Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
13/706628-10 RK nummer: 10/4682
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Italië. Het EAB ziet erop dat de opgeëiste persoon door de Italiaanse justitie verdacht wordt van – kort gezegd – het deelnemen aan een internationale organisatie die zich in de periode december 2004 tot september 2008 bezig hield met de invoer en handel in verdovende middelen, en poging tot invoer van grote hoeveelheden verdovende middelen. De overlevering wordt voor beide feiten toegestaan, maar slechts voor zover deze feiten zijn gepleegd in de jaren 2006 en 2007. De rechtbank overweegt dat bepaalde aanvullende informatie niet van de bevoegde autoriteit afkomstig is. Deze informatie is daarom niet meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706628-10 RK nummer: 10/4682

Datum uitspraak: 17 september 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juli 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 8 juli 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Nederlands Indië) op [geboortedatum] 1948,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Dordtse Poorten” te Dordrecht,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 3 augustus 2010 en 7 september 2010. Op de openbare zitting van 3 augustus 2010 is het onderzoek aangehouden tot 7 september 2010, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het EAB te completeren.

Op de zitting van 3 augustus 2010 heeft de rechtbank de termijn, genoemd in artikel 22, eerste lid, van de OLW, met toepassing van artikel 22, derde lid, van de OLW, verlengd met dertig dagen. Deze verlenging is noodzakelijk, omdat het de rechtbank door het tijdstip waarop de zaak ter behandeling is aangebracht, onmogelijk is gebleken binnen de termijn van zestig dagen uitspraak te doen.

Ter zitting zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en diens raadsman, mr. P.W. Hermens, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Op bovengenoemde zittingen is naast het EAB van 8 juli 2010 ook een ouder EAB behandeld, uitgevaardigd op 15 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria, Italië. De bijbehorende vordering van de officier van justitie dateert van 23 juni 2010.

Waar hierna wordt gesproken over het eerste EAB wordt bedoeld het EAB van 15 juni 2010.

Waar hierna wordt gesproken over het EAB of over het tweede EAB, wordt bedoeld het onderhavige EAB van 8 juli 2010.

Aan het eerste EAB ligt ten grondslag een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 14 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria. Gebleken is dat dit bevel is opgevolgd door een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 28 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels (Italië). De reden hiervan is dat de rechter-commissaris bij de rechtbank van Reggio Calabria zich territoriaal onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht, omdat de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels bevoegd is ten aanzien van deze feiten.

Het aan het eerste EAB ten grondslag liggende bevel tot voorlopige hechtenis is aldus opgevolgd door een nieuw bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door een andere rechterlijke instantie, terwijl de rechterlijke instantie die zowel het eerste bevel als het eerste EAB heeft uitgevaardigd, zichzelf onbevoegd heeft verklaard ten aanzien van de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

Deze omstandigheid heeft bij de beoordeling van het eerste EAB geleid tot de beslissing dat de officier van justitie, bij gebrek aan belang, niet kan worden ontvangen in haar vordering tot het in behandeling nemen van het eerste EAB. De uitspraak in die zaak, met parketnummer 13/706513-10, wordt eveneens vandaag gedaan.

Op 28 juli 2010, kort voor de zitting van 3 augustus 2010, heeft de officier van justitie een vordering ingesteld met betrekking tot het tweede EAB (dat in de nu voorliggende uitspraak wordt beoordeeld).

Ten aanzien van het tweede EAB bevindt zich de volgende aanvullende informatie in het dossier:

- een schriftelijk stuk met de titel “supplementary information (Art. 95.2)”, ondertekend op 8 juli 2010 door rechter-commissaris mr. Egle Pilla, de uitvaardigende rechter-commissaris te Napels (blijkens de faxverzendregel in de Italiaanse versie gezamenlijk met het tweede EAB verzonden);

- een fax d.d. 30 juli 2010 van L. Frunzio, de Directeur Generaal van het Ministerie van Justitie te Rome (Italië);

- een fax van 3 augustus 2010 van L. Frunzio, de Directeur Generaal van het Ministerie van Justitie te Rome (Italië) met daarbij de volgende bijlagen:

o een brief van U. Lucarelli, rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, gedateerd 2 juli 2010;

o een brief van F. Neri van het Algemeen Openbaar Ministerie Reggio Calabria, gedateerd 30 juli 2010;

o een brief van A. Milita van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 29 juli 2010;

- een brief van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC), gedateerd 16 augustus 2010 aan het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels;

- een brief van A. Milita van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels, gedateerd 27 augustus 2010.

De rechtbank beschouwt de datum van de brief van U. Lucarelli – 2 juli 2010 – als een kennelijke verschrijving. In deze brief wordt immers gerefereerd aan een fax van 30 juli 2010 en aan het op 8 juli 2010 uitgevaardigde EAB. De rechtbank gaat ervan uit dat de brief dateert van 2 augustus 2010, althans van een datum ná 30 juli 2010.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

2.1 Grondslag

Aan het EAB ligt ten grondslag een bevel tot voorlopige hechtenis, uitgevaardigd op 28 juni 2010 door de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels.

2.2 Genoegzaamheid van de stukken

2.2.1 Welke stukken staan ter beoordeling?

Voor de beantwoording van de vraag of de stukken in onderhavig dossier genoegzaam zijn, zal eerst bepaald moeten worden met welke door de Italiaanse autoriteiten verstrekte informatie rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van onderhavig EAB. (zijnde het tweede EAB).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle informatie die naar aanleiding van het eerste EAB is verstrekt, ook op het tweede EAB betrokken dient te worden.

De verdediging heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen dit standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat de overleveringsprocedure zich – in tegenstelling tot de vóór het KEAB en de Overleveringswet geldende uitleveringsprocedures tussen lidstaten – kenmerkt als een sterk vereenvoudigde procedure ter bevordering van een vruchtbare strafrechtelijke samenwerking tussen de lidstaten. Vanwege de verschillende strafrechtssystemen van de lidstaten is hierbij als uitgangspunt gekozen voor een uniform en verplicht instrument: het EAB. Deze uniforme bevelen worden uitgevaardigd volgens het model dat als bijlage bij het KEAB (en de OLW) is gevoegd. Het geldende vertrouwensbeginsel brengt voorts mee dat in beginsel moet worden vertrouwd op de juistheid van de inhoud van het EAB.

Omdat aldus sprake is van een relatief eenvoudige procedure, waarbij in beginsel vertrouwd moet worden op de juistheid van de inhoud van het EAB, is het van groot belang dat een uitvaardigende justitiële instantie, aan de hand van het uniforme en verplichte model, zorg draagt voor een genoegzaam EAB.

Zoals ter terechtzitting van 3 augustus 2010 al is geconstateerd (met de officier van justitie en de verdediging), bevat het tweede EAB als zodanig hiaten en onduidelijkheden. De rechtbank heeft toen - de specifieke omstandigheden die tot dat moment waren gebleken in aanmerking nemende - de gelegenheid geboden om het EAB te completeren of verbeteren.

Het voorlopige oordeel van de rechtbank ter terechtzitting van 3 augustus 2010 luidde als volgt.

Gelet op geschetste gang van zaken en de aanwezige stukken, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank vooralsnog van oordeel dat alle gegevens uit het eerste EAB kunnen worden meegenomen en dat vooralsnog moet worden geoordeeld dat de tweede EAB’s uit Napels in behandeling kunnen worden genomen.

Het voorlopige oordeel dat “alle gegevens uit het eerste EAB kunnen worden meegenomen” handhaaft de rechtbank niet. Aldus wordt ook het standpunt van de officier van justitie dat alle informatie die naar aanleiding van het eerste EAB is verstrekt, ook op het tweede EAB betrokken dient te worden, niet gevolgd. Hierbij is het volgende van belang.

Ten aanzien van de opgeëiste persoon zijn twee EAB’s uitgevaardigd. Niet gebleken is dat een van deze twee EAB’s is ingetrokken. Als uitgangspunt geldt dus dat beide EAB’s afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. De beslissing in het eerste EAB is hiervoor onder 1. al besproken.

Het tweede EAB bevat, zoals reeds overwogen, hiaten en onduidelijkheden.

In haar standpunt dat het de bedoeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit is dat alle informatie die naar aanleiding van het eerste EAB is verstrekt, ook op het tweede EAB betrokken dient te worden, beroept de officier van justitie zich op de brief van 27 augustus 2010 van A. Milita officier van justitie van het Openbaar Ministerie bij de rechtbank van Napels. Deze brief is echter niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit, terwijl onvoldoende door de officier van justitie is gesteld en toegelicht dat het Napolitaanse openbaar ministerie in dit geval bevoegd is om het EAB aan te vullen. De informatie is ook niet verstuurd via de Italiaanse centrale autoriteit die is belast met de administratieve toezending en ontvangst van Europese aanhoudingsbevelen: het Ministerie van Justitie. Voorts is niet gebleken dat de aanvullende informatie van het Openbaar Ministerie te Napels is verstrekt met toestemming van de bevoegde uitvaardigende justitiële autoriteit.

De rechtbank weegt hierbij mee dat er in onderhavig geval een onduidelijke situatie is ontstaan door het uitvaardigen van twee EAB’s door verschillende justitiële autoriteiten ten aanzien van één opgeëiste persoon, terwijl het tweede EAB als zodanig essentiële informatie mist. Hierna heeft, zoals hiervoor reeds overwogen, een uitgebreide behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden, resulterend in de mogelijkheid voor de officier van justitie om de ontstane onduidelijkheden weg te (laten) nemen. In de gegeven omstandigheden, mede bezien in het licht van het hiervoor geschetste karakter van de overleveringsprocedure, kan de vereiste essentiële informatie alleen dan een rol spelen wanneer deze afkomstig is van de uitvaardigende justitiële autoriteit, dat wil zeggen van de rechter-commissaris van de rechtbank te Napels.

Nu dat niet het geval is voor wat betreft de brief d.d. 27 augustus 2010 afkomstig van officier van justitie Milita, kan naar het oordeel van de rechtbank geen acht geslagen worden op de informatie in die brief.

Bij de beoordeling naar de genoegzaamheid van het EAB conform artikel 2 OLW houdt de rechtbank dus enkel rekening met

- de informatie zoals vermeld in het EAB;

- de informatie in het schriftelijk stuk met de titel “supplementary information (Art. 95.2)”, ondertekend op 8 juli 2010 door rechter-commissaris mr. Egle Pilla (de uitvaardigende rechter-commissaris te Napels), en

- de informatie uit de brief van rechter commissaris te Napels U. Lucarelli (per abuis gedateerd 2 juli 2010) (hierna: de brief van Lucarelli).

Deze laatste kan als rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels wel worden aangemerkt als een vertegenwoordiger van de uitvaardigende justitiële autoriteit.

2.2.2 Feiten genoegzaam?

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Hoewel het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van drie strafbare feiten, blijkt uit de brief van U. Lucarelli, en uit de “supplementary information” dat het onderzoek het vermoeden betreft dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Italië strafbare feiten - kort gezegd het deelnemen aan een internationale organisatie die zich bezig houdt met de invoer en handel in verdovende middelen en poging tot invoer van grote hoeveelheden verdovende middelen.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de hiervoor onder 2.2.1 genoemde documenten. Van deze stukken zijn door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW en daarom ongenoegzaam is. Het EAB is onduidelijk ten aanzien van de feiten, de precieze data en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Het is voor de opgeëiste persoon niet duidelijk waarvoor Italië hem wil berechten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een EAB dient, gelet op artikel 2 van de OLW, gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd te bevatten, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. Bovendien zal die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel moeten kunnen waarborgen.

Uit de hiervoor onder 2.2.1 vermelde schriftelijke stukken leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon wordt verweten dat hij lid is van een criminele organisatie die in de periode van december 2004 tot september 2008 actief was in het opzetten van een stabiele internationale handel in verdovende middelen (in het bijzonder cocaïne), afkomstig uit Afrika en vooral uit Zuid Amerika en bestemd voor Italië, maar ook voor Nederland en Australië. De opgeëiste persoon wordt gezien als de aanzetter, leider, organisator en financier van de organisatie, samen met [naam 1], [naam 2] EN [naam 3].

Voorts is uit afgeluisterde telefoongesprekken naar voren gekomen dat door deze organisatie tussen het einde van 2006 en de eerste maanden van 2007 getracht is een hoeveelheid van circa 500 kilo cocaïne in te voeren in Italië en in Nederland, gebruikmakend van een vliegtuig dat de opgeëiste persoon tot zijn beschikking had.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de omschrijvingen van beide hiervoor genoemde feiten, waarvoor de overlevering wordt verzocht, aan de eisen van artikel 2 OLW. Immers, de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd zijn beschreven, met vermelding van onder meer de aard van de door de organisatie beoogde strafbare feiten, de pleegperiode, de pleegplaatsen en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de organisatie. Voorts is een nader gespecificeerd beoogd transport van verdovende middelen omschreven, met pleegperiode en pleegplaatsen, dat aan de criminele organisatie wordt toegeschreven. Ten slotte is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het nader gespecificeerde beoogde transport van verdovende middelen nader omschreven, te weten dat hij hiervoor een vliegtuig ter beschikking had gesteld.

Wat de pleegperiode betreft is de rechtbank echter van oordeel dat de ruime pleegperiode (december 2004 – september 2008) noch wordt ondersteund door de als concrete activiteit van de organisatie genoemde beoogde transport en invoer van 500 kg cocaïne (einde van 2006/eerste maanden van 2007) noch door andere verstrekte gegevens. De pleegperiode zal daarom worden beperkt tot de jaren 2006 en 2007.

Voor zover door de verdediging nog is betoogd dat onvoldoende duidelijk is waarop de Italiaanse uitvaardigende autoriteit de verdenking tegen de opgeëiste persoon baseert, overweegt de rechtbank dat die eis door artikel 2 OLW niet wordt gesteld. Het is ook vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt.

Voorts wordt overwogen dat de beschrijving van de feiten er bovendien niet toe dient om een onschuldbewering mogelijk te maken (Rb. Amsterdam 6 februari 2007, LJN AZ8761).

Het verweer wordt verworpen.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de gegevens in het EAB en de hiervoor onder 2.2.1 genoemde documenten heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de gegevens uit de brief van U. Lucarelli is op deze feiten naar het recht van Italië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie is gegeven.

De Directeur Generaal van het Ministerie van Justitie te Rome heeft bij fax van 30 juli 2010 de volgende garantie gegeven:

Wanneer de voorwaarde als bedoeld in artikel 5, derde lid, van het Kaderbesluit van de Raad van Europa nr. 2002/584/JBZ d.d. 13 juni 2002, door de Lidstaat die is belast met de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel wordt toegepast voor eigen onderdanen die aan de Italiaanse Staat worden overgeleverd, is dit bindend voor de Italiaanse gerechtelijke autoriteit.

Derhalve zal [opgeëiste persoon], wanneer de veroordeling onherroepelijk is, worden teruggezonden om de bij vonnis opgelegde gevangenisstraf in Nederland uit te zitten in overeenstemming met de Nederlandse wetgeving.

De verklaring van Italië met betrekking tot artikel 3, derde lid van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van veroordeelde personen verwijst niet naar het Europees Aanhoudingsbevel, dat wordt geregeld door het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie d.d. 13 juni 2002.

De voorwaarde als bedoeld in artikel 5 derde lid van het kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 wordt derhalve aanvaard hoewel (de rechtbank begrijpt: indien) de Nederlandse gerechtelijke autoriteit de procedure toepast als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van de veroordeelde persoon.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid van de Opiumwet.

en

Een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich of een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om naast de zogenaamde “dubbele terugkeergarantie”, een extra garantie in de uitspraak op te nemen dat Italië de opgeëiste persoon binnen drie maanden na een eventueel veroordelend onherroepelijk Italiaans vonnis in Nederland doet terugkeren. Het rechtsvormende en rechtsbeschermende karakter van deze kamer van de rechtbank, maakt het mogelijk dat een dergelijke drievoudige terugkeergarantie kan worden opgenomen in de uitspraak, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de OLW naast de dubbele terugkeergarantie geen mogelijkheid biedt om een derde garantie in de uitspraak op te nemen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de OLW geen mogelijkheid biedt om van de uitvaardigende justitiële autoriteit te eisen dat naast de dubbele terugkeergarantie van artikel 6 OLW een derde, niet in de wet genoemde garantie wordt gegeven met betrekking tot de termijn waarbinnen de opgeëiste persoon weer naar Nederland moet zijn teruggekeerd. Het verzoek wordt daarom gepasseerd.

6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 11

De raadsman betoogt dat de overlevering moet worden geweigerd op basis van de weigeringsgrond van artikel 11 OLW, omdat er, zakelijk weergegeven, sprake is van een concrete dreiging van een schending van artikel 6 en 3 EVRM en er een effective remedy ontbreekt.

Ter onderbouwing van zijn verweer heeft de raadsman aan de hand van statistieken betoogd dat een schending van de redelijke termijn niet alleen op de loer ligt, maar een gegeven is. Uit de overgelegde statistieken blijkt volgens de raadsman dat Italië een slechte reputatie heeft als het gaat om het schenden van de redelijke termijn zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Een andere concrete mensenrechtenschending dreigt vanwege het detentieregime waaronder de opgeëiste persoon waarschijnlijk zal vallen wanneer hij wordt overgeleverd, nu hij verdacht wordt van maffiagerelateerde misdrijven. Dat betekent dat het zogenaamde 41-bis regime van toepassing zal zijn, een regime waarvan het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment in een rapport d.d. 20 april 2010 heeft gezegd dat het al snel het verbod van artikel 3 EVRM, te weten het verbod op inhuman and degrading punishment, raakt.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de term “flagrant” buiten beschouwing dient te blijven nu het Kaderbesluit van 13 juni 2002 hier niets over bepaalt. Voorts kan van een effective remedy geen sprake zijn, nu Italië al vaak voor het schenden van de redelijke termijn is veroordeeld. De raadsman heeft ter illustratie nog een voorbeeld genoemd waarin Italië niet voldeed aan een klemmend verzoek van het Europese Hof om te wachten met uitlevering aan Tunesië in verband met een aanhangig kort geding ex artikel 39 EVRM, waarna het Comité van Ministers van de Raad van Europa via een interim-resolutie afkeurend heeft gereageerd op de handelwijze van Italië.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er, ondanks het uitvoerige verweer, geen feiten zijn gesteld die tot een concrete dreigende schending conform artikel 11 OLW leiden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op artikel 11 van de OLW slechts kan slagen indien het wordt gestaafd met concrete feiten en omstandigheden, op grond waarvan een gegrond vermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek tot overlevering van de opgeëiste persoon zal leiden tot een flagrante schending van zijn fundamentele rechten, zoals die worden gewaarborgd in het EVRM.

Ook wanneer – zoals door de raadsman gesteld – in plaats van het criterium “flagrante schending” enkel het criterium ”schending” moet worden toegepast, dan geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de door de raadsman gestelde schending onvoldoende onderbouwd is. Dat Italië relatief vaak door het Europese Hof wordt veroordeeld voor het schenden van de redelijke termijn zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, kan immers niet zonder meer leiden tot het oordeel dat in onderhavig geval de redelijke termijn zal worden geschonden. Ditzelfde geldt voor het gestelde detentieregime waar de opgeëiste persoon mogelijk mee te maken krijgt. Ondanks de beschrijving van dit regime en het kritische oordeel hierover van het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment, kan een en ander niet zonder meer leiden tot het oordeel dat een schending van de rechten van de opgeëiste persoon zoals neergelegd in artikel 3 EVRM zal plaatsvinden. Het verweer wordt verworpen.

Nu niet is gebleken dat sprake is van een gegrond vermoeden dat inwilliging van het verzoek tot overlevering zal leiden tot een schending van fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het verweer dat van een effective remedy geen sprake kan zijn.

7. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. Ingevolge het tweede lid van artikel 13 OLW dient echter op vordering van de officier van justitie van deze weigeringsgrond te worden afgezien, tenzij naar het oordeel van de rechtbank de officier van justitie niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond en heeft daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

- het betreft een langlopend onderzoek in Italië;

- er zitten al meerdere verdachten vast in Italië;

- het zwaartepunt van de organisatie en de voorbereidingshandelingen heeft in Italië gelegen.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Italiaanse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het eventuele bewijsmateriaal dat zich in Italië bevindt, voornamelijk lijkt te bestaan uit opgenomen telefoongesprekken en dus zonder veel moeite of hoge kosten naar Nederland kan worden overgebracht, terwijl er ook in Nederland bewijsmateriaal lijkt te zijn verzameld. De raadsman heeft betoogd dat een dreigende schending van de redelijke termijn en de dreigende zeer slechte detentieomstandigheden in Italië meegewogen moeten worden. Omdat de verdovende middelen waar de opgeëiste persoon bij betrokken zou zijn geweest, bestemd waren voor een andere dan de Italiaanse afzetmarkt, ligt het zwaartepunt van de schending van de rechtsorde bovendien niet in Italië, aldus de raadsman.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat zij niet in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de officier van justitie ter zitting van 3 augustus 2010 heeft verklaard dat er in Nederland geen onderzoek is verricht naar de opgeëiste persoon in het kader van een Nederlands opsporingsonderzoek, terwijl naar het oordeel van de rechtbank ook overigens uit het dossier niet is gebleken van een strafvervolging in Nederland. Hetgeen de verdediging verder heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, waarbij wordt opgemerkt dat de gestelde dreigende schending van de redelijke termijn en de gestelde slechte detentieomstandigeheden in Italië, geen omstandigheden zijn die de rechtbank bij haar marginale toetsing kan meewegen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8. Artikel 14 OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering geweigerd moet worden wegens een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel en dat de behandeling moet worden aangehouden voor nader onderzoek wanneer de overlevering op grond hiervan niet ontoelaatbaar wordt verklaard.

De raadsman verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar een uitspraak van overleveringskamer van 23 januari 2008, waarbij de opgeëiste persoon is overgeleverd aan Italië. Een Italiaanse rechter heeft vervolgens geoordeeld dat de Nederlandse overleveringskamer niet expliciet verboden heeft dat de opgeëiste persoon mocht worden veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het verweer van de verdediging dat in dit concrete geval een schending van het specialiteitsbeginsel dreigt, is op basis van de gestelde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden en wordt reeds om die reden verworpen.

Het verweer noopt ook niet tot nader onderzoek. De regeling inzake het EAB berust immers op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Hierin ligt besloten dat moet worden aangenomen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit zich houdt aan de specialiteitsbescherming, neergelegd in artikel 27 van het KEAB, en dat Italië de opgeëiste persoon, behoudens de in artikel 14 OLW genoemde uitzonderingen, niet zal vervolgen, berechten of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid zal beperken, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd. Voor nader onderzoek bestaat dan ook geen aanleiding.

9. Onschuldverweer

De raadsman betoogt dat voor de periode december 2004 tot en met 31 mei 2006 de overlevering moet worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon in die periode gedetineerd was. De raadsman beroept zich hierbij op een detentieoverzicht van het centraal archief te Ypenburg.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het verweer niet vast is komen te staan dat de opgeëiste persoon de feiten niet gepleegd kan hebben.

De rechtbank overweegt als volgt.

De periode waarvoor de overlevering wordt toegestaan is reeds beperkt tot de jaren 2006 en 2007. Het verweer is dus nog slechts gedeeltelijk relevant.

De rechtbank is van oordeel dat tijdens het verhoor ter zitting niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon de feiten onmogelijk gepleegd kan hebben, waarbij de rechtbank opmerkt dat fysieke aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij de verweten feiten niet noodzakelijk was. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering voor de periode tot 31 mei 2006.

10. Artikel 36 OLW

De raadsman verzoekt om in de uitspraak op te nemen dat de opgeëiste persoon niet zal worden overgeleverd zolang de in Nederland lopende strafzaken nog niet onherroepelijk zijn.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat artikel 36 OLW pas aan de orde komt nadat toestemming is verleend voor de overlevering. De rechtbank is aldus niet bevoegd zich te mengen in de voorwaarden voor de feitelijke overlevering.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank toetst in de onderhavige procedure uitsluitend de rechtmatigheid van het verzoek om overlevering. Indien de overlevering wordt toegestaan, behoort het traject van de feitelijke overlevering geheel tot de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Het verzoek kan daarom niet worden toegewezen.

11. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan, met dien verstande dat de overlevering slechts wordt toegestaan voor zover deze feiten zijn gepleegd in de jaren 2006 en 2007.

Voor de perioden december 2004 tot en met december 2005 en januari 2008 tot en met september 2008 zal de overlevering voor voornoemde feiten worden geweigerd.

12. Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 10a en 11a van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7, 11 en 13 van de Overleveringswet.

13. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië, ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, met dien verstande dat de overlevering slechts wordt toegestaan voor zover deze feiten zijn gepleegd in de jaren 2006 en 2007.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de rechter-commissaris bij de rechtbank van Napels, Italië, ten behoeve van het in Italië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, voor zover deze feiten zijn gepleegd in de perioden december 2004 tot en met december 2005 en januari 2008 tot en met september 2008.

Aldus gedaan door

mr. L. Biller, voorzitter,

mrs. C.W. Bianchi en B. van Berge Henegouwen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 september 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.