Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN9763

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
07-10-2010
Zaaknummer
444635 - HA ZA 09-3835
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7259, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, onvoldoende toegelicht dat medisch dossier onjuistheden bevat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 444635 / HA ZA 09-3835

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. L.E.A. Gelderman,

tegen

1. de vereniging

Vereniging VU-Windesheim, onderdeel VU MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Amsterdam,

2. [B],

wonende te --,

gedaagden,

advocaat mr. J. Meyst- Michels.

Eiseres wordt hierna [A] genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als het VU en gedaagde sub 2 afzonderlijk als [B].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 november 2009, met bewijsstukken,

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 27 januari 2010, waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van partijen welke op 14 april 2010 heeft plaatsgevonden, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 4 juni 1999 heeft [A], geboren op 14 januari 1985, na een val van haar fiets haar linkerpols gebroken. Zij was toen dus 14 jaar oud. [A] is voor behandeling van haar pols overgebracht naar de afdeling Spoedeisende Eerste Hulp (hierna: SEH) van het VU waar haar pols conservatief is behandeld.

2.2. Op 16 juli 1999 is [A] ontslagen van behandeling.

2.3. Op 12 augustus 1999 heeft kinderchirurg [B] in een medische correspondentie het volgende - voor zover van belang - gemeld:

‘(..)

Op 16-7-1999 zagen wij uw patiënte (..) [A],(..) op ons spreekuur.

Patiënte had 4-6-1999 een distale radiusfractuur opgelopen, welke onder lokaal was gereponeerd.

Inmiddels bleek deze goed geconsolideerd te zijn en zij werd uit controle ontslagen. (..)’

2.4. Het medisch dossier van [A] heeft de volgende inhoud (voor zover hier van belang ) en voor de overzichtelijkheid A tot en met G genoemd:

A:

‘(..)

Eerste hulp

(..)

datum: 26-10-03 19:42:53

[C], Arts-assistent Heelkunde,

(..)

A/ Van de trap gevallen. Pijn in de nek+rug

Met onderrug tegen traptrede gevallen

(..)

C/ Contusie rug

B/ Nek normaal blijven bewegen (..)’

B:

‘(..)

Eerste hulp

(..)

datum: 28-02-04 20:29:58

[D] arts-assistent afdeling heelkunde (..)

Door ex-vriend geslagen met riem op hoofd.

(..)

nu duizelig: draaiduizelig + misselijk

+- ruim een uur geleden (..)

hoofdpijn mn tpv beide slapen + achterhoofd

(..)’

C:

‘(..)

Spoedeisende hulp

(..)

Klacht SEH bezoeker: RE ARM BEZEERD KAN HEM NIET BEWEGEN

Toelichting: VAN TRAP GEVALLEN

Datum, tijd (..) : 23-6-004, 12:37

(..)

Behandelend arts: [E]

(..)’

D:

‘(..)

Spoedeisende hulp

(..)

Klacht SEH bezoeker:Val van vaste trap van flat. Pijn linker enkel en linker knie.(..)’

(..)

Datum, tijd (..) : 22-11-2004, 17:52

[F], arts-assistent, orthopedie (..)’

E:

‘(..)

Spoedeisende hulp

Klacht SEH bezoeker: Buikpijn

Datum, tijd (..) 24-11-2005, 22:37:00

Opmerkingen

pt weigert bloedonderzoek

(..)

sinds vandaag buikkramp

(..)

pt SEH verlaten

Wilde niet op uitslag wachten (..)’

F:

‘(..)

Spoedeisende hulp

Klacht SEH bezoeker: Rond 20/12 gevallen op straat, klacht II pols, arm, dig I II hand.

Toelichting Geweest bij HA post in dec. HA doch nu na werken zo pijnlijk, vertrouwt het niet.

Datum, tijd (..) 20-1-2007, 21:19

[G], arts-assistent Heelkunde (..)’

G:

‘(..)

Spoedeisende hulp

Klacht SEH bezoeker Spontaan / zwelling II arm.

Datum, tijd 22-7-2008, 22:54:00

[H], ajo orthopedie

(..)

+ 8 jr pols #

A Periodiek pijn (..)’

2.5. Op 10 november 2008 heeft arts-assistent [I], mede namens Prof. dr. [J], plastisch chirurg, het volgende in een medische correspondentie vermeld:

‘(..)

Concluderend hebben wij hier te maken met een mijns inziens al zeer lange tijd bestaande DRU instabiliteit, hoogst waarschijnlijk ten gevolge van een breuk met TFCC ruptuur welke destijds niet is behandeld.(..)’

2.6. Op 22 februari 2010 heeft [K], arts op de afdeling Plastische- Reconstructieve en Handchirurgie van het AMC, het volgende aan de (voormalig) advocaat van [A] gemeld:

‘(..)

Wij zagen patiënte op 31-08-2009 voor de eerste maal op onze polikliniek in verband met klachten van de linkerpols. Patiënte vertelde dat zij 10 jaar geleden haar linkerpols heeft gebroken, waarvoor zij zich wendde tot het VU (..).

(..)

Daar patiënte volgens eigens zeggen geen verdere traumata heeft doorgemaakt, (..), kan worden aangenomen dat deze klachten het rechtstreeks gevolg zijn van het trauma wat zij toendertijd heeft opgelopen. Of deze klachten hadden kunnen worden voorkomen is twijfelachtig. (..). Wel had na consolidatie, dus enkele dagen dan wel weken na het afnemen van het gips, dit getest kunnen worden en wellicht was eerder ingrijpen dan een optie. Daarbij moet worden opgemerkt dat de reconstructiemethode die bij patiënte wordt overwogen pas in 2002 echt bekend werd. (..)’

3. Het geschil

3.1. [A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. een verklaring voor recht dat de na 4 juni 1999 opgetreden schade en/of functieverlies van [A] rechtens een gevolg is van de op 4 juni 1999 en nadien door het VU en/of [B] gemaakte medische fouten en/of toerekenbare tekortkomingen;

II. het VU en/of [B], althans gedaagden hoofdelijk, te veroordelen om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te betalen een redelijk bedrag aan schadeloosstelling met betrekking tot door [A] geleden en te lijden schade materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

III. het VU en/of [B], althans gedaagden hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2. [A] stelt daartoe dat zij op 4 juni 1999 een breuk aan haar linkerpols heeft opgelopen waarvoor zij op de SEH-afdeling van het VU is behandeld. Nadat de behandeling van haar pols was beëindigd, hielden de klachten aan haar linkerpols echter aan. [A] heeft zich daarom diverse keren met pijnklachten aan haar linkerpols bij dezelfde SEH-afdeling van het VU gemeld. Volgens [A] heeft het VU op 4 juni 1999 dan wel tijdens één van haar latere bezoeken aan de SEH-afdeling niet medisch adequaat gereageerd op de door haar genoemde klachten. Het VU heeft nagelaten een nader onderzoek naar de linkerpols te verrichten terwijl zij dat, gelet op de klachten die [A] aan de artsen meldde, wel had moeten doen. Door het nalatig handelen van het VU op 4 juni 1999 of daarna heeft [A] blijvend letstel aan haar linkerpols opgelopen als gevolg waarvan zij dagelijks klachten en beperkingen ondervindt. [A] stelt ernstige pijnklachten in haar gehele linkerarm te hebben met uitstraling tot aan de vingertoppen en vanwege de compenserende houding heeft zij ook in toenemende mate last van haar rechterschouder. Ook heeft zij last van vermoeidheid en ochtendstijfheid in de onderrug. Hierdoor lijdt [A] materiële en immateriële schade waarvan zij van het VU vergoeding vordert.

3.3. Het VU betwist de vordering van [A] en voert aan dat [A] niets heeft gesteld waaruit onzorgvuldig dan wel onjuist medisch handelen van het VU in het onderhavige geval blijkt. Volgens het VU is de polsfractuur volgens de toen geldende professionele standaard behandeld en zijn zowel aan het begin als aan het einde van de behandeling röntgenfoto’s gemaakt waaruit bleek dat de pols goed genezen was. Daarna heeft [A] zich volgens het VU wel meerdere keren bij de SEH gemeld, maar niet in verband met pijnklachten aan de linkerpols.

4. De beoordeling

Medisch handelen op 4 juni 1999

4.1. De rechtbank is van oordeel dat [A] tegenover de betwisting van het VU geen, althans onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit kan volgen dat het VU op 4 juni 1999 onjuist medisch heeft gehandeld. De enkele stelling dat zij thans nog klachten heeft aan haar linkerpols is daartoe onvoldoende. De aanwezigheid van klachten aan de linkerpols leidt immers niet automatisch tot de gevolgtrekking dat die klachten dus zijn veroorzaakt door onjuist medisch handelen op 4 juni 1999. Ook in de brief van dr. [K] (2.6) vindt de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van [A]. Uit deze brief volgt immers eveneens dat ook bij juist medisch handelen de kans op het ontstaan van restklachten bestaat. De enkele aanwezigheid van klachten zijn dus niet per definitie een aanwijzing dat op 4 juni 1999 onjuist medisch is gehandeld. De brief van dr. [I] (2.5) legt evenmin voldoende gewicht in de schaal. De aanname van dr. [I] in die brief dat de klachten van [A] aan haar linkerpols ‘hoogstwaarschijnlijk’ het gevolg zijn van een breuk met TFCC ruptuur die “destijds” niet is behandeld, gaat uit van de veronderstelling dat geen andere oorzaken voor de klachten aanwezig zijn dan het fietsongeval en de daarop volgende behandeling in 1999. Daarmee wordt er echter aan voorbij gegaan dat volgens het VU ook andere traumata met betrekking tot de linkerpols zijn doorgemaakt, hetgeen tussen partijen, zoals hierna blijkt, in debat is. De enkele stelling van [A] dat het VU onjuist medisch moet hebben gehandeld op 4 juni 1999 omdat zij thans nog klachten heeft aan de linkerpols noopt niet tot het verrichten van een nader onderzoek naar het medisch handelen van het VU op

4 juni 1999.

Medisch handelen na 4 juni 1999

4.2. Ten aanzien van de stelling van [A] dat het VU (ook) tijdens één van haar latere bezoeken, die zij in verband met pijnklachten aan haar linkerpols aan het VU heeft gebracht, niet adequaat heeft gereageerd, voert het VU het volgende verweer. Het VU erkent dat [A] zich na haar ontslag op 16 juli 1999 diverse keren bij de SEH-afdeling van het ziekenhuis heeft gemeld. Het VU betwist echter dat [A] bij die bezoeken steeds klachten heeft geuit over haar linkerpols. Blijkens het medisch dossier van [A] heeft zij zich zowel op 26 oktober 2003 als op 23 juni 2004 op de spoedeisende hulp gemeld na de val van een trap waarbij [A] uitsluitend melding heeft gemaakt van andere klachten dan klachten aan haar linkerpols. Verder heeft [A] zich op 28 februari 2004 bij het VU gemeld met pijn aan haar hoofd na een mishandeling en op 24 november 2005 met buikklachten. [A] heeft zich uitsluitend op 20 januari 2007 bij het VU gemeld met klachten aan haar linkerpols. Blijkens het medische dossier heeft [A] daarbij echter gemeld dat die klachten zijn ontstaan na een val op straat op 20 december 2006.

4.3. Als reactie op dit verweer heeft [A] op de comparitie het volgende verklaard. Volgens [A] kloppen de gegevens uit haar medisch dossier, waarop het VU zich beroept, niet. Volgens [A] heeft zij zich in 2002, 2003 en 2004 met klachten aan haar linkerpols bij het VU gemeld. Het VU heeft dat volgens [A] ten onrechte niet in haar dossier genoteerd. Daarnaast staan er, volgens [A], in haar medisch dossier pertinente onjuistheden aangezien zij nimmer met buikklachten of met klachten na de val van een trap bij de SEH-afdeling van het VU is geweest. [A] erkent dat zij op 20 januari 2007 naar het VU is gegaan, maar betwist dat dit naar aanleiding van een val op 20 december 2006 is geweest, zoals het VU in haar medisch dossier heeft genoteerd.

4.4. Het verweer van het VU dat de bezoeken van [A] aan de SEH niet in verband stonden met pijnklachten aan de linkerpols is door het VU met het overleggen van de medische gegevens van [A], naar het oordeel van de rechtbank, voldoende concreet onderbouwd. Uit deze gegevens, zoals die onder 2.4 A tot en met G zijn opgenomen, blijkt immers wanneer, voor welke klachten en door welke arts [A] is onderzocht. Tegenover deze concrete, aan de hand van het medisch dossier onderbouwde stellingen van het VU staat de enkele stelling van [A] dat zij zich in 2002, 2003 en 2004 op de SEH-afdeling heeft gemeld met pijnklachten aan haar linkerpols . Deze stelling, die niet is te verenigen met de inhoud van het medisch dossier, heeft [A] op geen enkele wijze onderbouwd. Dit geldt eveneens voor haar betwisting dat een val van 20 december 2006 aanleiding was voor haar bezoek aan het VU op 20 januari 2007. Aan het door [A] gedane bewijsaanbod gaat de rechtbank dan ook voorbij . Daarbij wordt overwogen dat [A] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in haar medisch dossier niet de werkelijke redenen van haar bezoeken aan het VU zijn vermeld en er dat er daarnaast pertinente onjuistheden door het VU in haar medisch dossier zijn genoteerd. Hieruit volgt dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de gegevens zoals die uit het medisch dossier van [A] blijken. Nu er dus niet van uit kan worden gegaan dat [A] zich na 4 juni 1999 met pijnklachten aan de linkerpols bij het VU heeft gemeld, wordt aan de beantwoording van de vraag of het VU na 4 juni 1999 ten aanzien van die klachten medisch foutief heeft gehandeld niet toegekomen.

4.5. De slotsom is dat de vordering van [A] wordt afgewezen.

4.6. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het VU worden begroot op:

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van het VU tot op heden begroot op EUR 1.166,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.