Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO1532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
HA RK 10.1128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking toe. De beslissing van de rechtbank om de getuige niet te horen lijkt in strijd met de geldende jurisprudentie. Daarom vindt de wrakingskamer de vrees van verzoeker dat de beslissing van de rechtbank getuigt van een zeker mate van vooringenomenheid, ook in het licht van de eerdere incidenten, begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 288
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/32
NBSTRAF 2010/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Zaaknummer HA RK 10.1128

Beschikking op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering van:

[ ],

verzoeker tot wraking,

raadsman mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mrs. [ ], [ ] en [ ], hierna: de rechters, leden van de strafkamer belast met de behandeling van een tegen verzoeker bij de rechtbank aanhangige strafzaak.

1. Verloop van de procedure

Ter zitting van 22 oktober 2010 heeft de raadsman namens verzoeker een mondeling verzoek tot wraking van de rechters gedaan.

De rechters hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2010, waar de rechtbank verzoeker, diens raadsman, en de officier van justitie heeft gehoord.

De rechters hebben een schriftelijke verklaring overgelegd die ter zitting is voorgelezen.

Verzoeker tot wraking heeft het laatste woord gevoerd.

Na behandeling ter zitting is na schorsing en hervatting meegedeeld dat de uitspraak wordt gedaan op 22 oktober om 16.00 uur.

Ter openbare zitting van 22 oktober 2010 is uitspraak gedaan.

Gronden van de beslissing

Grondslag voor het wrakingverzoek is, zo begrijpt de wrakingskamer, dat de rechtbank niet aanstonds heeft ingestemd met het verzoek van de verdediging de ter terechtzitting aanwezige getuige [ ] te horen met betrekking tot uitlatingen zoals weergegeven in een artikel in de Pers. Achtergrond van dat verzoek is, zo heeft de raadsman naar voren gebracht, dat het standpunt van de verdediging is dat de beschikking van het Hof die geleid heeft tot vervolging van verzoeker, getuigt van vooringenomenheid bij het Hof en dat die omstandigheid moet leiden tot niet ontvankelijkheid van de OM. De getuige zou kunnen verklaren omtrent uitlatingen van één van de leden van het Hof ten overstaan van de getuige waaruit van de vooringenomenheid van het Hof zou blijken, zodat die getuigenverklaring kan bijdragen aan de onderbouwing van het verweer, aldus de raadsman.

Uit de aan de wrakingskamer ter beschikking gestelde reactie van de rechtbank komt naar voren dat de rechtbank het verzoek niet zonder meer heeft afgewezen, maar dat over de vraag of zich de noodzaak van het horen van de getuige voordoet, zal worden besloten na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting.

Een beslissing om op een verzoek tot het horen van een getuige op een later tijdstip te beslissen moet worden aangemerkt als een beslissing om dat verzoek op dat moment af te wijzen. De wraking richt zich dus tegen de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [ ].

In beginsel kan de omstandigheid dat een rechter een beslissing neemt die een partij onwelgevallig is, geen grond zijn tot wraking van die rechter. Dat is slechts anders als die beslissing zo onbegrijpelijk is dat voor die beslissing redelijker wijze geen andere verklaring kan worden gegeven dan dat zij voortvloeit uit vooringenomenheid van de rechter, of als de beslissing objectief gezien bij de verzoeker de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen wekken dat de beslissing is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoeker.

Naar vaste jurisprudentie van de HR (zie laatstelijk HR 1 april 2008, LJN BC6743) wordt een getuige die ter terechtzitting is medegebracht (waaronder ook moet worden verstaan een getuige die ter terechtzitting anderszins aanwezig is) gehoord, tenzij zich een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder b of c Sv voordoet. Kort gezegd als de gezondheid van de getuige bij het verhoor in het geding is, dan wel redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van de getuige de verdachte in zijn verdediging niet wordt geschaad. Dat zich die omstandigheden voordeden kan uit de beslissing van de rechtbank niet worden afgeleid. In die zin is de beslissing, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.

De rechtbank heeft wel, door daarbij te overwegen dat zij na sluiting van het onderzoek in raadkamer zou onderzoeken of het horen van de getuige niet toch zou moeten, kenbaar gemaakt dat zij het horen de getuige niet zonder meer wilde afwijzen, zodat in die zin wel kan worden aangenomen dat de beslissing van rechtbank op dit punt niet door vooringenomenheid is ingegeven.

De beslissing van de rechtbank om de getuige niet te horen lijkt in strijd met de geldende jurisprudentie. Daarom vindt de wrakingskamer de vrees van verzoeker dat de beslissing van de rechtbank getuigt van een zeker mate van vooringenomenheid, ook in het licht van de eerdere incidenten, begrijpelijk.

In die omstandigheden dient het verzoek te worden toegewezen.

BESLISSING:

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking toe.

Aldus gegeven door mrs. G.H. Marcus, F. Salomon en Y.A.A.G. de Vries, leden van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 22 oktober 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 515 lid 5 Sv geen voorziening open.