arbeidsdeskundige [D], voor zover hier van belang, over [A] als volgt gerapporteerd:

“3.5 Functiemogelijkheden

Betrokkene is niet meer te zien als een reëel aanbod voor de vrije arbeidsmarkt. Concrete functieduiding is niet mogelijk.

3.6 Instroommogelijkheden

Betrokkene wil graag weer op voor hem passende wijze activiteiten gaan uitvoeren. Werken in WSW-verband ligt daarom in de rede. Betrokkene heeft zich aangemeld bij Caparis.”

2.9. Met ingang van 1 maart 2004 is [A] binnen het kader van de Wet sociale werkvoorziening (hierna: WSW) bij Caparis Heerenveen (hierna: Caparis) aan het werk gegaan als Assemblagemedewerker A op de afdeling Foodpack voor 18 uur per week. De functie hield in dat [A] inpakwerkzaamheden zou verrichten. Per 1 september 2004 heeft [A] een aanstelling voor onbepaalde tijd gekregen bij Caparis voor 20 uur per week.

2.10. In verband met de aanstelling van [A] bij Caparis heeft het Uwv de uitkering van [A] met ingang van 29 februari 2004 bijgesteld naar 42 procent van het dagloon.

2.11. Op 15 februari 2006 is [A] in het kader van een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid onderzocht door verzekeringsarts [E]. In zijn rapport naar aanleiding van dit onderzoek heeft [E], voor zover hier van belang, als volgt bericht:

“Prognose van de mogelijkheden om te functioneren: stationair, daar er reeds over langere tijd geen wijzigingen in de mogelijkheden om te functioneren zijn opgetreden en het medisch beeld van dien aard is dat dit ook niet binnen afzienbare tijd te verwachten is.

(…)

Conclusie

Er is sprake van ongewijzigde beperking van de mogelijkheden om te functioneren als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte.”

2.12. Met ingang van 1 maart 2007 is de arbeidsovereenkomst tussen Caparis en [A] op verzoek van [A] beëindigd. [A] heeft zich vervolgens toegelegd op het verrichten van vrijwilligerswerk.

2.13. In verband met het einde van de werkzaamheden van [A] voor Caparis heeft het Uwv de uitkering van [A] met ingang van 1 maart 2007 weer omhoog bijgesteld naar 70 procent en later naar 75 procent.

2.14. Het Uwv heeft Amlin aangesproken de door het Uwv uitgekeerde en nog uit te keren gelden te vergoeden. Amlin heeft zich bij brieven van 6 november 2007, 14 januari 2008 en 27 januari 2009 op het standpunt gesteld dat de heer [A] niet heeft voldaan aan de op hem rustende schadebeperkingsplicht door uit eigen beweging ontslag te nemen bij Caparis en dat de gevolgen van deze beslissing niet op Amlin kunnen worden afgewenteld. Amlin heeft aan het Uwv een bedrag van € 83.097,76 betaald, hetgeen volgens haar correspondeert met de kosten van de WAO-uitkering aan [A] op basis van een uitkeringspercentage van 42 procent.

3. Het geschil

3.1. Het Uwv vordert samengevat - Amlin bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 76.418,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2009 en met veroordeling van Amlin in de kosten van deze procedure.

3.2. Het Uwv legt hieraan het volgende ten grondslag.

Ten gevolge van het verkeersongeval is [A] volledig arbeidsongeschikt geraakt. [A] ontvangt van het Uwv een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (hierna: WAO). Het Uwv heeft op grond van artikel 90 van de WAO een zelfstandig verhaalsrecht voor de uitgekeerde en nog uit te keren gelden op de veroorzaker van het ongeval. Het Uwv heeft uit dien hoofde een totale vordering van € 159.516,63 op Amlin, exclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Amlin heeft een bedrag van € 83.097,76 betaald. Het Uwv heeft dan ook nog een bedrag te vorderen van € 76.418,89.

3.3. Amlin voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het Uwv baseert haar vordering op artikel 90 WAO. Op grond van dit artikel bezit het Uwv een zelfstandig regresrecht op de schadeveroorzaker voor de krachtens die wet gemaakte kosten. Dit regresrecht is beperkt tot het bedrag dat de schadeveroorzaker bij het ontbreken van de WAO-uitkering jegens de benadeelde zelf verschuldigd zou zijn geweest, het zogeheten civiele plafond.

4.2. Niet in geschil is dat de verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval. Evenmin is in geschil dat het Uwv een regresrecht heeft op Amlin als verzekeraar in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM). Amlin stelt echter dat het thans door het Uwv gevorderde bedrag het civiele plafond overschrijdt, omdat dit schade zou betreffen die [A] niet zelf van Amlin had kunnen vorderen.

4.3. Daartoe heeft Amlin in de eerste plaats aangevoerd dat deze schade niet als gevolg van het ongeval aan de verzekerde kan worden toegerekend. Het causaal verband tussen het ongeval en de schade ontbreekt, aldus Amlin, nu deze schade uitsluitend verband houdt met de persoonlijke keuze van [A] om zijn werkzaamheden bij Caparis te beëindigen.

4.4. Vast staat dat [A] als gevolg van het ongeluk arbeidsongeschikt is geraakt. Dit blijkt onder meer uit het onder 2.7 geciteerde rapport, waarin neuroloog [C] vaststelt dat alle door hem beschreven verschijnselen en problemen een rechtstreeks ongevalsgevolg zijn. Genoemde verschijnselen, met name de beperkingen van de rechterarm en de beperkte mobiliteit, zijn blijkens de rapportage van het Uwv van 4 november 2002 de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid van [A].

4.5. Eveneens staat vast dat [A] ten gevolge van zijn arbeidsongeschiktheid inkomensschade heeft geleden. Het feit dat [A] in 2004 binnen het kader van de WSW aan het werk is gegaan bij Caparis, heeft aan het causaal verband tussen het ongeval en zijn inkomensschade geen afbreuk gedaan. Wel zorgde de nieuwe arbeidsrelatie voor een beperking van de inkomensschade. [A] had immers voor het eerst sinds het ongeval weer eigen inkomsten uit arbeid.

4.6. Met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in 2007 is ook een einde aan deze schadebeperkende omstandigheid gekomen. Daarmee is echter niet het causaal verband tussen het ongeval en de inkomensschade van [A] doorbroken. Anders dan Amlin betoogt, houdt de thans gevorderde inkomensschade niet uitsluitend verband met de keuze van [A] om zijn werk bij Caparis te beëindigen. Zonder toedoen van de verzekerde was de schade immers in het geheel niet ontstaan. De inkomensschade moet dan ook nog altijd als een gevolg van het ongeval aan de verzekerde worden toegerekend.

4.7. Of al dan niet sprake was van een medische noodzaak of anderszins dringende reden voor het ontslag is in het kader van de causaliteit niet van belang. Evenmin is in dit kader van belang het door Amlin gestelde tijdsverloop van vijf jaar tussen het ongeval en de ontslagname van [A].

4.8. In de tweede plaats heeft Amlin aangevoerd dat [A] niet voldaan heeft aan de op hem rustende schadebeperkingsplicht. Daartoe heeft Amlin gesteld dat [A] ondanks zijn beperkingen in staat is gebleken om bij Caparis passend werk te verrichten waarmee hij ook inkomsten genereerde. Door vrijwillig bij Caparis ontslag te nemen heeft [A] zijn schade vergroot terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij zijn werk zou voortzetten. Nu de schade geheel is ontstaan door het handelen van [A] moet de schade geheel in mindering worden gebracht op de schadevergoedingsplicht van de verzekerde, aldus Amlin.

4.9. Het is een gegeven dat de schade die thans door het Uwv wordt gevorderd niet was ontstaan indien [A] voor Caparis was blijven werken. De schade is dan ook mede een gevolg van het besluit van [A] te stoppen met zijn werkzaamheden. Dit besluit betreft, in de bewoordingen van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een omstandigheid aan de zijde van [A]. De vraag is of deze omstandigheid ook aan [A] kan worden toegerekend.

4.10. Van toerekening aan [A] kan alleen sprake zijn indien ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs van [A] kon worden gevergd dat hij zijn werk bij Caparis zou voortzetten ter beperking van zijn inkomensschade. De vraag wat redelijkerwijs van [A] kon worden gevergd dient te worden beoordeeld op grond van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

4.11. [A] is na het ongeval door het Uwv volledig arbeidsongeschikt in de zin van de WAO geacht. Amlin heeft gesteld dat 100 procent arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO nog niet inhoudt dat er voor iemand in het geheel geen passende functies meer kunnen zijn. Dit is op zichzelf genomen juist. In het onderhavige geval is door de arbeidsdeskundige van het Uwv echter vastgesteld – welke vaststelling door Amlin niet is betwist – dat voor [A] in het geheel geen functies op de vrije arbeidsmarkt zijn te duiden. Zijn restverdiencapaciteit is door de arbeidsdeskundige op nihil gesteld. Dat [A] in staat is gebleken drie jaar in het kader van de WSW te werken doet hieraan niet af. Zoals hierna nog aan bod zal komen, is de WSW immers juist bedoeld voor mensen die duurzaam geen reguliere arbeid kunnen verrichten.

4.12. Blijkens het rapport van neuroloog [C] was in 2004 bij [A] sprake van een medische eindsituatie. In februari 2006 is door de verzekeringsarts [E] bevestigd dat [A] een ongewijzigde beperking van zijn mogelijkheden om te functioneren ondervond. Op grond van het voorgaande staat vast dat [A] ten gevolge van het ongeval blijvend en volledig arbeidsongeschikt is geraakt voor de reguliere arbeidsmarkt.

4.13. Ondanks zijn beperkingen wilde [A] graag weer een zinvolle dagbesteding. Hij heeft zich na overleg met de arbeidsdeskundige van Prevent Consultants ingeschreven bij Caparis voor werkzaamheden in het kader van de WSW.

4.14. De WSW richt zich blijkens het eerste artikel van die wet op mensen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Het is een aparte voorziening voor een groep van arbeidsgehandicapten die vanwege de aard en de ernst van hun handicap duurzaam niet in staat zijn reguliere arbeid te verrichten, ook niet met de inzet van re-integratievoorzieningen. Bedoeling van de wet is om deze mensen zoveel mogelijk gelijke kansen op arbeid te bieden als anderen. Zoals het Uwv onbetwist heeft gesteld, kan men niet gedwongen worden zich aan te melden voor een arbeidsplaats op grond van de WSW. Aanmelding geschiedt op basis van vrijwilligheid.

4.15. Met het hiervoor beschreven karakter van de WSW strookt in het algemeen niet dat een arbeidsongeschikte op straffe van verlies van zijn aanspraak op volledige schadevergoeding wegens eigen schuld verplicht is om werk in het kader van de WSW op zich te nemen. De schadebeperkingsplicht van de benadeelde gaat in beginsel niet zo ver dat van hem verlangd kan worden op deze wijze de enige hem resterende voorziening voor het verkrijgen van betaalde arbeid te benutten.

4.16. Dit geldt temeer nu de WSW een beperkte voorziening is. Gelet op artikel 12 lid 3 van de WSW – dat het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om de WSW-indicatie in te trekken indien de betrokkene een aangeboden passend geachte WSW-functie weigert – is de keuzevrijheid van de betrokkene voor wat betreft aard en inrichting van zijn arbeid alsmede voor wat betreft de arbeidsomgeving immers gering.

4.17. Het onder 4.15 vermelde uitgangspunt geldt ook voor het onderhavige geval. Amlin heeft weliswaar gesteld dat [A] weinig opleiding heeft genoten en dat zijn werkzaamheden bij Caparis een overeenkomstig karakter hadden als de werkzaamheden die hij voor het ongeval als expeditiemedewerker verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet gebleken dat het te verrichten werk bij Caparis wat betreft aard en inrichting in een zo vergaande mate aansloot bij zijn werk als expeditiemedewerker dat het jegens de verzekerde onredelijk zou zijn om het verrichten van deze werkzaamheden in het kader van de WSW te weigeren. Het feit dat Amlin zich heeft ingezet voor de re-integratie van [A] en in dat verband ook kosten heeft gemaakt, maakt dit niet anders. [A] was in 2004 dan ook niet jegens de verzekerde gehouden zich aan te melden bij Caparis om op die manier zijn schade te beperken.

4.18. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank reeds mee dat in 2007 in redelijkheid ook niet van [A] kon worden verlangd dat hij zijn werk bij Caparis zou voortzetten. [A] deed immers meer dan waar hij jegens de verzekerde redelijkerwijs toe verplicht was. Het enkele feit dat [A] door zijn werk bij Caparis gedurende drie jaar zijn schade –en daarmee de schadevergoedingsplicht van de verzekerde – heeft beperkt, heeft geen verplichting voor [A] doen ontstaan om zijn schade aldus te blijven beperken. Dat [A] onverplicht en op eigen initiatief binnen het kader van de WSW is gaan werken dient hem niet later te kunnen worden tegengeworpen door de verzekerde.

4.19. Hierbij speelt een belangrijke rol dat het de verzekerde is die [A] in de situatie heeft gebracht waarin hij uitsluitend nog in staat is binnen WSW-verband werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft voorts de reikwijdte van de schadebeperkingsplicht bezien tegen de achtergrond dat aan [A], zoals een ieder ander, in beginsel de vrijheid toekomt om zijn leven naar eigen inzicht en wens in te richten.

4.20. Gezien het onder 4.18 overwogene, is de reden van [A]s ontslagname niet van belang. Nu [A] jegens de verzekerde niet gehouden was om bij Caparis te werken, mocht hij daar ook op ieder moment en om iedere reden weer mee stoppen. De door partijen opgeworpen vraag of de werkzaamheden bij Caparis voor [A] passend waren en of de werkzaamheden voor hem fysiek en mentaal waren vol te houden behoeft met het oog hierop evenmin bespreking.

4.21. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet geconcludeerd worden dat [A] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Aangezien er bij [A] sprake is van een medische eindsituatie, is ook niet aannemelijk dat hij in de toekomst nog in staat zal zijn loonvormende arbeid op de reguliere arbeidsmarkt te verrichten en aldus zijn schade te beperken.

4.22. Nu zowel het beroep van Amlin op het ontbreken van causaal verband als het beroep op schending van de schadebeperkingsplicht falen, overschrijdt de – anderszins door Amlin niet betwiste – regresvordering van het Uwv niet het civiele plafond. Het gevorderde bedrag en de wettelijke rente zijn niet nader betwist. De vordering zal als hierna te vermelden worden toegewezen.

4.23. Amlin zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Uwv worden begroot op:

- dagvaarding € 85,98

- vast recht 1.680,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.553,98

4.24. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen, nu hij niet langer werkzaam is in de sector civiel.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Amlin om aan het Uwv te betalen een bedrag van € 76.418,09 (zesenzeventig duizendvierhonderdachttien euro en negen eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 februari 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Amlin in de proceskosten, aan de zijde van het Uwv tot op heden begroot op € 3.553,98,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Eunen en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2010.?