Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1559

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
AWB 10-2167 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing langdurigheidstoeslag. Artikel 2, derde lid, van de Verordening Langdurigheidstoeslag WWB van de gemeente Amsterdam is onverbindend wegens strijd met de wet. Beoordelingsvrijheid gemeente strekt niet zo ver dat toekenning met terugwerkende kracht uitgesloten mag worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2167 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats]

eiser,

gemachtigde mr. S. Guman

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M. Tjen A Kwoei

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft verweerder eisers aanvraag voor een langdurigheidstoeslag 2009 afgewezen (het primaire besluit).

Bij besluit van 13 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juli 2010. Eiser is niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde. Verweerder is, met kennisgeving, niet verschenen.

Overwegingen

1. Wettelijk kader

1.1. Artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB) bepaalt, voor zover hier van belang, dat het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag verleent aan personen die aan bepaalde, in dat artikel genoemde, voorwaarden voldoen.

1.2. Op grond van artikel 8, eerste lid, sub d, van de WWB dient de gemeenteraad bij verordening regels te stellen met betrekking tot het verlenen van langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van die wet.

1.3. De gemeenteraad van Amsterdam heeft hieraan uitvoering gegeven middels de gemeentelijke Verordening Langdurigheidstoeslag WWB (de Verordening). In artikel 2, derde lid, van de Verordening is bepaald dat een aanvraag alleen betrekking kan hebben op het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en het eerstvolgende kalenderjaar.

2. Standpunten van partijen

2.1. Verweerder stelt dat de aanvraag voor langdurigheidstoeslag 2009 gelet op de hiervoor genoemde bepaling van de Verordening te laat is ingediend. Volgens verweerder dateert de aanvraag van 9 februari 2010, terwijl deze voor 31 december 2009 ingediend had moeten zijn. Verweerder heeft om die reden de aanvraag afgewezen.

2.2. Eiser voert aan dat hij de aanvraag tijdig voor 31 december 2009 bij verweerder heeft ingediend. Bovendien zou de aanvraag ook indien deze na 31 december zou zijn ingediend toegekend moeten worden aangezien eiser aan alle daarvoor gestelde voorwaarden voldoet. Voorts is het gelet op de jurisprudentie mogelijk om met terugwerkende kracht een langdurigheidstoeslag aan te vragen. Het uitsluiten van de mogelijkheid van terugwerkende kracht is tot slot in strijd met de WWB, aldus eiser.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De langdurigheidstoeslag is met ingang van 1 januari 2009 als een bijzondere vorm van bijzondere bijstand in de WWB opgenomen. In het kader van de wens van de regering tot decentralisatie is de langdurigheidstoeslag deels een gemeentelijke verantwoordelijkheid geworden. Binnen de wettelijke kaders dienen gemeenten bij verordening de voorwaarden te bepalen waaronder er recht is op langdurigheidstoeslag. Uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nr. 3, p. 4, 5, 15 en 16) blijkt dat gemeenten in deze verordening regels moeten stellen met betrekking tot de hoogte van de toeslag en dat in ieder geval nadere invulling gegeven moet worden aan de begrippen langdurig, laag inkomen en gebrek aan arbeidsmarktperspectief. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de gemeenteraad de grenzen van de verordeningsbevoegdheid heeft overschreden door in de Verordening op te nemen dat de aanvraag alleen betrekking kan hebben op het kalenderjaar waarin de aanvraag wordt gedaan en het eerstvolgende kalenderjaar. Deze bepaling komt erop neer dat de toekenning van langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht, over jaren voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag is gedaan, wordt uitgesloten.

3.2. In artikel 36, derde lid, van de WWB is een beperking opgenomen ten aanzien van de periode waarbinnen een persoon aanspraak kan maken op de toeslag. Die aanspraak heeft een persoon hoogstens eenmaal binnen 12 maanden. In de memorie van toelichting wordt bij artikel 36 van de WWB opgemerkt dat de verstrekking van de langdurigheidstoeslag evenwel niet is gebonden aan die periode van 12 maanden. Het kan zijn dat per 12 maanden meerdere malen langdurigheidstoeslag wordt verstrekt indien die verstrekking ziet op een recht dat in voorgaande jaren is ontstaan, maar pas later is aangevraagd. ‘Er geldt immers geen verjaringstermijn voor het aanvragen van langdurigheidstoeslag’ (cursivering rechtbank, zie Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nr. 3, p. 17 en 18).

3.3. Ook uit de Nota naar aanleiding van het verslag volgt dat de langdurigheidstoeslag over perioden die voor de datum van aanvraag liggen, kan worden toegekend. Gelet op deze eigen wijze van ingangsdatumbepaling, is artikel 44 van de WWB buiten toepassing verklaard (artikel 36, vijfde lid, van de WWB). Nu de langdurigheidstoeslag steeds betrekking heeft op een bepaalde referteperiode in plaats van op een bijzondere situatie die zich op een bepaald moment in de tijd voordoet, is het mogelijk deze met terugwerkende kracht toe te kennen, terwijl die mogelijkheid voor andere vormen van (bijzondere) bijstand niet bestaat (Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nr. 7, p. 23).

3.4. De rechtbank overweegt dat het derde lid van artikel 36 WWB inhoudelijk niet is gewijzigd ten opzichte van het artikel zoals dat luidde tot 1 januari 2009 (destijds artikel 36, eerste lid, onder d, van de WWB). Uit de wetsgeschiedenis van dit (thans) derde lid blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk geen nadere beperking heeft willen stellen aan het tijdstip waarop een aanvraag gedaan dient te worden. Een belanghebbende kan dus ook jaren later nog een aanvraag indienen met betrekking tot een eerder recht op langdurigheidstoeslag (zie Kamerstukken II 2003/04, 29 499, nr. 11). Ook volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht worden aangevraagd (zie ondermeer CRvB 22 juli 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BD8637).

3.5. De hiervoor genoemde parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep brengen de rechtbank tot het oordeel dat de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht toegekend kan worden. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het uitsluiten van deze mogelijkheid via de Verordening is toegestaan gezien de beleidsvrijheid die de gemeente via artikel 8 van de WWB heeft gekregen. Daartoe overweegt de rechtbank dat gemeenten zijn gehouden een langdurigheidstoeslag te verstrekken aan personen die langdurig op een laag inkomen zijn aangewezen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen arbeidsmarktperspectief hebben. Op dat punt bestaat geen beleidsvrijheid. Via artikel 8 van de WWB heeft de gemeenteraad een zekere beoordelingsvrijheid gekregen. Die beoordelingsvrijheid ziet evenwel op de nadere invulling van de criteria van artikel 36, eerste lid, van de WWB en strekt niet zo ver dat toekenning met terugwerkende kracht uitgesloten mag worden. De rechtbank acht het bepaalde in artikel 2, derde lid, van de Verordening om die reden in strijd met de WWB en daarmee onverbindend.

3.6. Nu het bestreden besluit de toetsing aan het recht niet kan doorstaan, acht de rechtbank het niet aangewezen op de overigens door eiser aangevoerde gronden in te gaan.

4. Conclusie

4.1. Het beroep van eiser is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen en verweerder opdracht te geven een nieuw besluit op de aanvraag te nemen.

4.2. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in beroep begroot op € 874,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift ad € 437,- per punt). Naar aanleiding van de door eiser in de bezwaarprocedure verzochte proceskostenvergoeding merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bedoelde kosten in bezwaar uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. De kosten in bezwaar worden gelet op het bepaalde in het Bpb begroot op € 437,- (1 punt voor het bezwaarschrift ad € 437,- per punt).

4.3. Tot slot dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ter hoogte van € 41,-aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 11 februari 2010;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.311,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van H.W. Grootendorst LLM, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB