Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1565

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
AWB 09-2758 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indien aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, evenwel geen enkele bevoegdheid toekomt ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft, en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering of handhaving van deze wettelijke regeling, is geen sprake van een besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/2758 ZFW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

wonende te [woonplaats] (Spanje),

eiser,

en

de Raad van bestuur van het College voor zorgverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde mr. J.M.R. Maas en mr. M.G. van der Linde.

Procesverloop

Bij schrijven van 28 juli 2008 heeft verweerder het verzoek om vergoeding van gemaakte kosten in januari 2006, verband houdend met medische zorg in Spanje, afgewezen.

Bij besluit van 9 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen dit schrijven niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2010.

Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. J.M.R. Maas en mr. M.G. van der Linde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser woont sedert 1993 in Spanje en ontvangt een ouderdomspensioen uit Nederland ingevolge de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW).

1.2. Met zijn brief van 19 juni 2006 heeft eiser verzocht om vergoeding van de medische kosten die eiser in januari 2006 heeft moeten maken (€1126,57).

1.3. Bij schrijven van 28 juli 2008 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Verweerder heeft contact opgenomen met het bevoegde Spaanse orgaan met het verzoek te bezien of de door eiser gemaakte kosten in Spanje, onder het Spaanse ziektekostenstelsel, vergoed zouden kunnen worden. Ondanks verschillende brieven van verweerders zijde heeft dit verzoek tot op heden niet geresulteerd in een concreet antwoord van de zijde van de Spaanse bevoegde instanties.

2. Standpunten van partijen

2.1. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de brief van 28 juli 2008 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, omdat verweerder niet het bevoegde orgaan is om op het verzoek om vergoeding van gemaakte medische kosten te beslissen. Alleen het Spaanse orgaan, het INSS, is bevoegd te beslissen of bepaalde gemaakte ziektekosten voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten die niet vergoed worden, komen voor rekening van eiser zelf.

2.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij zich pas op 5 januari 2006 heeft kunnen aanmelden bij het INSS, waarop hij op 26 januari 2006 is ingeschreven. Op 12 januari 2006 heeft een noodzakelijke operatie plaatsgevonden. In die tijd stond eiser, buiten zijn schuld, niet ingeschreven bij het INSS. Het INSS vergoedt geen behandelingen in particuliere klinieken zonder voorafgaande toestemming. Eiser is van mening dat hij een schrijnend geval is en dat daarom, zoals destijds bij de invoering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is beloofd, coulant met zijn situatie moet worden omgegaan en verweerder in dit geval dient bij te springen wat betreft vergoeding van de gemaakte kosten.

3. Wettelijk kader

3.1. Artikel 28 van de Verordening 1408/71 luidt voor zover relevant als volgt:

1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. (…)

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:

a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat; (…)

3.2. In artikel 28bis van de Verordening 1408/71 is bepaald dat indien de rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, woont op het grondgebied van een Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling voor het recht op verstrekkingen geen voorwaarden stelt inzake de verzekering of de arbeid en krachtens de wettelijke regeling waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, komen de aan hem en aan zijn gezinsleden verleende verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig artikel 28, lid 2, bepaalde orgaan van een van de ter zake van pensioenen bevoegde Lid-Staten, voorzover de betrokken rechthebbende en zijn gezinsleden recht zouden hebben op deze verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling die wordt toegepast door het bedoelde orgaan indien zij woonden op het grondgebied van de Lid-Staat waar dit orgaan is gevestigd.

3.3. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, zich bij het College zorgverzekeringen aan.

3.4. In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd zijn, die voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.

3.5 In artikel 69, vierde lid, van de Zvw is bepaald dat het College voor zorgverzekeringen belast is met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met het nemen van beschikkingen over de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.

3.6. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat hij van mening is dat de brief van 28 juli 2008 geen besluit is en eiser hiertegen dus geen bezwaar kon maken. Verweerder meent dat geen sprake is van een besluit omdat hij niet bevoegd is om te beslissen over de vergoeding van de door eiser gemaakte ziektekosten. Eiser heeft namelijk sedert 1 januari 2006 volgens de van toepassing zijnde verdragsregels als verdragsgerechtigde in zijn woonland Spanje recht op medische zorg zoals vastgelegd in de Spaanse wetgeving. Dit betekent dat eiser, wanneer hij bepaalde gemaakte ziektekosten vergoed wil zien, zich ook tot de terzake bevoegde Spaanse instantie, het Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS), dient te wenden.

4.2 Om te beoordelen of verweerder al dan niet terecht tot niet-ontvankelijkverklaring heeft beslist dient de vraag te worden beantwoord of genoemde brief van 28 juli 2008 aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 28 juli 2008 geen besluit als hierboven bedoeld is. Het volgende is daartoe redengevend.

4.4. De rechtbank overweegt dat een mededeling van een bestuursorgaan dat het in een bepaald geval niet bevoegd is om het door de wederpartij gewenste rechtsgevolg te bewerkstelligen, in beginsel dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aangezien een dergelijke mededeling in ieder geval een beoordeling inhoudt aangaande de aanwezigheid en de reikwijdte van de door de aanvrager om een besluit veronderstelde bevoegdheid. Indien aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, evenwel geen enkele bevoegdheid toekomt ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft, en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering of handhaving van deze wettelijke regeling, is echter geen sprake van een besluit.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) en van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB), bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS van 29 november 2006, www.rechtspraak.nl, LJN: ZF2410, en de uitspraak van het CBB van 21 juli 1999, www.rechtspraak.nl, LJN: ZG1616.

4.5. In dit geval doet zich naar het oordeel van de rechtbank de laatstbedoelde situatie voor: de situatie waarin aan het bestuursorgaan waaraan het verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid toekomt ter uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft. Op grond van het samenstel van de bovengenoemde bepalingen van EG-Verordening 1408/71 en de Zvw stelt de rechtbank vast dat verweerder geen enkele bevoegdheid toekomt te beslissen over vergoeding van de door eiser gemaakte ziektekosten. Eiser heeft immers in zijn woonland Spanje recht op prestaties verband houdend met ziekte. Hij heeft aldus in Spanje recht op medische zorg en dient zich voor vergoeding van de in verband hiermee gemaakte kosten te wenden tot de Spaanse ziektekostenverzekeringsinstantie(s), conform de Spaanse regelgeving.

Hiervan staat los dat er op eisers Nederlandse AOW een buitenlandbijdrage wordt ingehouden. Dat verweerder zich heeft gewend tot het Spaanse INSS en eisers zaak daar onder de aandacht heeft gebracht betekent niet dat verweerder bemoeienis heeft met de uitvoering van de Spaanse regelgeving die aan het INSS is opgedragen.

4.6. Uit het gegeven dat verweerder onder de brief van 28 juli 2008 een rechtsmiddelenclausule heeft opgenomen, volgt niet dat die brief, in weerwil van het voorgaande, als een besluit moet worden aangemerkt. De vraag of al dan niet sprake is van een besluit, is in een procedure bij de bestuursrechter een vraag van openbare orde die door de rechter zelfstandig en dus los van de (oorspronkelijke) stellingname van partijen dient te worden beantwoord.

4.7. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het dossier niet is gebleken dat eiser zelf stappen heeft ondernomen in Spanje teneinde de door hem gemaakte kosten vergoed te krijgen. Verweerder heeft daarentegen van zijn kant het Spaanse orgaan INSS meermaals verzocht om de mogelijkheid van kostenvergoeding te bezien. Wellicht dat eiser ook zelf nog contact kan opnemen met het Spaanse INSS en zijn zaak daar onder de aandacht kan brengen.

4.8. Het beroep wordt gelet op het voorgaande ongegrond verklaard. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder op te dragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Verweerder heeft immers toegegeven ten onrechte een rechtsmiddelenclausule onder de brief van 28 juli 2008 op te hebben genomen, waardoor bij eiser ten onrechte de indruk is ontstaan dat tegen deze brief rechtsmiddelen open stonden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond.

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB