Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN9617

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
1130120 DX EXPL 10-71
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease-overeenkomst; artikel 1:88 BW; verjaring; en/of-rekening; bewijsvermoeden; stelplicht en tegenbewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

zaak- en rolnummer: 1130120 DX EXPL 10-71

vonnis van: 13 oktober 2010

f.no.: 718

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

nader te noemen: [eiser],

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. H. Verbeek.

De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 15 februari 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in voorwaardelijke reconventie van Dexia, met producties;

- het tussenvonnis van 14 april 2010 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie tevens getuigenverhoor van 26 juli 2010, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

2. De feiten

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., alsmede van Legio-Lease B.V. (hierna: Labouchere of Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2. Tussen [eiser] en Dexia zijn drie effectenlease-overeenkomsten tot stand gekomen met de contractnummers 57008920, 57180729 en 76087335, hierna te noemen: de lease-overeenkomsten.

2.3. Voor de totstandkoming van deze lease-overeenkomsten heeft de echtgenote van [eiser], [echtgenote eiser] (hierna: [echtgenote eiser]), geen (schriftelijke) toestemming verleend.

2.4. Bij brief van 9 november 2004 (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [echtgenote eiser] van [eiser] met een beroep op artikel 1:89 BW de lease-overeenkomsten vernietigd en gevorderd dat Dexia al hetgeen ingevolge de lease-overeenkomsten is betaald binnen zeven dagen als onverschuldigd betaald terug te betalen.

3. Vorderingen in conventie

3.1. [eiser] heeft vorderingen ingesteld als vermeld in de dagvaarding, waaronder de vordering dat bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt verklaard voor recht dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd, dat Dexia wordt veroordeeld tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de lease-overeenkomsten is betaald, vermeerderd met de wettelijke rente, en voorts dat Dexia de registratie van [eiser] bij het Bureau Krediet Registratie te Tiel (BKR) ongedaan laat maken, zulks op straffe van een dwangsom.

3.2. Aan de vorderingen wordt ten grondslag gelegd, voor zover voor de beoordeling van belang, dat de lease-overeenkomsten moeten worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming van [echtgenote eiser] behoefden ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat deze (schriftelijke) toestemming ontbreekt zijn de lease-overeenkomsten rechtsgeldig vernietigd.

4. Standpunten Dexia

4.1. Dexia voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen. Voor zover relevant zal dat hierna aan de orde komen.

5. Voorwaardelijke reconventie

5.1. Indien en voor zover Dexia een vordering op [eiser] heeft die verband houdt met of voortvloeit uit de overeenkomsten 57180729 en 76087335, vordert Dexia [eiser] te veroordelen tot betaling van die open post, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 dagen na de eindafrekening tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling in de proceskosten.

5.2. [eiser] voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen in voorwaardelijke reconventie.

6. De beoordeling

In conventie en in voorwaardelijke reconventie

Huurkoop en artikel 1:88/1:89 BW

6.1. Ingevolge de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) en 9 juli 2010 (LJN BM3868) worden de lease-overeenkomsten aangemerkt als huurkoop.

6.2. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomsten van toepassing is, zodat [eiser] voor het aangaan van de lease-overeenkomsten de toestemming van [echtgenote eiser] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). Aangezien deze schriftelijke toestemming ontbreekt, had [echtgenote eiser] de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

6.3. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De kantonrechter stelt voorop dat de verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar is. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [echtgenote eiser] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomsten.

6.4. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

6.5. Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia allereerst aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Deze stelling is echter naar het oordeel van de kantonrechter in haar algemeenheid onvoldoende om bekendheid van [echtgenote eiser] met de lease-overeenkomsten aan te nemen. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2009. Hetzelfde geldt voor de stellingen van Dexia die slechts berusten op aannamen van Dexia en niet op concrete aanknopingspunten in deze zaak.

6.6. Voorts heeft Dexia aangevoerd dat [eiser] alvorens de lease-overeenkomsten aan te gaan twee eerdere effectenlease-overeenkomsten heeft gesloten, waarop een positief resultaat van EUR 13.064,32 is behaald. Het is volgens Dexia niet aannemelijk dat [eiser] [echtgenote eiser] niet heeft geïnformeerd over deze contracten en het daarop behaalde positieve resultaat.

6.7. Dexia heeft verder aangevoerd dat ervan uit moet worden gegaan dat [eiser] en [echtgenote eiser] gezamenlijk hun belastingaangifte indienden en dat [echtgenote eiser] als gevolg daarvan kennis moet hebben genomen van de lease-overeenkomsten. Ook heeft Dexia gewezen op de hoeveelheid post van Dexia, die ook door [echtgenote eiser] niet onopgemerkt kan zijn gebleven.

6.8. Dexia heeft ten slotte - onweersproken - aangevoerd dat betalingen van de op grond van de lease-overeenkomsten verschuldigde bedragen hebben plaatsgevonden vanaf een en/of-rekening die op naam van [eiser] en de [echtgenote eiser] stond. Op diezelfde en/of-rekening is tevens 20 keer dividend uitbetaald. Daaruit volgt volgens Dexia dat [echtgenote eiser] op de hoogte was van de lease-overeenkomsten, met ingang van de (oudste) ontvangstdatum van de bankafschriften waarop voornoemde betalingen staan vermeld.

6.9. [eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze stellingen van Dexia en heeft (onder meer) aangevoerd dat [echtgenote eiser] geen bemoeienis had met de financiële administratie van het gezin en geen kennis nam van de bankafschriften van de en/of-rekening.

6.10. Het is inmiddels vaste rechtspraak van deze rechtbank dat het vaststaande feit dat betalingen ingevolge een lease-overeenkomst van een en/of-rekening zijn geschied voorshands, dat wil zeggen behoudens tegenbewijs, de gevolgtrekking wettigt dat de eega door middel van raadpleging van het oudste (mede) aan hem of haar geadresseerde bankafschrift kennis heeft genomen van het bestaan van die lease-overeenkomst. Ook in het onderhavige geval is voornoemd (bewijs)vermoeden aangenomen, nu immers is erkend dat betalingen inzake de lease-overeenkomsten hebben plaatsgevonden vanaf de en/of rekening. [eiser] is reeds in de gelegenheid gesteld om tegen dit vermoeden tegenbewijs te leveren.

6.11. Het hof Amsterdam heeft in een recente reeks van arresten, waaronder die van 27 april 2010 (LJN BM6734 en BM6736) zich uitgelaten over de gevolgen van het bestaan van een en/of-rekening. Het hof heeft - kort gezegd - geoordeeld dat het bestaan van een en/of-rekening de gevolgtrekking wettigt dat de eega met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop een betaling ter zake van de desbetreffende lease-overeenkomst is vermeld, met het bestaan van die overeenkomst bekend was. De enkele stellingen, zoals ook door [eiser] ingenomen, dat de eega geen kennis heeft genomen van de bankafschriften en dat zij zich niet met de financiën bemoeide en eerst op een latere datum van de lease-overeenkomst op de hoogte is gesteld/gekomen, gelden niet als afdoende betwisting van het verjaringsberoep, nu de afschriften immers mede aan de eega waren gericht, aldus het hof.

6.12. De kantonrechter overweegt als volgt. De regels van het burgerlijk procesrecht brengen mee dat de vraag of partijen hun stellingen afdoende hebben gemotiveerd door de rechter pas kan worden beoordeeld als partijen daartoe alle wettelijke mogelijkheden zijn geboden. Dat betekent dat ofwel een comparitie na antwoord moet hebben plaatsgehad (artikel 131 Rv), ofwel gelegenheid moet zijn gegeven voor re- en dupliek (artikel 132 Rv).

6.13. In zaken als de onderhavige doet zich de bijzondere omstandigheid voor dat de eventueel te horen getuigen telkens de afnemer en zijn of haar eega zijn. Het is de ervaring van deze rechtbank dat zaken als de onderhavige het meest doelmatig en efficiënt kunnen worden afgedaan door een comparitie te laten plaatsvinden, direct gevolgd door een getuigenverhoor. De ervaring van deze rechtbank is voorts dat de waarheidsvinding het beste wordt gediend wanneer tijdens de betreffende zitting zo snel mogelijk tot het getuigenverhoor wordt overgegaan. Immers, dan hoeft er geen, althans in mindere mate rekening mee te worden houden dat de verklaringen van de getuigen zouden kunnen zijn beïnvloed door hetgeen in de comparitiefase ter sprake is gekomen. Deze werkwijze laat de mogelijkheid open dat door partijen ingenomen stellingen pas in de enquête tot volle wasdom komen.

6.14. Hoewel [eiser] tot aan de comparitie niet wezenlijk meer heeft gesteld dan in voornoemde hof-jurisprudentie het geval was, heeft de kantonrechter om de onder 6.11. genoemde redenen reeds ter comparitie [eiser] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs bij te brengen door het doen horen van hemzelf en [echtgenote eiser]. Naar het oordeel van de kantonrechter laat de genoemde hof-jurisprudentie ruimte voor deze werkwijze. De kantonrechter tekent daarbij aan dat het hem ingevolge artikel 166 lid 1 Rv vrijstaat om (ook) ambtshalve een getuigenverhoor te bevelen.

6.15. [eiser] heeft in het kader van het door hem te leveren tegenbewijs zichzelf en [echtgenote eiser] als getuigen laten horen. Zij hebben - voor zover relevant - het volgende verklaard. [eiser] heeft altijd de financiën beheerd. [eiser] doet de boodschappen. Zij kreeg tot voor kort huishoudgeld in contanten van haar man en pinde nooit. Pas sinds anderhalf jaar maakt [echtgenote eiser] gebruik van een pinpas die gekoppeld is aan de en/of-rekening. De reden dat de rekening van [eiser] “en/of” te naam is gesteld, is dat [eiser] in 1971 een zwaar ongeluk heeft gehad en dat [echtgenote eiser] op deze manier toegang had tot de rekening van haar man terwijl hij in het ziekenhuis lag. [eiser] heeft zijn vrouw aanvankelijk niet verteld over de door hem gesloten lease-overeenkomsten. Zij praten nooit over geld. Van de contracten die wel met winst zijn geëindigd heeft [eiser] zijn vrouw dus ook niet verteld. De doelstelling van [eiser] was om de opbrengst van de contracten aan te wenden voor hun 40- of 45 jarige huwelijk, alsmede om de kosten van een aangepaste auto en onderhoudskosten voor het huis te kunnen betalen. In juni 2002 heeft [eiser] [echtgenote eiser] geïnformeerd over de lease-overeenkomst. Zij waren toen op vakantie in Drenthe. Toen zij in de auto zaten belde een van hun zoons [eiser] om te praten over de lease-overeenkomsten en dat Dexia in het nieuws was geweest. Toen realiseerde [eiser] zich voor het eerst dat hij een lening was aangegaan. Dit was aanleiding voor [eiser] om [echtgenote eiser] op de hoogte te stellen van de lease-overeenkomsten. De zoon van [eiser] en [echtgenote eiser] deed de belastingaangifte voor [eiser]. [echtgenote eiser] bemoeide zich daar niet mee. [echtgenote eiser] heeft post van Dexia niet opgemerkt. Zij legde de post voor haar man apart en keek deze niet door.

6.16. De kantonrechter overweegt dat de getuigen eenduidig en consistent hebben verklaard en dat er geen aanleiding bestaat om aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen te twijfelen. Uit de inhoud van de getuigenverklaringen volgt dat [eiser] erin is geslaagd het onder 6.10. genoemde bewijsvermoeden te ontzenuwen. Beide getuigen hebben immers - onder ede - verklaard dat [eiser] zijn vrouw niet van het sluiten van de lease-overeenkomsten op de hoogte heeft gesteld en voorts dat [echtgenote eiser] zich niet met de financiën bemoeide en geen inzage had in de afschriften. In dit verband acht de kantonrechter voorts van belang dat [echtgenote eiser] tot voor kort niet zelf niet pinde van de en/of-rekening (zij kreeg huishoudgeld in contanten), zodat er uit dien hoofde geen aanleiding voor haar was om de afschriften te controleren. De getuigen hebben voorts eenduidig verklaard over het moment waarop [eiser] zijn vrouw heeft geïnformeerd over de lease-overeenkomsten en de aanleiding daartoe, te weten de vakantie in Drenthe in 2002 en het telefoontje van de zoon. Verder hebben de getuigen verklaard dat hun zoon de belastingaangifte deed en dat [echtgenote eiser] zich daar niet mee bemoeide en dat [echtgenote eiser] geen kennis heeft genomen van post van Dexia. Ook uit dien hoofde kan dus geen (eerdere) bekendheid van [echtgenote eiser] met de lease-overeenkomsten worden afgeleid.

6.17. Nu het bewijsvermoeden is ontzenuwd en het verjaringsberoep van Dexia derhalve dient te worden verworpen, moet er van worden uitgegaan dat de lease-overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en dienen alle betalingen aan Dexia op grond van de lease-overeenkomsten te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [eiser] op grond van die overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden. Op grond van de lease-overeenkomsten is in totaal € 27.657,76 aan termijnen aan Dexia betaald waarop een bedrag van € 1.976,19 voor ontvangen dividenden en andere uitkeringen in mindering dient te worden gebracht zodat per saldo een bedrag van € 25.681,57 dient te worden gerestitueerd.

Wettelijke rente

6.18. De in de vernietigingsbrief genoemde betalingstermijn is zeven dagen. Nu Dexia onweersproken heeft aangevoerd dat zij de vernietigingsbrief op 16 november 2004 heeft ontvangen, is Dexia vanaf 23 november 2004 wettelijke rente verschuldigd.

BKR-registratie

6.19. Nu Dexia onweersproken heeft gesteld dat er ten aanzien van de lease-overeenkomsten geen registratie bestaat wordt de vordering met betrekking tot de BKR-registratie afgewezen wegens gebrek aan belang.

Overige stellingen

6.20. Gelet op het voorgaande heeft [eiser] geen belang meer bij (eventuele) andere vorderingen. Uit het voorgaande volgt tevens dat de door Dexia voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen. De overige stellingen van partijen in conventie en in voorwaardelijke reconventie behoeven geen behandeling meer.

Proceskosten

6.21. Gelet op de uitslag van de procedure in conventie en in voorwaardelijke reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in voorwaardelijke reconventie. De kosten in voorwaardelijke reconventie zullen op nihil worden begroot nu het debat in voorwaardelijke reconventie nagenoeg geheel samenvalt met dat in conventie.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

I. verklaart voor recht dat de lease-overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd;

II. veroordeelt Dexia aan [eiser] te betalen € 25.681,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal van de voor 23 november 2004 aan Dexia gedane betalingen verminderd met het totaal van de voor die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, vanaf 23 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over elke na 23 november 2004 aan Dexia verrichte betaling vanaf het moment van betaling, verminderd met de wettelijke rente over de na die datum van Dexia ontvangen uitkeringen vanaf het moment van ontvangst, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van de [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 208,00

- voor exploot van dagvaarding € 85,98

- voor salaris van gemachtigde € 800,00

totaal: € 1.093,98

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde.

In voorwaardelijke reconventie:

VI. wijst de vorderingen af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. H.C. Bijleveld, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter