Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
472752 / FA RK 10-8783 en 472754 / KG RK 10-1936 (FH/FW)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Onvoldoende grond om een ernstig vermoeden van ernstig dreigend gevaar aan te nemen. Het slachtoffer had geen letsel en heeft geen aangifte gedaan. Het slachtoffer heeft zich ook verzet tegen het tijdelijk huisverbod. De getuigenverklaring betrof niet meer dan informatie van horen-zeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 472752 / FA RK 10-8783 en 472754 / KG RK 10-1936 (FH/FW)

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 19 oktober 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

Zitting hebben:

mr. F. Hoogendijk, als voorzieningenrechter,

mr. F.K. van Wijk, als griffier.

in de zaak tussen

[de man], verzoeker (hierna: de man)

wonende te [woonplaats],

thans met onbekende verblijfplaats,

gemachtigde mr. E. Schoneveld,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder.

zetelende te Amsterdam,

hierna: verweerder

in welke zaak belanghebbenden zijn:

[de vrouw] (hierna: de vrouw)

[kind 1]

[kind 2],

[kind 3],

(hierna: de kinderen),

allen wonende te [woonplaats].

1. Het procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd. Bij besluit van 12 oktober 2010 heeft verweerder dat besluit aangevuld

Tegen het besluit van 11 oktober 2010 en tegen het aanvullingsbesluit van 12 oktober 2010 (hierna tezamen ook: het bestreden besluit) heeft de man bij brief van 14 oktober 2010 beroep ingesteld.

Tevens heeft de man bij voornoemde brief de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het verzoek en het beroep zijn ter zitting gevoegd behandeld.

De man is daar verschenen, bijgestaan door mr. A. Berends, kantoorgenoot van mr. E. Schoneveld. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Pot.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 19 oktober 2010 heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 11 en 12 oktober 2010;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb (hierna: Awb) af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,- en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de man moet vergoeden.

3. De overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

3.1 De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man en de vrouw wonen gezamenlijk met de kinderen op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) en zijn daar beiden ingeschreven.

Op 10 oktober 2010 heeft zich een incident voorgedaan in de huiselijke sfeer. Naar aanleiding hiervan is een tweetal verbalisanten ter plaatse gegaan, hoewel de melding hiervan was komen te vervallen na telefonische mededeling van de vrouw. In de woning troffen zij de man, de vrouw en de kinderen aan. De man is niet door de verbalisanten gehoord, omdat hij niet met hen wilde praten. Zij hebben wel met de vrouw gesproken. Hierop hebben verbalisanten de man aangehouden ter zaken van mishandeling. De vrouw heeft geen aangifte gedaan. Van de bevindingen van de verbalisanten alsmede van de aanhouding is proces-verbaal opgemaakt.

Op 11 oktober 2010 is de zus van de vrouw, mevrouw [zus], nadat zij zich spontaan op het politiebureau had gemeld, als getuige gehoord. Ook hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

De hulpofficier van justitie heeft hierop de situatie beoordeeld in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: WTH). Hij heeft hiertoe het Risico-taxatieinstrument Huiselijk Geweld ingevuld (hierna: RiHG) en hierop namens verweerder besloten om aan de man een tijdelijk huisverbod op te leggen. Dit besluit, gedateerd op 11 oktober 2010 en aangevuld bij besluit van 12 oktober 2010, houdt in dat de man de woning gelegen aan de [adres] vanaf 11 oktober 2010 15.20 uur tot 21 oktober 2010 15.20 niet mag betreden, noch daarin aanwezig mag zijn of zich daarbij mag ophouden, alsmede een contactverbod met de vrouw en de kinderen. Deze beschikking is de man hierop uitgereikt.

Ter motivering van het huisverbod heeft verweerder gesteld dat er signalen waren dat beide partijen geen medewerking wensen te verlenen aan een tijdelijk huisverbod en dat de kinderen kort na aankomst van de politie erg geëmotioneerd waren; zij waren namelijk aan het huilen en erg schrikkerig, aldus verweerder. Verder heeft verweerder van belang geacht dat de ouders van de man directe buren zijn, hetgeen inhoudt dat de man niet bij hen kan verblijven. Bij de belangenafweging heeft verweerder blijkens het bestreden besluit het belang van het op gang brengen van hulpverlening, met name in het belang van de kinderen, voorop gesteld. In het RiHG is ten eerste vermeld dat er registraties bekend zijn van de man, maar dat deze geen betrekking hebben op huiselijk geweld. Ten aanzien van de man wordt hierin nog vermeld dat hij ontkent fysiek geweld te hebben gebruikt en dat hij weigert antwoord te geven op bepaalde vragen. Wat het verloop van het incident betreft heeft verweerder in het RiHG vermeld dat er sprake is van bedreiging, namelijk verbaal dreigen met fysiek geweld en met doden. Ook is volgens verweerder sprake geweest van lichamelijk geweld. De man zou de vrouw twee maal in het gezicht hebben geslagen. Voorts is ten aanzien van de zwaarte van het geweld opgemerkt dat het willekeurig is en zonder aanleiding: de ruzie ging nergens over, kleinigheidjes. Ten aanzien van de geweldsontwikkeling heeft verweerder geen conclusies kunnen trekken, nu de man noch de vrouw duidelijke antwoorden gaf hieromtrent. De kinderen zijn volgens verweerder getuige geweest van het incident en zijn ook aanwezig wanneer er verbaal geweld plaatsvindt. De vrouw heeft te kennen gegeven dat zij er het volste vertrouwen in heeft dat haar man geen geweld meer zal gebruiken. De man ontkent dat hij de vrouw heeft geslagen. Ten slotte heeft verweerder in het RiHG ten aanzien van de gezinsachtergronden opgenomen dat de vrouw financieel volledig afhankelijk is van de man.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat er twee gesprekken met de man hebben plaatsgevonden in het kader van de hulpverlening, waarvan een met de vrouw. Naar aanleiding van deze gesprekken zal het zorgcoördinatiepunt een advies formulieren ter zake van een eventuele verlenging van het huisverbod.

