Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1572

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
AWB 09-5332 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de opbaarmaking van de informatie uit het risicodatabestand met betrekking tot de boorwerkzaamheden bij de Noord-Zuidlijn kunnen weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b van de Wob.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2010/339

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5332 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de Nederlandse Programma Stichting (NPS),

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

gemachtigde mr. T. Ponte,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. P. Oosterlaken.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 23 maart 2009 met toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om inzage verzocht in alle documenten die zien op de in opdracht van verweerder uitgebrachte risicoanalyse bij het boorproces ter realisatie van de Noord-Zuidlijn.

Bij besluit van 19 mei 2009 heeft verweerder eiseres een (powerpoint)presentatie verstrekt die op 24 april 2009 in aanwezigheid van de pers werd gehouden (het primaire besluit). Aanvullend hierop zijn op 24 juli 2009 aan eiseres de second opinion van professor Kovari met addendum, de second opinion van professor Mair en de notulen van de vergadering van de Raadscommissie voor Verkeer en Vervoer en Infrastructuur, Dienstverlening, Volkshuisvesting en Monumenten van de gemeente Amsterdam van 18 juni 2009 verstrekt.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat openbaarmaking van het risicodatabestand terecht is geweigerd (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 18 januari 2010 heeft eiseres de rechtbank Amsterdam toestemming verleend om mede op grondslag van de niet openbaargemaakte stukken uitspraak te doen.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft verweerder aan eiseres het advies (de second opinion) van professor Maidl verstrekt.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 augustus 2010. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [persoon 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door [persoon 2] en [persoon 3].

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. …

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. d. e. en f. …

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Verweerder heeft de openbaarmaking van het risicodatabestand geweigerd omdat het algemene belang bij openbaarmaking van dit document volgens verweerder niet opweegt tegen zijn financiële belangen. Verweerder meent dat openbaarmaking van dit document zijn onderhandelingspositie met de huidige aannemers en de nieuwe (potentiële) contractspartijen betrokken bij de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn negatief kan beïnvloeden.

4. Eiseres heeft ter zitting de beroepsgrond dat haar Wob-verzoek naast het risicodatabestand ook de daaraan ten grondslagliggende documenten betreft, laten vallen en heeft bevestigd dat slechts nog de openbaarmaking van het risicodatabestand in geschil is.

5. Uit het verhandelde ter zitting maakt de rechtbank op dat het Wob-verzoek van eiseres kan worden onderverdeeld in drie categorieën informatie uit het risicodatabestand: de informatie over de risico’s die verweerder nog niet heeft openbaar gemaakt, de informatie over de risico’s die verweerder al openbaar heeft gemaakt en de informatie over de risico’s die nu niet meer actueel zijn.

6. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 24 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG8305, dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de in het kader van artikel 10, tweede lid, van de Wob te verrichten belangenafweging worden enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de uitzonderingsgronden te beschermen belangen betrokken. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

7. De rechtbank heeft kennis genomen van het risicodatabestand.

8. Blijkens de memorie van toelichting op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b van de Wob is verstoring van de aanbestedingsprocedure een situatie waarin de economische en financiële belangen van de overheid in het geding zijn (zie ook de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 mei 2002, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AE2744). Zoals deze rechtbank ook eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 15 juli 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BN2955 en de uitspraak van 3 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG6553) mag de gemeente, die in vertrouwelijkheid met private partijen onderhandelingen voert of daarbij betrokken is, terughoudend zijn in het openbaar maken van de daarop betrekking hebbende informatie. Indien niet is uitgesloten dat door openbaarmaking van de betreffende stukken de positie van de gemeente zodanig zal worden beïnvloed dat haar financiële belangen in ernstige mate zullen worden geschaad, kan niet staande worden gehouden dat verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarmaking van in stukken vervatte informatie niet opweegt tegen de belangen waarop verweerder zich heeft beroepen.

9. Ten aanzien van het Wob-verzoek dat ziet op de informatie uit het risicodatabestand over de risico’s die verweerder nog niet heeft openbaar gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank bevat deze informatie gegevens met betrekking tot de economische en financiële belangen van de gemeente. Nu openbaarmaking van een document op grond van de Wob ertoe leidt dat dit voor een ieder openbaar zal zijn, kunnen derde partijen bij inwilliging van het verzoek van eiseres hun onderhandelingspositie ten opzichte van verweerder op deze informatie afstemmen. Voor deze partijen zal immers duidelijk worden welke risico’s de gemeente ziet en welke bedragen gereserveerd zijn voor die risico’s bij de uitvoering van de contracten. Hierdoor kan door hen de onderhandelingsmarge van verweerder beter worden ingeschat. Het is dan ook bepaald niet uitgesloten dat door openbaarmaking van de betreffende informatie de positie van verweerder zodanig zal worden beïnvloed dat haar financiële belangen in ernstige mate zullen worden geschaad. In dit verband wijst de rechtbank er nog op dat de Noord-Zuidlijn een financieel zeer omvangrijk project is voor de gemeente Amsterdam.

Het betoog van eiseres dat niet aannemelijk is dat verweerder door openbaarmaking van de informatie financieel nadeel zal ondervinden omdat verweerder inmiddels vrijwel het gehele project heeft aanbesteed, kan niet slagen. Verweerder heeft onweergesproken gesteld dat bij het project Noord-Zuidlijn veel tegenvallers zijn opgetreden waardoor met de huidige aannemers moet worden heronderhandeld. Ook is niet betwist dat de werkzaamheden in de afbouw en de spoortechniek nog moeten worden aanbesteed. Gelet op de eerdere overwegingen, acht de rechtbank de vrees van verweerder dat openbaarmaking van de genoemde informatie de nog te voeren aanbestedingsprocedures zal schaden, niet ongegrond.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het economische en financiële belang van de gemeente hier heeft kunnen laten prevaleren boven het algemene belang van openbaarmaking.

10. Voor zover het Wob-verzoek ziet op informatie die verweerder al openbaar heeft gemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft al informatie over 14 toprisico’s die ook in het risicodatabestand worden genoemd, openbaar gemaakt. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerder in ieder geval tot gedeeltelijke openbaarmaking van het risicodatabestand had moeten overgaan door de informatie over die 14 risico’s in het document te laten staan en de overige informatie weg te lakken. De rechtbank vat dit betoog van eiseres op als een beroep op artikel 7, tweede lid, aanhef, van de Wob. Ingevolge dit artikel dient het bestuursorgaan in beginsel de verlangde informatie in de door verzoeker verzochte vorm te verstrekken. Ter zitting heeft verweerder hierop onweergesproken gesteld dat deze vorm van informatieverstrekking in redelijkheid van hem niet kan worden gevergd, omdat het veel overbodig werk met zich zal brengen, terwijl veel van deze informatie al in een andere vorm voor eiseres beschikbaar is. Gelet op het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef, onder a en b, van de Wob kon verweerder het verzoek ook in zoverre weigeren.

Voor zover het verzoek van eiseres ziet op informatie over die 14 risico’s die verweerder niet openbaar heeft gemaakt en thans ook niet heeft willen openbaar maken, merkt de rechtbank op dat verweerder de openbaarmaking van die informatie kon weigeren op de in de rechtsoverweging 9 besproken grond.

11. Ten aanzien van het WOB-verzoek, voor zover dat ziet op informatie over de risico’s die nu niet meer actueel zijn, overweegt de rechtbank ten slotte als volgt. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerder tot gedeeltelijke openbaarmaking van het risicodatabestand kon overgaan door in ieder geval de informatie over de risico’s die niet meer actueel zijn openbaar te maken. Ter zitting heeft verweerder nader uiteengezet dat – in tegenstelling tot wat eiseres heeft aangevoerd – de informatie over die risico’s niet uit het risicodatabestand wordt verwijderd. Bij die risico’s wordt enkel de kans op het optreden van die risico’s op nul gezet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook de openbaarmaking van deze informatie kon weigeren op de in rechtsoverweging 9 besproken grond. Daarbij merkt de rechtbank op dat die risico’s weliswaar niet meer actueel zijn, maar dat openbaarmaking van de informatie over die risico’s de onderhandelingspositie van de gemeente negatief kan beïnvloeden omdat de bouw van de Noord-Zuidlijn nog niet is afgerond en de gemeente nog met derden allerlei onderhandelingen moet voeren.

12. De vraag of de door verweerder in het verweerschrift genoemde weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, een weigering van openbaarmaking kan dragen, behoeft thans geen bespreking meer.

13. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, voorzitter, en mrs. H.J. Tijselink en H.P. Kijlstra, leden, in aanwezigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2010.

de griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB