Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BO0390

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
447788 - HA ZA 10-80
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van een maatschap; verdeling van het praktijkpand ex artikel 3:185 BW; belangenafweging (o.a. kosten van bouwkundige splitsing); toedeling van het pand aan één van de vennoten onder de verplichting voor deze om aan de ander bovenop de helft van de waarde in het economisch verkeer van het pand een extra vergoeding te betalen wegens overbedeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 185
Burgerlijk Wetboek Boek 7A
Burgerlijk Wetboek Boek 7A 1684
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 860
JIN 2010/804
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 447788 / HA ZA 10-80

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. C.W.M. Verberne,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. A. Steinz.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 december 2009 met producties;

- de conclusie van antwoord van 17 februari 2010 met producties;

- het tussenvonnis van 3 maart 2010;

- de bij brief van 12 maart 2010 toegezonden nadere productie zijdens gedaagde;

- het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2010 met de daaraan gehechte nadere productie zijdens eiser;

- de brief d.d. 30 maart 2010 zijdens eiser, inhoudende zijn opmerkingen bij het proces-verbaal van comparitie;

- de brief d.d. 1 april 2010 zijdens gedaagde, inhoudende zijn opmerkingen bij het proces-verbaal van comparitie.

1.2. De rechtbank acht de in de genoemde brieven neergelegde opmerkingen bij het proces-verbaal van comparitie juist, voor zover hierna niet anders vermeld.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds 2000 oefenen de broers [B] en [A] in maatschapverband ieder een tandartspraktijk uit in een gezamenlijk praktijkpand aan het adres -- 11-13 te --. Zij hebben geen schriftelijke maatschapsovereenkomst gesloten.

2.2. Het betreft een kostenmaatschap. [B] en [A] behandelen ieder hun eigen patiënten en hebben ieder eigen personeel in dienst.

2.3. Het praktijkpand bestaat ingevolge de kadastrale indeling uit twee appartementen, het appartement aan het adres -- 11 en het appartement aan het adres -- 13. Het praktijkpand is echter ontworpen en gebouwd als één praktijkruimte waar meerdere tandartsen gezamenlijk hun tandartspraktijk kunnen uitoefenen. De vrije verkoopwaarde van het praktijkpand bedraagt thans € 450.000,-- à € 460.000,--.

2.4. De appartementsrechten vallen in de maatschap. [B] en [A] houden dus ieder de onverdeelde helft van de twee appartementsrechten, die recht geven op het gebruik van de praktijkruimtes gelegen aan het -- 11 respectievelijk aan het -- 13.

2.5. [A] heeft voorts in 2004 het appartementsrecht gekocht dat recht geeft op het gebruik van het appartement aan het -- 7, dat gelegen is in hetzelfde complex als de praktijkruimte, daar recht tegenover aan de andere kant van de gang. [A] heeft daar een kamer als preventiekamer in gebruik. Op nummer 7 is nog een kamer, die nu niet in gebruik is, en een tandtechnisch laboratorium, dat thans aan een tandtechnica is verhuurd.

2.6. Tussen [B] en [A] zijn problemen ontstaan in de samenwerking, als gevolg waarvan zij beiden de maatschap wensen te beëindigen en het praktijkpand en de inventaris willen verdelen.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de maatschap te ontbinden tegen een door de rechtbank vast te stellen datum op zo kort mogelijke termijn;

b. [B] te veroordelen binnen een maand na betekening van dit vonnis mee te werken aan verdeling van het praktijkpand op een wijze waarbij [B] het volledige appartementsrecht verkrijgt van het pand gelegen aan -- 11 en [A] het volledige appartementsrecht verkrijgt van het pand gelegen aan -- 13, door het verlenen van medewerking aan overdracht bij een notaris, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat hij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis en na ommekomst van de hiervoor gestelde termijn;

c. [B] te veroordelen binnen een maand na betekening van dit vonnis het niet aan hem toebedeelde appartement (nr. 13) te verlaten en verlaten te houden met medeneming van alle tot zijn eigendom behorende aanwezige roerende zaken, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat hij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis en na ommekomst van de gestelde termijn;

d. [B] te veroordelen binnen drie maanden na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de liquidatie van de maatschap door middel van het opstellen van een eindafrekening door de maatschapsaccountant, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dat hij in gebreke blijft uitvoering te geven aan dit vonnis en na ommekomst van de gestelde termijn;

e. [B] te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [A] legt aan zijn vordering ten grondslag dat – kort gezegd – bij gebreke van schriftelijk vastgelegde afspraken omtrent verdeling van de maatschap bij ontbinding, als uitgangspunt voor de verdeling dient te gelden dat beide maten terugkrijgen wat zij in de maatschap hebben ingebracht. Dit brengt met zich dat de praktijkruimte en de inventaris volledig gedeeld dienen te worden, zodat [A] zijn tandartspraktijk kan voortzetten in een eigen praktijkruimte aan het -- 13 en [B] zijn tandartspraktijk kan voortzetten in een eigen praktijkruimte aan het -- 11. Het feit dat [A] ook beschikt over de ruimte aan het -- 7 dient zijns inziens geen rol te spelen bij de verdeling van de praktijkruimte. Hij wil de mogelijkheid openhouden dar nummer 7 een zelfstandige tandartspraktijk van zijn vrouw – die ook tandarts is – wordt.

3.3. [B] voert, samengevat weergegeven, het volgende verweer. Artikel 3:185 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is van toepassing, op grond waarvan de rechtbank een verdeling kan vaststellen rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Splitsing van het praktijkpand brengt bouwkundige problemen en aanzienlijke kosten met zich, reden waarom voornoemde billijkheid noopt tot het toedelen van het volledige praktijkpand aan één van de partijen. De belangenafweging, en daarmee de toedeling van het volledige praktijkpand, dient ten gunste van [B] uit te vallen, nu [A] de problemen in de samenwerking heeft veroorzaakt en de maatschap heeft opgezegd. Bovendien is [A] eigenaar van een ander praktijkpand aan het -- 7, gelegen in hetzelfde appartementencomplex, waar hij zijn tandartspraktijk kan voortzetten. [B] acht voorts van belang dat het huidige praktijkpand is toegesneden op de wijze waarop hij zijn praktijk altijd heeft gevoerd en wil blijven voeren, namelijk in samenwerking met een andere tandarts, en dat hij het langst in de maatschap heeft gewerkt.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontbinding van de maatschap

4.1. [A] vordert in de eerste plaats ontbinding van de maatschap op een zo kort mogelijke termijn. [B] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Deze vordering zal worden toegewezen op grond van artikel 7A:1684 lid 1 BW. De rechtbank zal de maatschap ontbinden per de datum van dit vonnis.

Verdeling praktijkpand

4.2. De kern van het geschil tussen partijen betreft de verdeling van het praktijkpand. [A] wil dat het pand bouwkundig in twee delen wordt opgesplitst en dat het deel met huisnummer 13 aan hem wordt toegedeeld en het deel met huisnummer 11 aan zijn broer. [B] verzet zich echter tegen een bouwkundige splitsing. Hij verzoekt de rechtbank het pand in zijn geheel aan hem toe te delen. [A] geeft, ingeval de rechtbank onverhoopt niet tot een splitsing zou besluiten, de voorkeur aan een toedeling van het gehele pand aan hem boven een toedeling van het gehele pand aan zijn broer.

4.3. Het is juist – [A] wijst daar terecht op – dat de maten uit het saldo van het vermogen van de ontbonden maatschap zoveel mogelijk de waarde van hun inbreng in geld of goederen dienen te ontvangen. Het teruggeven aan partijen van wat zij hebben ingebracht biedt in dit geval echter geen oplossing voor het geschil omdat vaststaat dat beide maten 50% van beide appartementsrechten hebben ingebracht en deze wijze van verdeling dus geen einde zou maken aan de gemeenschap terwijl beide partijen dat wel wensen.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat de beslissing omtrent de verdeling moet worden genomen met toepassing van artikel 3:185 BW.

4.5. [A] betwist dat artikel 3:185 BW toepasselijk is, waarbij hij zich beroept op artikel 3:189 BW. Dit beroep faalt echter. In artikel 3:189 lid 1 BW is bepaald dat – kort gezegd – artikel 3:185 BW niet toepasselijk is op de gemeenschap van een maatschap, zolang deze maatschap niet ontbonden is. Nu de maatschap op vordering van [A] in dit vonnis wordt ontbonden, is artikel 3:185 BW op de verdeling van toepassing.

4.6. Artikel 3:185 BW geeft de rechter de bevoegdheid om op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling van de gemeenschap vast te stellen, indien de deelgenoten het over deze verdeling niet eens kunnen worden. De rechter is bij het vaststellen van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen daarover hebben voorgesteld, maar dient wel rekening te houden naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemene belang.

4.7. De volgende algemene belangen en belangen van partijen zijn naar voren gekomen.

4.7.1. Het is in het belang van de patiënten – en daarmee in het algemeen belang – en overigens ook in het belang van [A] en [B] dat zij beiden hun tandartspraktijk kunnen voortzetten op het -- in --, althans in de nabijheid van het --, althans in --.

4.7.2. [A] wenst zijn praktijk niet met een andere tandarts te voeren, maar wel met een aantal personeelsleden die geen tandarts zijn en heeft twee behandelkamers nodig. Hij heeft desgevraagd ter comparitie verklaard honderd vierkante meter nodig te hebben. De raadsman van [A] heeft deze uitlating – die ook in het proces-verbaal van de comparitie is opgenomen – bij brief van 30 maart 2010 in zoverre bestreden dat hij schrijft dat zijn cliënt stelt gezegd te hebben: “Ik heb 100m2 nodig, van de huidige locatie.” De rechtbank neemt deze aanvulling van het proces-verbaal niet over. De uitlating in kwestie is immers gedaan naar aanleiding van de vraag van de rechtbank aan welke eisen [A]s toekomstige praktijkruimte idealiter voldoet. Het is duidelijk dat [A] liefst op de huidige locatie zou willen blijven, maar daarop was de vraag niet gericht. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal.

4.7.3. [B] wenst een praktijk te voeren samen met een andere tandarts en een of meer mondhygiënisten, wat ook altijd de opzet van de huidige maatschap is geweest. Hij heeft daartoe drie of vier behandelkamers nodig.

4.7.4. Voor beide partijen spelen voorts de kostenaspecten een belangrijke rol. Drie kostenaspecten zijn naar voren gekomen. Aan splitsing van de praktijkruimte zijn aanzienlijke kosten verbonden: niet alleen de eigenlijke verbouwingskosten maar ook de kosten die ontstaan doordat de praktijk tijdens de verbouwing niet kan worden voortgezet in de huidige praktijkruimte. Daar staat tegenover dat, als niet wordt gesplitst en een van beide partijen het pand moet verlaten, deze partij een nieuwe ruimte als tandartspraktijk zal moeten inrichten en zulks ook kosten met zich brengt. Een derde kostenaspect dat van belang is, is dat de huisvestingslasten van huidige praktijkruimte laag zijn omdat de broers deze in eigendom hebben en een ruimte met vergelijkbare lage lasten niet eenvoudig is te vinden.

4.8. Aan al deze belangen wordt, mede gelet op de beschikbaarheid van het pand aan het -- 7 voor [A], naar het oordeel van de rechtbank zo goed mogelijk recht gedaan indien het praktijkpand wordt toegedeeld aan [B] en [B] wegens overbedeling aan [A] niet slechts vergoedt de helft van de waarde in het economische verkeer van het praktijkpand, maar een hogere waarde, waarin is verdisconteerd het nadeel dat [A] lijdt doordat hij zijn praktijk moet verplaatsen en daartoe onder meer inrichtingskosten moet maken. De extra vergoeding vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid. Ter comparitie bleken beide partijen het daarover, voor het geval de rechtbank het gehele pand aan één van hen zou toedelen, ook eens te zijn, waarbij zij ieder als te ontvangen dan wel te betalen extra vergoeding bovenop de waarde in het economisch verkeer een bedrag hebben genoemd. [A] heeft als een door hem redelijk geachte extra vergoeding genoemd een bedrag van € 40.000 tot € 50.000 en [B] een bedrag van € 60.000 tot € 70.000. De rechtbank zal de extra vergoeding vaststellen op het gemiddelde van deze door partijen genoemde bedragen, zijnde € 55.000. [A] ontvangt aldus meer dan hij zelf heeft genoemd als een redelijke extra vergoeding bij een onverhoopt gedwongen vertrek uit het praktijkpand, zodat de uitkomst in dit opzicht ruimschoots aan zijn belangen tegemoet komt. Daar komt bij dat partijen het eens zijn dat de verdeling van de inventaris van de maatschap dient te worden afgerekend op basis van vervangingswaarde. Ook dit komt tegemoet aan het belang van [A], nu hij een nieuwe praktijkruimte zal moeten inrichten.

4.9. Ter motivering van de genoemde beslissing dient verder het volgende. [A] beschikt met -- 7 reeds over een andere praktijkruimte in hetzelfde complex die –anders dan het huidige praktijkpand – precies is toegesneden op de praktijkvoering die hij voor ogen heeft. Daarin bevinden zich immers twee behandelkamers en de ruimte beslaat ongeveer 100 vierkante meter. Weliswaar wordt een deel van deze oppervlakte thans nog verhuurd aan een tandtechnica; onbestreden is gebleven dat de tandtechnica bereid is zonder inachtneming van een eventueel overeengekomen opzegtermijn te vertrekken als beide broers haar dat zouden vragen. Het huidige praktijkpand is in zijn geheel te groot voor de tandartsenpraktijk die [A] voor ogen staat, naar hij ook ter comparitie heeft verklaard. Het argument van [A] dat hij -- 7 beschikbaar wil houden voor een eigen tandartspraktijk van zijn vrouw kan geen gewicht in de schaal leggen. Nog daargelaten dat de belangen van de vrouw van [A] in beginsel niet relevant zijn bij de te nemen beslissing, nu deze gestoeld dient te worden op een afweging van de belangen van partijen en het algemeen belang, heeft [A] onvoldoende toegelicht welk belang hij of zijn vrouw erbij kan hebben dat haar praktijk zich uitgerekend tegenover die van hem en zijn broer in -- bevindt. [A] en zijn vrouw wonen immers in -- en [A] heeft verklaard dat zij ieder een gescheiden praktijk zullen voeren. Het zou te meer onaanvaardbaar zijn als het belang van de vrouw van [A] om zich op het -- 7 mogelijk als tandarts te vestigen een rol zou spelen bij de beslissing omtrent de verdeling, nu de aanleiding voor het ontstaan – althans herleven – van de problemen tussen de broers juist is geweest dat [A] en zijn vrouw buiten medeweten van [B] en dus ook zonder enig overleg met [B] in 2007 en 2008 plannen hebben ontwikkeld voor haar vestiging als tandarts op -- 7. Daartoe zijn toen ook reeds voorbereidingen getroffen zoals het opzeggen van de huur aan de mondhygiëniste die toen op -- 7 was gevestigd. [A] had kunnen en moeten beseffen dat het buiten [B] om ontwikkelen van deze plannen tot (hernieuwde) problemen in de samenwerking met zijn broer zou leiden.

4.10. Nu -- 7 eigendom van [A] is, kleven aan de vestiging van de praktijk van [A] aldaar voorts niet de ter comparitie besproken (prijstechnische en andere) bezwaren van een huurcontract.

4.11. Aan een bouwkundige splitsing van het praktijkpand zoals voorgesteld door [A] kleeft het bezwaar dat de kosten van die splitsing aanzienlijk zijn. De door de heer [C] in opdracht van [A] geraamde kosten (€ 62.337,79) zijn weliswaar lager dan de door het Bureau voor Bouwpathologie in opdracht van [B] geraamde kosten (€ 136.308,97 à € 157.383,28), maar toch nog altijd aanzienlijk en daarin zijn bovendien nog niet begrepen de kosten van een architect en leges, die – naar [B] onbestreden heeft gesteld – € 19.635 bedragen, en evenmin zijn de kosten van de rioleringswerkzaamheden in het rapport van [C] begrepen. Voorts wordt in de splitsingsvariant die [C] heeft doorgerekend niet voldaan aan [B]s wens dat hij drie behandelkamers tot zijn beschikking krijgt. [C] gaat uit van twee behandelkamers voor [B]. Bovendien houdt geen van beide rapporten rekening met de inkomstenderving voor partijen (dan wel extra kosten die partijen moeten maken) doordat ze tijdens de verbouwing van het pand hun praktijk daar niet kunnen uitoefenen. [B] heeft onbestreden gesteld dat partijen gedurende 3 tot 4 maanden hun praktijk niet in het pand zullen kunnen uitoefenen. Het feit dat beide vennoten in beginsel gelijk gerechtigd zijn tot het pand, rechtvaardigt een dergelijk kostbare splitsing niet. De vordering tot toedeling van het appartementsrecht betreffende -- 11 aan [B] en het appartementsrecht betreffende -- 13 aan [A] en de daarmee samenhangende vordering tot ontruiming, wordt derhalve afgewezen.

4.12. De rechtbank acht voorts van belang dat de praktijkruimte volledig aansluit op de wijze waarop [B] zijn praktijk wil voortzetten na ontbinding van de maatschap, namelijk in een samenwerkingsverband met een andere tandarts. Nu dit ook de praktijkfilosofie van de maatschap was, kan aan de wens van [B] om daaraan vast te houden niet lichtvaardig voorbij worden gegaan.

4.13. De rechtbank acht voor haar beslissing omtrent de toedeling van het praktijkpand niet van belang of [A] de maatschap heeft opgezegd. Er geldt immers geen wettelijke of contractuele bepaling tussen partijen, die aan die opzegging het gevolg verbindt dat de opzeggende vennoot dient te vertrekken.

Vordering uit hoofde van overbedeling

4.14. Door de toedeling aan [B] van de appartementsrechten ter zake van de appartementen aan -- 11 en -- 13, ontstaat een vordering uit hoofde van overbedeling van [A] op [B]. Hierboven is reeds overwogen dat aan [A] een extra bedrag van € 55.000 bovenop de helft van de marktwaarde van het pand toekomt.

4.15. Tussen partijen staat vast dat de vrije verkoopwaarde van het praktijkpand tussen € 450.000 en € 460.000 ligt, zodat de rechtbank uit zal gaan van een vrije verkoopwaarde van € 455.000. De vordering van [A] op [B] uit hoofde van overbedeling zal derhalve

((€ 455.000 / 2) + € 55.000) € 282.500 bedragen.

Medewerken aan liquidatie

4.16. [A] vordert voorts veroordeling van [B] tot medewerking aan het liquideren van de maatschap op basis van een door de maatschapsaccountant op te stellen eindafrekening binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom. [B] heeft tegen deze vordering slechts verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde termijn en de daaraan verbonden dwangsom. De vordering tot veroordeling van [B] tot medewerking aan liquidatie van de maatschap op basis van een door de maatschapsaccountant op te stellen eindafrekening, is derhalve toewijsbaar. Zowel [A] als [B] heeft ter comparitie bevestigd te weten wie de maatschapsaccountant is en dat er geen noodzaak is om deze nader aan te duiden. Voor het opleggen van een termijn waarbinnen deze afrekening op straffe van een dwangsom dient plaats te vinden ziet de rechtbank geen aanleiding, mede nu de afrekening eerst zal plaatsvinden nadat de inventaris is verdeeld en de eindafrekening door de maatschapsaccountant is opgesteld.

Buitengerechtelijke kosten

4.17. Bij conclusie van antwoord heeft [B] verzocht de kosten van het rapport van het Bureau voor Bouwpathologie, € 4.310,--, ten laste van [A] te brengen. Bij gebreke van een daartoe strekkende reconventionele vordering, kan dit verzoek niet worden toegewezen.

Proceskosten

4.18. De proceskosten zullen worden gecompenseerd gezien de familiebetrekking tussen partijen.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

4.19. De rechtbank zal het vonnis, voor zover daarbij de appartementsrechten aan [B] worden toebedeeld, niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, nu [B] daarom niet heeft verzocht. Gezien de samenhang van deze toedeling met de eindafrekening tussen partijen, zal de rechtbank de veroordeling van [B] om aan die eindafrekening mee te werken evenmin uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. ontbindt de maatschap tussen [B] en [A] per datum van dit vonnis;

5.2. deelt de appartementsrechten ten aanzien van de appartementen aan het -- 13 en -- 11 te -- aan [B] toe, onder de verplichting voor [B] aan [A] een bedrag van € 282.500,-- (tweehondertweeentachtigduizendvijfhonderd euro) te betalen uit hoofde van de door deze toedeling ontstane overbedeling;

5.3. veroordeelt [B] tot medewerking aan de liquidatie van de maatschap op basis van een door de maatschapsaccountant op te stellen eindafrekening;

5.4. compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood-Wessels en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.?