Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1562

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
AWB 10-884 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 4:17 en 6:12, lid 2, Awb. Voor de vraag of oud of nieuw recht van toepassing is, is van belang op welke datum de aanvraag door het bestuursorgaan is ontvangen. Voor een geldige ingebrekestelling is voldoende dat de aanvrager schriftelijk aan het bestuursorgaan laat weten dat het naar zijn mening niet tijdig op de voorliggende aanvraag heeft beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/884 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

en

de Minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. S. van Heukelom-Verhage.

Procesverloop

De rechtbank heeft op 24 februari 2010 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van eiser van 28 september 2009 (hierna: het bestreden besluit).

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft verweerder afwijzend op de aanvraag van eiser beslist.

De rechtbank heeft het onderzoek met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

Overwegingen

1. Bij brief van 28 september 2009 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend voor het afkopen van verlofuren over het jaar 2009.

1.1. Eiser heeft, onder meer bij brief van 30 november 2009, verweerder verzocht om gelet op de geldende beslistermijn op korte termijn een beslissing te nemen.

1.2. Bij beroepschrift van 24 februari 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag. Daarbij heeft eiser verzocht verweerder op te dragen alsnog een beslissing op de aanvraag te nemen op verbeurte van een dwangsom voor elke dag, waarop verweerder weigerachtig mocht blijken om hieraan te voldoen. Eiser heeft tevens verzocht om de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom te bepalen als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

1.3. Verweerder heeft op 15 maart 2010 afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Verweerder heeft erkend dat niet binnen de beslistermijn van acht weken op de aanvraag is beslist, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat op eisers aanvraag het recht van toepassing is zoals dat gold tot 1 oktober 2009, omdat de aanvraag op 28 september 2009 is ingediend. Op het beroep is volgens verweerder wel het recht van toepassing zoals dat geldt sinds 1 oktober 2009. Volgens verweerder moet het beroep echter niet-ontvankelijk worden verklaard omdat geen sprake is van geen formele ingebrekestelling. Eiser heeft verweerder wel een aantal brieven gestuurd waarin hij heeft gewezen op de openstaande aanvraag, maar heeft daarin niet aangegeven dat het om een ingebrekestelling in de zin van de wet ging. Verweerder heeft bij de stukken het besluit van 15 maart 2010 overgelegd waarin afwijzend op het verzoek van eiser van 28 september 2009 is beslist.

1.4. In reactie op het verweerschrift heeft eiser zich bij brief van 21 maart 2010 op het standpunt gesteld dat bepalend is de datum waarop het verzoek van 28 september 2009 bij verweerder is ingekomen – volgens eiser op 1 oktober 2009 – en de omstandigheid dat op 1 oktober 2009 nog niet op zijn aanvraag was beslist. Gelet hierop is volgens eiser het recht van toepassing zoals dat geldt vanaf 1 oktober 2009. Verder heeft eiser inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het besluit van 15 maart 2010 en de rechtbank verzocht het beroep mede gericht te achten tegen het besluit van 15 maart 2010.

2. Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen in werking getreden. Paragraaf 4.1.3.2 van de Awb maakt deel uit van deze wetswijziging. Ingevolge artikel III, eerste lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen blijft op het niet tijdig beslissen op een aanvraag die of een bezwaar- of beroepschrift dat is ingediend voor het tijdstip waarop paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is geworden, het recht zoals dit gold voor dat tijdstip van toepassing.

2.1. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2.2. Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

2.4. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 6:12, vierde lid, van de Awb is het beroep niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder desgevraagd bij brief van 30 juni 2010 heeft aangegeven dat de aanvraag van eiser, gedateerd op 28 september 2009, op 1 oktober 2009 door verweerder is ontvangen. Gelet hierop is de rechtbank met eiser van oordeel dat op de aanvraag van 28 september 2009 het recht van toepassing is zoals dat geldt sinds 1 oktober 2009. Het beroepschrift is op 24 februari 2010 ingediend, zodat hierop eveneens het recht van toepassing is zoals dat geldt sinds 1 oktober 2009.

3.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroepschrift niet onredelijk laat ingediend in de zin van artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. Vast staat dat verweerder niet binnen de beslistermijn van acht weken op de aanvraag heeft beslist. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser verweerder onder meer bij brief van 30 november 2009 in gebreke heeft gesteld en dat verweerder ook niet binnen veertien dagen na deze ingebrekestelling op de aanvraag heeft beslist. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor een geldige ingebrekestelling voldoende is dat de aanvrager schriftelijk aan het bestuursorgaan laat weten dat het naar zijn mening niet tijdig op de voorliggende aanvraag heeft beslist. Eisers brief van 30 november 2009 voldoet hieraan. Niet vereist is, zoals verweerder heeft betoogd, dat expliciet wordt vermeld dat het een ingebrekestelling in de zin van de Awb betreft.

3.2. Het voorgaande betekent dat het beroep gegrond is.

3.3. Aangezien verweerder bij primair besluit van 15 maart 2010 alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist, zal de rechtbank echter niet op de voet van artikel 8:55d van de Awb bepalen dat verweerder alsnog binnen twee weken op de aanvraag dient te beslissen. Wel merkt de rechtbank dat op dat voor zover eiser in zijn brief van 21 maart 2010 inhoudelijke gronden heeft aangevoerd tegen het besluit van 15 maart 2010, deze brief dient te worden aangemerkt als bezwaarschrift, waarop verweerder nog een besluit dient te nemen. Aangezien de rechtbank de als bezwaarschrift aan te merken brief van 21 maart 2010 reeds naar verweerder heeft doorgezonden, zal de rechtbank dit niet opnieuw doen.

3.4. Eiser heeft de rechtbank in het beroepschrift verzocht om de hoogte van de verbeurde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb te bepalen. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, zal de rechtbank hieraan voldoen. De rechtbank stelt de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1.260,00. Dit bedrag is op de volgende wijze berekend: SOM (14 dagen x € 20,00 = € 280,00) + (14 dagen x € 30,00 = € 420,00) + (14 dagen x € 40,00 = € 560,00) = € 1.260,00.

3.5. Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb heeft verbeurd van in totaal € 1.260,00 (twaalfhonderd zestig euro);

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 150,00 (honderd vijftig euro) aan hem vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan op 28 juli 2010 door mr. G.M. Beunk, rechter, in tegenwoordigheid van M.P. Osinga-Sanders, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kan tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Afschrift verzonden op:

Coll: M.P.O.

D: B