Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0452

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
365136 / HA ZA 07-756
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV8189, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht, vaststelling van de onder de verzekering voor vergoeding in aanmerking komende schade, krachtens artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking komende kosten van bijstand door een (partij)deskundige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 365136 / HA ZA 07-756

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. C. Sjenitzer,

tegen

de naamloze vennootschap

LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen zullen hierna [A] en London genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 februari 2010, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 april 2010 en de daarin genoemde stukken,

- de faxbrief van mr. Koorevaar van 9 april 2010 met het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal, en

- de faxbrief van mr. Hommersom van 19 april 2010 met het verzoek tot aanpassing van het proces-verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank ziet geen aanleiding tot aanpassing van het proces-verbaal van de comparitie van partijen als verzocht in de faxbrieven van 9 en 19 april 2010.

2.2. In het tussenvonnis is vastgesteld dat sprake is van een verzekerd evenement, zodat London de als gevolg daarvan door [A] geleden schade dient te vergoeden. In het tussenvonnis is een comparitie van partijen gelast waarbij partijen zich nader zouden kunnen uitlaten over de omvang van de schade en de verschillende door [A] opgevoerde schadeposten, en partijen met het oog daarop een aantal instructies gegeven. [A] heeft daarop aanvullende stukken met betrekking tot de schade in het geding gebracht en ter comparitie hebben partijen zich nader uitgelaten over de schade.

2.3. De rechtbank kan nu overgaan tot begroting van de - ingevolge de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst door London te vergoeden - schade.

Kosten van reparatie

2.4. Niet in geding is dat de kosten van reparatie van de ten gevolge van de delaminatie ontstane schade door de verzekering worden gedekt, en derhalve door London aan [A] dienen te worden voldaan.

2.5. Bij dagvaarding heeft [A] een offerte van 14 oktober 2005 van Jachtwerf de Grevelingen B.V. in het geding gebracht, waarin de kosten van reparatie worden begroot op EUR 21.976,06. [A] vordert geen afzonderlijke betaling van dit bedrag, maar wel is duidelijk dat het de hoofdmoot vormt van het door [A] gevorderde bedrag van EUR 38.000,-. In het tussenvonnis is [A] uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld de reparatiekosten (nader) te begroten. [A] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, zodat de rechtbank zal uitgaan van de offerte van 14 oktober 2005.

2.6. Er bestaat geen aanleiding om [A], zoals ter comparitie verzocht, in de gelegenheid te stellen een meer recente offerte van Jachtwerf de Grevelingen B.V. in het geding te brengen. In het tussenvonnis is met zoveel woorden overwogen (rov. 2.6) dat de rechtbank geen acht zal slaan op de door de deskundige als bijlage bij zijn rapport gevoegde offerte, en is [A] in de gelegenheid gesteld (rov. 2.13 onder 1) de reparatiekosten (nader) te begroten. Daarmee had het op de weg van [A] gelegen om, indien hij de kosten hoger wilde begroten, de meer recente offerte voorafgaande aan de comparitie in het geding te brengen.

2.7. Bij de comparitie is door London aangevoerd dat de (kosten van reparatie van de) schade als gevolg van het eigen gebrek (delaminatie) weliswaar ingevolge artikel 10.1 van de polisvoorwaarden zijn gedekt, maar dat dit niet geldt voor (kosten van reparatie van) dit eigen gebrek (delaminatie) zelf. Aangezien London niet stelt hoe de kosten van reparatie van de schade aan het schip dienen te worden uitgesplitst over de twee door haar genoemde categorieën van schade, en nalaat om iets te stellen over de vraag in hoeverre de op de offerte van 14 oktober 2005 genoemde posten vallen onder de ene, dan wel de andere categorie, wordt het verweer als onvoldoende onderbouwd gepasseerd.

2.8. Nu tegen de offerte van 14 oktober 2005 overigens geen bezwaren zijn geuit, begroot de rechtbank de kosten van reparatie op EUR 21.976,06.

Schade en kosten als gevolg van het zinken van het schip

2.9. Ter comparitie is tussen partijen vastgesteld dat ook de schade en kosten als gevolg van het zinken van het schip na de tewaterlating op 11 mei 2005 in beginsel onder de verzekeringsdekking vallen. London voert evenwel aan dat sprake is van eigen schuld (artikel 276 K, nu de schade dateert van voor de inwerkingtreding van titel 7.17 BW) en haar een beroep toekomt op artikel 13.e van de polisvoorwaarden, waarin is bepaald dat “... van de verzekering (zijn) uitgesloten, schade en kosten (....) als gevolg van de aan verzekeringnemer te verwijten onvoldoende .... zorg voor de verzekerde zaken.”, zodat deze schade niet is gedekt.

2.10. London voert ter onderbouwing aan dat [A] heeft besloten het schip te water te (doen) laten om het naar Jachthaven de Grevelingen, waar het op korte termijn gerepareerd kon worden, te varen, ondanks het aanbod van verzekeringstussenpersoon DataCombinatie het schip over de weg naar Jachthaven de Grevelingen te vervoeren. [A] betwist dat op het moment van tewaterlating al was aangeboden het schip over de weg te vervoeren, en stelt dat hij geen enkele aanleiding had om te denken dat het schip zou zinken als het te water zou worden gelaten, nu slechts van een geringe scheur sprake was.

2.11. Voor het doen slagen van het beroep van London op eigen schuld, dan wel de uitsluiting in de polisvoorwaarden, dient vast te komen te staan dat [A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. London heeft daartoe onvoldoende gesteld. Het feit dat [A] heeft besloten tot tewaterlating, terwijl hij kort van te voren de scheur had geconstateerd, en hij daarvan melding had gemaakt bij zijn verzekeraar, is daartoe onvoldoende. Daarmee wordt immers het betoog van [A] dat sprake was van een geringe scheur, zodat geen aanleiding bestond te denken dat het schip zou zinken als het te water zou worden gelaten, niet weerlegd. De - door [A] betwiste - enkele stelling van London dat iemand van [B] [A] zou hebben ontraden het schip te water te laten, waarvan London ter comparitie bewijs heeft aangeboden, mist een deugdelijke onderbouwing, nu niet wordt gesteld wie dit [A] zou hebben ontraden, waarom dit [A] werd ontraden, en waarom het niet opvolgen van dit advies een ernstig verwijt aan het adres van [A] oplevert. Het bewijsaanbod is onvoldoende specifiek en wordt gepasseerd.

2.12. Nu de verweren van London falen, dienen ook de schade en kosten als gevolg van het zinken van het schip te worden begroot en toegewezen.

2.13. In de voorafgaande aan de comparitie aan de rechtbank toegezonden stukken (productie 14) heeft [A] een aantal posten opgevoerd onder de kop “Kosten ivm zinken”. [A] vordert geen afzonderlijke betaling van deze posten, maar duidelijk is dat zij deel uitmaken van het door [A] gevorderde bedrag van EUR 38.000,-. Ter comparitie is naar aanleiding van commentaar zijdens London en vragen van de rechtbank vastgesteld dat de eerste en de laatste van de onder de kop “Kosten ivm zinken” opgevoerde posten geen verband houden met het zinken van het schip, en derhalve (in dit verband) buiten beschouwing dienen te blijven. Tegen de resterende posten heeft London geen (gemotiveerd) verweer gevoerd, zodat komt vast te staan dat het daarbij wel gaat om schade of kosten als gevolg van het zinken van het schip. De rechtbank begroot deze schade daarom op een bedrag van (EUR 444,70 + 614,04 + 517,65 + 951,76 + 5.640,00 + 774,00 =) EUR 8.942,15. De rechtbank kan de op “P.M.” gestelde posten bij gebrek aan onderbouwing niet begroten. Indien [A] ook vergoeding van de onder die posten opgevoerde schade en kosten wenste, had het op zijn weg gelegen om - zeker gegeven de instructies in het tussenvonnis - deze posten te begroten.

Kosten gemaakt tijdens het uitblijven van uitkering van verzekeringspenningen en “missed benefits”

2.14. [A] heeft verder een aantal kosten van stalling, onderhoud, verzekeringspremies, zendmachtiging en vervangend vakantieverblijf opgevoerd. Het gaat grotendeels om kosten die dateren van na het ontdekken van de scheur, ten aanzien waarvan [A] stelt dat hij deze niet zou hebben gemaakt, indien London had voldaan aan haar verplichting de schade te laten repareren of de reparatiekosten te voldoen. Een kleiner deel van de kosten dateert van vóór het ontdekken van de scheur. Met betrekking tot deze kosten stelt [A] dat zij werden gemaakt met het oog op het gebruik dan wel de verkoop van het schip in het seizoen 2005, maar uiteindelijk nutteloze uitgaven zijn gebleken, omdat London niet heeft voldaan aan haar verplichting de schade te vergoeden, zodat het schip - nu reparatie uitbleef - dat seizoen kon worden gebruikt noch verkocht (“missed benefits”).

2.15. De gevorderde kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking. London voert terecht aan dat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, door artikel 6:119 BW wordt gefixeerd op de wettelijke rente. Voor alle genoemde kosten geldt dat [A] daaraan ten grondslag legt dat hij deze niet zou hebben gemaakt (en voor wat betreft de “missed benefits”, deze wél hun nut zouden hebben gehad) als London had voldaan aan haar verplichting de reparatiekosten te voldoen. Het gaat dus om schade die [A] stelt te hebben geleden als gevolg van het gedurende langere tijd uitblijven van uitkering van de verzekeringspenningen, die wordt geacht te worden gedekt door de (hierna toe te wijzen) wettelijke rente.

Slotsom met betrekking tot hoofdvordering

2.16. Slotsom van het voorgaande is dat London ingevolge de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst de som van de reparatiekosten en de schade en kosten als gevolg van het zinken van het schip, derhalve (EUR 21.976,06 + EUR 8.942,15 =) EUR 30.918,21, aan [A] dient te voldoen.

2.17. Voor het meerdere zal de hoofdvordering van [A] worden afgewezen.

Overige vorderingen

2.18. De rechtbank zal ten slotte hieronder de - naast de hoofdvordering ingestelde - vorderingen met betrekking tot wettelijke rente, expertisekosten en buitengerechtelijke kosten behandelen.

Wettelijke rente

2.19. De rechtbank stelt vast dat London op 8 juli 2005 in verzuim is geraakt, nu zij zich bij brief van die datum jegens [A] op het standpunt heeft gesteld dat zij dekking weigerde, uit welke mededeling [A] kon afleiden dat London haar verplichting tot uitkering van verzekeringspenningen niet zou nakomen. De rechtbank zal dan ook vanaf die datum wettelijke rente over de hoofdvordering toewijzen.

Expertisekosten

2.20. [A] vordert - na vermeerdering van eis - vergoeding van kosten van de door hem geraadpleegde deskundigen, en beroept zich daarbij op art. 6:96 lid 2 sub b BW.

2.21. London voert ten eerste als verweer aan dat kosten van door de verzekerde ingeschakelde (contra-)expert(s) ingevolge artikel 5.1 van de polisvoorwaarden voor rekening van [A] komen. Deze bepaling luidt als volgt:

“de schade zal in overleg tussen verzekeraar en de verzekeringnemer worden geregeld. Verzekeraar heeft het recht de schade en de schadeoorzaak te laten onderzoeken door een deskundige. Bij verschil van mening heeft verzekeringnemer het recht zelf een deskundige te benoemen, wiens kosten voor rekening van verzekeringnemer komen. Bij verschil van mening tussen beide deskundigen zullen deze samen een derde deskundige benoemen, wiens schadevaststelling binnen de grenzen van beide taxaties moet blijven. De taxaties (sic) van de derde deskundige is bindend. De kosten van de derde deskundige worden gedragen door de verzekeraar en verzekeringnemer, ieder voor een gelijk deel.”

Het beroep faalt. Met [A] is de rechtbank van oordeel dat de aangehaalde bepaling niet derogeert aan art. 6:96 lid 2 sub b BW. Artikel 5.1 biedt een geschillenregeling, waar partijen geen gebruik van hebben gemaakt. Daarmee mist de bepaling relevantie in het onderhavige geschil. Indien London met deze bepaling mede beoogt te derogeren aan art. 6:96 lid 2 sub b BW, had het op haar weg gelegen dat duidelijk uit de tekst te doen blijken.

2.22. Ten tweede voert London als verweer aan dat de kosten van expert [C] (DCI) dateren van na dagvaarding, en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit verweer slaagt evenmin. [C] reageert in zijn rapportage op de standpunten die de door London ingeschakelde expert in zijn rapportage en London in haar conclusie van antwoord innemen. Het gaat dus om kosten van bijstand door een (partij-)deskundige die zijn gemaakt in het kader van een gerechtelijke procedure. De rechtbank ziet niet in waarom, zoals London kennelijk meent, dergelijke kosten per definitie niet voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan in het geval van kosten van bijstand door een advocaat in het kader van een gerechtelijke procedure, worden dergelijke kosten niet (geacht te zijn) vergoed met de toekenning van een proceskostenveroordeling. De slotzin van art. 6:96 lid 2 BW, waarin wordt bepaald dat de onder b en c genoemde kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen voor zover de regels betreffende proceskosten niet van toepassing zijn, staat daarmee niet aan de vergoeding van dergelijke kosten in de weg. Wel is noodzakelijk dat redelijk is dat de benadeelde zich (in het kader van de gerechtelijke procedure) voorzag van deskundige bijstand en dat de kosten ook naar omvang redelijk zijn. Partijen hebben zich hierover niet uitgelaten. Nu sprake was van een technische discussie over de oorzaak van de scheur, London zich beriep op de rapportage van een door haar ingeschakelde (partij-) deskundige die tot andere conclusies kwam, en sprake was van een substantiële schade, is de rechtbank van oordeel dat de kosten van expertise door DCI/[C] aan deze dubbele redelijkheidstoets voldoen.

2.23. Dit betekent dat zowel de kosten van expertise van [D] (EUR 570,-) als de kosten van expertise van DCI/[C] (EUR 4.267,34) voor vergoeding in aanmerking komen.

Buitengerechtelijke kosten

2.24. [A] vordert ten slotte vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten, te begroten conform rapport Voor-werk II. London betwist deze aanspraak, en voert aan dat slechts sprake zou zijn van kosten ter instructie van de zaak.

2.25. De rechtbank stelt vast dat [A] kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte heeft gemaakt. Uit de bij dagvaarding overgelegde correspondentie blijkt dat de schadebehandelaar van London en de rechtsbijstandverzekeraar van [A] voorafgaande aan de procedure inhoudelijk op de zaak zijn ingegaan. Er is duidelijk sprake van werkzaamheden die verder gaan dan een enkele of herhaalde sommatie. [A] maakt daarom, conform de aanbevelingen van rapport Voor-werk II, aanspraak op een forfaitair bedrag gelijk aan 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief, in dit geval (2 punten x tarief EUR 579,00 =) EUR 1.158,00. Nu het gaat om een forfaitair bedrag, doet de door London opgeworpen vraag of deze kosten geheel of gedeeltelijk door de rechtsbijstandverzekeraar van [A] zijn gedragen niet ter zake.

Proceskosten

2.26. London zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden tot op heden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vast recht 835,00

- voorschot deskundige 3.000,00

- salaris advocaat 2.895,00 (5 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 6.814,31

De door [A] gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt London aan [A] te betalen een bedrag van EUR 30.918,21, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 8 juli 2005,

3.2. veroordeelt London aan [A] te betalen een bedrag van EUR 4.837,34 aan expertisekosten,

3.3. veroordeelt London aan [A] te betalen een bedrag van EUR 1.158,00 aan buitengerechtelijke kosten,

3.4. veroordeelt London in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 6.814,31,

3.5. veroordeelt London in de na het wijzen van dit vonnis door [A] te maken kosten, begroot op EUR 131,00 aan (na-) salaris advocaat, en bepaalt dat dit bedrag, indien London niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis vervolgens wordt betekend, wordt vermeerderd met een bedrag van EUR 68,00 aan (na-) salaris advocaat en de kosten van betekening van het vonnis,

3.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.?