De man heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat zich geen situatie heeft voorgedaan die het opleggen van een huisverbod rechtvaardigt. Er was geen sprake van een noodsituatie. Hoewel de man en de vrouw onenigheid met elkaar hadden, heeft de man geen fysiek geweld gebruikt. De vrouw heeft geen aangifte gedaan, nu zij het zelf samen met de man wilde oplossen. Zij heeft zelfs nadrukkelijk te kennen gegeven zich tegen het huisverbod te verzetten. Voor zover de feiten en omstandigheden die verweerder ten grondslag heeft gelegd van het huisverbod betrekking hebben op de kinderen, stelt de man dat de kinderen wellicht waren geschrokken van de komst van de politie. Hij bestrijdt dat de kinderen daarvóór angstig waren. De man stelt juist een goede band met de vrouw en de kinderen te hebben. Geen van hen is gebaat bij het opgelegde huisverbod.

De man acht het besluit in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur, te weten het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Dit laatste met name, omdat in het besluit voorbij wordt gegaan aan alle individuele aspecten van het relaas.

Ter zitting heeft de man zijn visie op het incident uiteengezet en daarbij nogmaals benadrukt dat het een normale ruzie betrof, hetgeen ook niet ondenkbaar is in andere huishoudens. Hij heeft voorts verklaard nog steeds niet goed te begrijpen waarom de vrouw de politie in eerste instantie heeft gebeld.

3.2 De beoordeling

Op grond van artikel 2 Wth kan de burgemeester een huisverbod als het onderhavige opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechter heeft dan ook allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning op 11 oktober 2010 een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van één of meer van zijn huisgenoten.

Deze vraag beantwoordt de rechter ontkennend op grond van de volgende overwegingen.

De rechter acht de verklaring van de man dat er op het moment van het incident niets anders aan de hand was dan een normale woordenwisseling tussen partners niet geloofwaardig. De vrouw heeft tijdens de ruzie kennelijk aanleiding gezien om de politie te bellen. Daarnaast hebben de verbalisanten geconstateerd dat de kinderen en stil en verslagen bij zaten, terwijl één aan het huilen was. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder op goede gronden enig vermoeden kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning voor de vrouw en de kinderen enig gevaar zou kunnen opleveren. Dit klemt temeer nu de man zich tegenover de politie afwijzend opstelde en bovendien ontkende dat ten minste een heftige ruzie had plaatsgevonden. De constatering van verweerder dat de situatie of een herhaling daarvan voor de kinderen psychische schade zou kunnen opleveren acht de rechter niet onbegrijpelijk.

De rechter is echter van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn vastgesteld op grond waarvan verweerder het ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de veiligheid van de vrouw en de kinderen door de aanwezigheid van de man in de woning ernstig in gevaar was.

Het enkele feit dat de vrouw de politie heeft gebeld en dat de kinderen van slag waren is hiertoe onvoldoende, zelfs bezien in het licht van de getuigenverklaring van de zuster van de vrouw. Aan die verklaring dient een beperkt belang te worden gehecht nu al hetgeen zij heeft verklaard informatie betreft die zij van haar moeder heeft verkregen, te weten informatie over hetgeen haar zuster aan haar moeder had verteld. Daarbij komt dat zij deze verklaring later heeft ingetrokken.

Het gedrag van de kinderen komt de rechter niet ongebruikelijk voor in geval zij getuige zijn van een heftige woordenwisseling tussen ouders. Dit is derhalve onvoldoende indicatie om te vrezen voor toekomstig ernstig fysiek of mentaal geweld. Naar niet in geschil is zijn de kinderen eerst harder of meer gaan huilen na aankomst van de politie in de woning.

Voorts is van belang, dat bij de vrouw geen letsel is geconstateerd. Zij heeft bovendien geen aangifte tegen de man willen doen en zij heeft zich verzet tegen het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan de man. Tegenover de politie heeft zij verklaard dat zij in de toekomst geen geweld van de man vreest. Deze gegevens ziet de rechter als een indicatie voor de ernst van het huiselijk geweld dat zou hebben plaatsgevonden. In dit verband merkt de rechter voorts op dat de registratie van eerder geweld door de man dateert uit 2006. Mede gelet op de aard van het betreffende (niet huiselijke) geweldsincident en het feit dat de man hiervoor niet is vervolgd hecht de rechter hieraan in dit verband geen belang.

Tot slot overweegt de rechter dat de omstandigheid dat de man de ernst van de situatie, naar moet worden aangenomen, bagatelliseert weliswaar zorgwekkend is, maar gelet op de overige omstandigheden onvoldoende grond vormt tot een ernstig vermoeden als hier aan de orde.

Dit leidt tot de conclusie dat verweerder zich niet op goede gronden bevoegd heeft geacht om het tijdelijk huisverbod op te leggen. Aan een beoordeling van de door verweerder gehanteerde belangenafweging komt de rechter daarom niet toe.

Het besluit van 11 oktober 2010, zoals aangevuld bij besluit van 12 oktober 2010, dient op grond van het voorgaande te worden vernietigd.

Het beroep is dan ook gegrond.

Nu de bestreden besluiten worden vernietigd ziet de rechter voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding.

De rechter ziet aanleiding verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die de man in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechter bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het verzoekschrift, 1 voor het beroepschrift en 1 voor het verschijnen ter zitting, x factor 1 x € 437,-) op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Waarvan proces-verbaal

De griffier De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op: