Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7864

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
13/845083-08 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen en uitvoeren van verdovende middelen met behulp van een drugskoerier. Voor het bewijs worden in het bijzonder de belastende tapgesprekken gebruikt. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/845083-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 28 juli 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in [geboorteplaats] (Kameroen) op [geboortedatum] 1968,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 december 2008, 19 januari 2009, 2 april 2009 en 14 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, advocaat in Utrecht, en de officier van justitie, mr. M.J. Dontje, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 april 2009, kort samengevat, het volgende ten laste gelegd:

- het witwassen van € 29.500,-;

- het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, onder meer 72 slikkersbollen door [naam 1];

- het voorbereiden en/of bevorderen van opiumdelicten,

De volledige weergave van de tenlastelegging is opgenomen in de dagvaarding (wat feit 1 betreft) en de wijziging tenlastelegging (wat feit 2 betreft). Zowel de dagvaarding als de wijziging tenlastelegging zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van het onder 2, eerste deel ten laste gelegde partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van het onderdeel 'onder meer'.

Dit verweer slaagt. De term onder meer houdt in dat verdachte van meer wordt beschuldigd dan alleen het in de tenlastelegging vermelde transport van [naam 1]. Dit geldt temeer daar de tenlastelegging een langere periode bestrijkt en ook inhoudt dat verdachte 'telkens' opzettelijk heeft gehandeld. Indien verdachte ook betrokkenheid bij andere transporten wordt verweten, ligt het in de rede daarvan in de tenlastelegging een nadere feitelijke omschrijving te geven. De verdediging voert in dit verband terecht aan dat het strafdossier een groot aantal mogelijk drugsgerelateerde incidenten bevat waaraan men op basis van het dossier het vermoeden zou kunnen ontlenen dat verdachte daarin enig aandeel heeft gehad. Niet duidelijk is echter welke incidenten verdachte concreet strafrechtelijk worden verweten. Daardoor is het voor de verdediging niet mogelijk daartegen gedegen verweer te voeren. De tenlastelegging zal dan ook nietig worden verklaard, maar alleen wat het gedeelte 'onder meer' betreft.

2.2. De rechtbank heeft voor het overige vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De feiten

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.i

3.1. Via het meldpunt ongebruikelijke transacties komen meldingen binnen bij de FIOD/ECD dat een man genaamd [naam 2] (hierna: [naam 2]) in Nederland meer dan een miljoen Zwitserse franken heeft omgewisseld in euro's. Omdat de opsporingsambtenaren het vermoeden hebben dat dit mogelijk verband houdt met de verdovende middelen, wordt een onderzoek gestart, waarbij uiteindelijk over een periode van enkele maanden diverse mobiele telefoons worden getapt.

3.2. Uit dit onderzoek blijkt dat ook een man genaamd [voornaam 1] bij de handel in verdovende middelen betrokken is. In een van de getapte telefoongesprekken deelt deze persoon mee dat zijn nieuwe nummer [06-nummer] is. Daarom wordt besloten ook van dat nummer gesprekken af te luisteren.ii

3.3. Daaruit komt naar voren dat met dat nummer onder meer de volgende gesprekken worden gevoerd.

3.3.1. Een uitgaand gesprek d.d. 15 juni 2008 omstreeks 20:27 uur, waarbij wordt gebeld met een NN die gebruik maakt van nr. [nr] (Noorwegen).iii

(..)

[voornaam 1]: 'Eigenlijk moest de persoon al hier aankomen toch?'

NN: 'Ja, maar hangt af van vervoer en hoe de reis is geregeld. Je weet dat hij de laatste keer lang onderweg is gebleven. Als hij daar aankomt, zal hij je bellen. Hij zal geen fout maken.'(..)

3.3.2. Een uitgaand gesprek d.d. 15 juni 2008 omstreeks 21:50 uur, waarbij wordt gebeld met een man genaamd [naam 3] die gebruik maakt van nummer [nr].iv

(..)

[voornaam 1]: 'Ik ben thuis. Hij is net aangekomen. Begrijp je me?'

(..)

[voornaam 1]: 'Je moet langskomen, zodat we morgen het ticket kunnen kopen voor hem. Je moet ook komen, zodat we één op één kunnen praten omdat we niets hadden onderhandeld. Begrijp je me?' (..)

3.3.3. Een uitgaand gesprek d.d. 16 juni 2008 omstreeks 20:16 uur, waarbij wordt gebeld met een NN die gebruik maakt van nummer [nr].v

[voornaam 1]: "[..] in Zweden?'

NN: 'Ja.'

3.3.4. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 01:14 uur, waarbij wordt gebeld met een man genaamd [naam 4] die gebruik maakt van nummer [nr].vi

'[naam 4] zegt dat hij het spul nog heeft die hij had vastgebonden, maar het was niet weggebracht. [voornaam 1] vraagt hoeveel heeft hij nog. [naam 4] zegt dat 50 over heeft en vraagt of [voornaam 1] dit wil ophalen. [voornaam 1] zegt oké. (..) [naam 4] vraagt wanneer de persoon zal vertrekken. [voornaam 1] zegt overmorgen.(..)'

3.3.5. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 09:21 uur, waarbij wordt gebeld met een man genaamd [voornaam 2] die gebruik maakt van nr. [nr].vii

(..)

[voornaam 2]: 'Er is het spul.' (..) 'De persoon vertelde dat de prijs 25 is. Moet ik het spul gaan controleren?'

[voornaam 1]: 'De prijs 25 is hoog.'

[voornaam 2]: 'De persoon zegt dat de kwaliteit goed is.'(..)

[voornaam 1]: 'Wil je de persoon vragen of hij kan verkopen voor 24,50.'

[voornaam 2]: 'Nee, nee.'(..)

[voornaam 1]: 'Ik heb iemand die de prijs van 24,50 wil verkopen. En de persoon geeft een garantie met de kwaliteit.'(..)

3.3.6. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 11:34 uur, waarbij wordt gebeld met [voornaam 2] die gebruik maakt van nr. [nr].viii

[voornaam 2] zegt dat hij de persoon had vertaald (de rechtbank begrijpt: verteld) dat [voornaam 1] één wil kopen. [voornaam 1] zegt dat hij tussen drie en vier wil kopen, omdat hij ergens het spul nog heeft.

3.3.7. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 12:45 uur, waarbij wordt gebeld met [voornaam 2] die gebruik maakt van nr. [nr].ix

(..)

[voornaam 2]: 'Heb je het ding zo snel mogelijk nodig?'

[voornaam 1]: 'Het gaat morgen gebeuren.' (..)

(..)

[voornaam 1]: 'De persoon zal morgen vertrekken.'

(..)

3.3.8. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 16:48 uur, waarbij wordt gebeld met [voornaam 2] die gebruik maakt van nr. [nr].x

(..)

[voornaam 2]: 'Het spul is van goede kwaliteit. Dit hoort bij de kwaliteit die je nodig hebt.'

[voornaam 1]: 'Het spul is de soort die ik gebruik toch?'

[voornaam 2]: 'Ja, alles is compleet.'

(..)

[voornaam 1]: 'Heeft de leverancier ook het mengen spul.'

[voornaam 2]: 'Nee, deze persoon verkoopt geen menging spul.'

(..)

[voornaam 1]: 'Heb je een blenderapparaat thuis en ook het materiaal om het spul te prepareren?'

[voornaam 2]: 'Ik heb alle materieel thuis.

[voornaam 1]: 'Oké. Als ik langskom, zal ik je het geld geven, zodat je het spul kan ophalen.'

[voornaam 2]: 'Hoeveel wil je kopen?'

[voornaam 1]: 'Ik wil het spul van drie.' (..) 'Om 7 uur ben ik klaar. En dan kom ik langs.'

3.3.9. Een inkomend gesprek d.d. 17 juni 2008 omstreeks 18:46 uur, waarbij wordt gebeld met NN man met nummer 47 - [nr] (Noorwegen).xi

(..)

[voornaam 1]: 'We hebben het ticket gekocht voor de jongen.'

(..)

NN: 'Zal de jongen vandaag of morgen vertrekken?'

[voornaam 1]: 'Die zal morgen vertrekken en overmorgen daar aankomen.'

NN: 'Oké.'

[voornaam 1]: 'Als die jongen aankomt, moet je hem het bedrag geven, zodat hij dit (..) kan meenemen.'

NN: 'Oké.'

[voornaam 1]: 'Ik wil dat die jongen naar ons land gaat om het spul op te halen.'

NN: 'Die jongen klaagt dat hij weinig verdient.' (..)

NN: 'Ik ben ook bezig om een andere persoon te leveren. Deze persoon heeft een papier om naar het land van [voornaam 3] te gaan.(..)

NN: 'Deze persoon kan 1,5 innemen.'

[voornaam 1]: 'Dat is wonder. Je moet alles doen om de persoon te laten komen.' (..)

3.3.10. Een inkomend gesprek d.d. 18 juni 2008 omstreeks 13:44 uur, waarbij wordt gebeld met NN man met nummer 47 - [nr] (Noorwegen).xii

(..)

NN: 'Zal de persoon nog vertrekken?

[voornaam 1]: 'Ja, hij is bezig om het ding in te nemen. Hij is bezig met het eten. Als hij klaar is met eten, zal hij vertrekken rond 4 uur.'

(..)

3.3.11. Een inkomend gesprek d.d. 18 juni 2008 omstreeks 21:04 uur, waarbij wordt gebeld met een NN met nummer 46 - [nr] (Zweden).xiii

NN vraagt of [naam 1] (fon.) was vertrokken. [voornaam 1] zegt ja. (..)

3.3.12. Een inkomend gesprek d.d. 18 juni 2008 omstreeks 21:05 uur, waarbij wordt gebeld met NN man met nummer 47 - [nr] (Noorwegen).xiv

(..)

[voornaam 1]: 'De persoon komt met het spul van 810.'

NN: 'Oké.'

[voornaam 1]: 'Hij heeft niet alles geslikt.'

(..)

3.4. Op 19 juni 2008 wordt omstreeks 12:25 uur bij de grens tussen Zweden en Noorwegen de slaapbus uit Göteborg gecontroleerd door de Noorse douane. Een van de passagiers in deze bus is een in Italië woonachtige Nigeriaan, genaamd [naam 1]. Deze [naam 1] wordt onderworpen aan een nadere controle. Een in dat kader uitgevoerde urinetest naar cocaïne levert een positief resultaat op.xv

3.5. Diezelfde dag vindt omstreeks 16:58 uur een (uitgaand) telefoongesprek plaats tussen het eerdergenoemde nummer [06-nr]xvi en een Noors telefoonnummer. Daarin zeggen de gesprekspartners onder meer het volgende.xvii

(..)

[voornaam 1]: 'Eigenlijk zou de jongen daar zijn.'

NN: 'Nu?'

[voornaam 1]: 'Ja.'

(..)

3.6. Niet lang daarna, omstreeks 18:11 uur, wordt [voornaam 1] gebeld door een NN met nummer [nr]. In dat gesprek wordt onder meer het volgende gezegd.xviii

(..)

NN: 'Hoe laat was de jongen gisteren vertrokken?'

[voornaam 1]: Rond vier uur.'

NN: 'Ja, vier uur 's middags. Hij was ger[naam 8].'

(..)

3.7. Op 20 juni 2008, omstreeks 1.20 uur wordt de eerder onder 3.4. genoemde [naam 1] aan CT onderzoek onderworpen in een Noors ziekenhuis. Om 3:00 uur laat de radioloog weten dat hij 72 vreemde lichamen/verpakkingen in het lichaam van [naam 1] heeft geteld.xix

3.8. Met telefoonnummer [06-nr] wordt diezelfde dag omstreeks 6:14 uur gebeld naar nummer [nr]. Daarin laat [voornaam 1] een onbekende man onder meer het volgende weten.

(..)

[voornaam 1]: 'We hebben sinds gisteren iets (de rechtbank begrijpt, gelet op de inhoud van het verdere gesprek dat hier bedoeld wordt: niets) gehoord van de jongen. Ik heb niet geslapen. Ik ben er helemaal kapot van. Ik weet niet of ik mijn zakenpartner nogmaals moet bellen, zodat we kunnen overleggen. Ik weet ook niet of ik dit (de rechtbank begrijpt: deze) telefoon moet uitzetten. Ik weet niet meer wat ik moet doen.' (..)

[voornaam 1]: 'Ik heb niets gehoord en hij zou gisteren daar aankomen. Hij was eergisteren vertrokken.'

(..)

[voornaam 1]: 'Ik wachtte al sinds gisteren het telefoontje van de jongen.' (..) 'Ik wil dat je langs komt, zodat we kunnen denken over de route die de jongen had gevolgd.' (..)

(..)

[voornaam 1]: 'Als hij had gereisd met een trein, zouden we op hem wachten dat hij misschien aankomt via een ander land, maar hij was gereisd met [naam 8] (fon).'(..)

(..)

[voornaam 1]: (..) 'De reis duurt niet meer dan twee dagen.'

(..)

[voornaam 1]: 'Je moet naar komen naar [adres].'

(..)

3.9. In de ontlasting van de in Noorwegen aangehouden verdachte [naam 1] worden in totaal 72 eivormige capsules aangetroffen.xx Laboratoriumonderzoek wijst uit dat alle capsules cocaïne bevatten.xxi

3.10. Op 8 september 2008 vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte op het adres [adres]. Daarbij treft het opsporingsteam niet alleen verdachte, maar ook een man genaamd [naam 7] in de woning aan.xxii Bij de doorzoeking wordt het volgende aangetroffen:

- een contant geldbedrag van in totaal € 20.500 in het nachtkastje van de slaapkamer;

- een tabel reistijden bus Göteborg;

- een contant geldbedrag van in totaal € 9.000,- in de berging;

- drie weegschaaltjes in de linker keukenlade.xxiii

Het geld wordt aangetroffen in coupures van € 500.xxiv

3.11. Op alle drie de weegschaaltjes worden bij laboratoriumonderzoek sporen van cocaïne, fenacetine en - al dan niet in lagere concentraties - coffeïne en paracetamol aangetroffen.xxv

3.12. Op een bij busmaatschappij Eurolines Nederland opgevraagde passagierslijst staat onder andere het volgende.

(..)

Rotterdam / HAMBUR 18/06/08

(..)

15 Mr. [naam 1] 0001329655 Amsterdam Goteborg 15.45

(..)

4. Overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen. Uit de tapgesprekken in de periode vanaf 16 juni 2008 kan worden afgeleid dat verdachte bezig is met het regelen van een busticket naar Göteborg, dat cocaïne wordt ingekocht en dat de koerier op 18 juni 2008 om 16:00 uur per bus is vertrokken naar Scandinavië. Op de passagierslijst van Eurolines staat [naam 1] als passagier voor Amsterdam-Göteborg. Die naam [naam 1] valt ook in een van de tapgesprekken, als wordt gevraagd of [naam 1] al is vertrokken. In die gesprekken wordt ook gesproken over [naam 8], wat de naam van een busbedrijf in Nigeria is. De ontlastende verklaring van [naam 1] is evident onjuist en leugenachtig, gelet op zijn wisselende verklaring over zijn reis. Bovendien is er bij [naam 1], inclusief de acht slikkersbollen in zijn trui, 790 gram cocaïne aangetroffen en dat gewicht benadert de 810 gram waarover in een van de tapgesprekken wordt gesproken.

Het voorbereiden van de uitvoer van cocaïne kan ook worden bewezen. Dat blijkt uit verschillende tapgesprekken op diverse dagen die duiden op het prepareren van slikkersbollen en het verhoren van drugskoeriers. Daarnaast zijn weegschalen met sporen van versnijdingsmiddelen en cocaïne aangetroffen. De aangetroffen hoeveelheid contant geld is in dat verband eveneens tekenend. Het geld is van misdrijf afkomstig. Dat de aangetroffen € 20.500 aan [naam 7] toebehoort, is onaannemelijk, omdat de data van de bankstukken die dat standpunt moeten onderbouwen, niet overeenstemmen met de verklaring van [naam 7]. De verklaring van verdachte dat de € 9.000 in zijn berging spaargeld is, is eveneens ongeloofwaardig, gezien de inhoud van het dossier en het beperkte inkomen van verdachte, aldus de officier van justitie.

4.2. Het standpunt van verdachte en de verweren van de verdediging.

4.2.1. Verdachte ontkent dat hij betrokken is bij de uitvoer in verdovende middelen. Een gedeelte van de telefoongesprekken die hem bij zijn verhoor worden voorgehouden, kan hij zich wel herinneren, maar die gesprekken hebben zeker niet te maken met verdovende middelen. De man genaamd [naam 1] is hem onbekend. De andere voorgehouden gesprekken kan hij zich ofwel niet herinneren, ofwel hij beroept zich (bij de laatste verhoren) op zijn zwijgerecht. Ten aanzien van het geld dat in zijn huis is aangetroffen, verklaart verdachte dat het bedrag van € 20.500 in zijn nachtkastje van [naam 7] is en dat het bedrag van € 9.000 in de berging wel van hem is. Dat laatste geld heeft hij verdiend met bemiddelingsactiviteiten in onder meer de autohandel en de verkoop van tweedehands goederen. De andere spullen die in zijn huis zijn aangetroffen, behoren wel aan hem toe. Het zijn geen versnijdingsmiddelen, maar poeders om te koken.

4.2.2. De verdediging heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat het volgende aangevoerd.

De betrokkenheid van verdachte bij de smokkel van verdovende middelen door de drugskoerier [naam 1] is hoofdzakelijk gebaseerd op uitgeluisterde tapgesprekken. Die gesprekken zijn op buitengewoon misleidende wijze door de verbalisanten geïnterpreteerd en zijn niet redengevend voor het bewijs. [naam 1] heeft verklaard verdachte niet te kennen; daarnaast heeft hij verklaard dat hij de slikkersbollen in Hamburg heeft ingenomen en niet in Nederland. Die laatste verklaring is in overeenstemming met de reisschema's van Eurolines, want Hamburg ligt op de route van Amsterdam naar Göteborg. Bovendien was de eindbestemming van [naam 1] Noorwegen. Als hij daadwerkelijk drugs van Amsterdam naar Noorwegen had willen smokkelen, had het voor de hand gelegen dat hij de directe busverbinding Amsterdam-Kopenhagen-Oslo had genomen.

Voor het voorbereiden van uitvoer van cocaïne biedt het dossier evenmin voldoende bewijs. Het voorhanden hebben van een weegschaal en fenacetine kan hooguit worden gekwalificeerd als voorbereiding op het bewerken van cocaïne, maar dat is niet ten laste gelegd. Fenacetine is een pijnstiller en het voorhanden hebben daarvan is op zichzelf niet strafbaar. De weegschaaltjes zijn bovendien tweedehands. Dat daarop cocaïnesporen zijn aangetroffen, is niet redengevend, want cocaïnesporen blijven lange tijd zichtbaar op voorwerpen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat op bijna alle dollarbiljetten in de Verenigde Staten dergelijke sporen aanwezig zijn.

Voor het witwassen van geld kan evenmin een veroordeling volgen, want het geld heeft een legale herkomst. Het grootste deel is van [naam 7] en het resterende bedrag van € 9.000 is niet dermate groot dat vermoed moet worden dat dit van misdrijf afkomstig is. Die contanten kunnen ook worden verklaard door de handelsactiviteiten die verdachte verrichtte.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Is verdachte betrokken geweest bij de het op pad sturen van drugskoerier [naam 1]?

De verdediging heeft bij haar verweer gewezen op de suggestieve interpretatie die de opsporingsambtenaren aan de tapgesprekken hebben verbonden. De rechtbank merkt wat dat verweer betreft op dat zij bij haar beoordeling van die gesprekken slechts acht slaat op de objectieve inhoud, zoals weergegeven in de uitwerking daarvan. Vermoedens en conclusies van verbalisanten kunnen niet tot bewijs dienen en zijn in dat verband ook niet relevant.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit die objectieve inhoud van de tapgesprekken, zoals hiervoor onder 3 telkens weergegeven, volgt dat verdachte betrokken is geweest bij het verzorgen van het drugstransport dat [naam 1] heeft uitgevoerd. Die gesprekken kunnen op niets anders duiden dan handelingen met verdovende middelen. Het gebruik van termen als 'het spul', 'slikken', 'bezig met eten' en 'mengspullen' duiden in onderling verband onmiskenbaar daarop. Bovendien heeft verdachte geen enkele logische of aannemelijke verklaring gegeven die erop zou kunnen wijzen dat die gesprekken mogelijk met andere zaken verband houden.

Vooral is echter van belang dat de inhoud van de gesprekken van 17, 18, 19 en 20 juni 2008 naadloos aansluit bij de aanhouding van [naam 1] in Noorwegen op 19 juni 2008. Zo vinden enkele dagen voor de bewuste aanhouding gesprekken plaats waaruit kan worden afgeleid dat verdachte bezig is met het regelen van een ticket voor een drugskoerier. De naam Göteborg die in dat verband wordt genoemd, duidt erop dat de bestemming van die koerier Göteborg is. In gesprekken van 17 juni 2008 wordt ook duidelijk gezegd dat de koerier morgen - dus op 18 juni 2008 - om vier uur vertrekt en overmorgen - dus op 19 juni 2008 - aankomt. Uit de latere mededeling van verdachte in een gesprek van 20 juni 2008 dat 'de jongen' geen gebruik heeft gemaakt van de trein, maar van [naam 8], volgt ook onmiskenbaar dat de koerier per bus is afgereisd. Zowel de raadsman als de officier van justitie hebben opgemerkt dat die naam verwijst naar een Nigeriaans busbedrijf.

Dit alles sluit naadloos aan bij de Noorse processen-verbaal en de opgevraagde passagierslijst. Uit de passagierslijst blijkt dat [naam 1] op 18 juni 2008 om 15:45 uur de bus neemt van Amsterdam naar Göteborg. Verder volgt uit de gebeurtenissen in Noorwegen dat [naam 1] in de vroege middag van 19 juni 2008 in de bus van Göteborg naar Oslo wordt aangetroffen. Dat laatste biedt een sluitende verklaring voor de paniek die vanaf 19 juni 2008 toeslaat bij verdachte, omdat hij niets meer heeft vernomen van de koerier die hij aanduidt als 'de jongen'. Bij dit alles komt nog dat verdachte in verband met het drugstransport meermalen telefonisch contact heeft met een Noors telefoonnummer, terwijl Noorwegen ook de eindbestemming van [naam 1] is. Verder is opvallend dat verdachte in een gesprek op 18 juni 2008 in de avond (dus na 16:00 uur) bevestigend antwoordt op de vraag of een zekere [naam 1] al is vertrokken, terwijl [naam 1] de middelste naam van [naam 1] is.

Uit al de bovengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien volgt dat verdachte heeft geholpen bij het transport van deze bolletjesslikker.

Het alternatieve scenario dat de verdediging onder verwijzing naar de verklaring van [naam 1] heeft geschetst, namelijk dat [naam 1] de drugs in Hamburg heeft ingenomen, is niet aannemelijk. De hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang wijzen er overduidelijk op dat deze [naam 1] (mede) door verdachte met verdovende middelen in zijn lichaam vanuit Amsterdam naar Göteborg is gezonden. Bovendien verklaart [naam 1], die dit scenario zou moeten staven, als getuige inconsistent en vaag over het innemen van de drugs in Hamburg. Alleen al over het vervoersmiddel van Nederland naar Hamburg verklaart [naam 1] wisselend in zijn verklaring: in Noorwegen zegt hij dat dit de trein is geweest, terwijl hij bij het videoverhoor door de rechter-commissaris zegt dat hij toch de bus van Amsterdam naar Göteborg heeft genomen en in Hamburg is uitgestapt. De verklaring van [naam 1] is dan ook ongeloofwaardig.

4.3.2. Heeft verdachte goederen in huis gehad om andere drugstransporten voor te bereiden?

Wat hierboven is overwogen, is eveneens van belang bij de beantwoording van de vraag of de bij verdachte op 8 september 2008 aangetroffen goederen - de weegschaaltjes, de poeders en het geld - bestemd waren voor het handelen in en uitvoeren van verdovende middelen. Verdachtes betrokkenheid in de handel in verdovende middelen reikt echter verder dan het drugstransport van [naam 1] medio juni 2008. Bewijs daarvoor kan worden gevonden in de volgende telefoongesprekken, waarin onder meer versluierd taalgebruik wordt gebezigd.

Op 4 juni 2008 vindt om 10:57 uur een gesprek plaats tussen verdachte en een onbekende persoon in Zweden.xxvi

(..)

[voornaam 1]: 'Heeft de persoon je verteld hoeveel hij kan slikken?'

NN: 'Ja, die vertelde dat hij 800 kan slikken. Je kan hem ook vragen voor de zekerheid.'

[voornaam 1]: 'Ja, ik zal hem vragen.'

NN: '800.'

[voornaam 1]: 'Ik zal er 1 voorbereiden.'

(..)

De daaropvolgende dag belt verdachte met een Nederlands telefoonnummer.xxvii

(..)

[voornaam 1]: 'Ik wil je op tijd informeren, omdat de persoon 'het ding' vannacht zal prepareren.

(..)

[voornaam 1]: 'Ik zal alle materialen regelen zoals lepels, vuur verpakking. Begrijp je me?'

(..)

[voornaam 1]: 'Ik zal straks de chauffeur ontmoeten.'

(..)

Enkele minuten daarna volgt een gesprek tussen verdachte en medeverdachte [naam 2].xxviii

(..)

[voornaam 1]: 'Oké. Ik ben thuis en ik wilde alleen vertellen over de dinges, weet je.'

(..)

[voornaam 4]: 'Morgen ochtend?'

[voornaam 1]: 'Heel vroeg in de ochtend.'

(..)

[voornaam 4]: 'Ja waar moet ik de persoon ophalen?'

[voornaam 1]: 'Dezelfde plek.'

(..)

Ook in mei 2008 voert verdachte gesprekken waarin hij verhullende termen gebruik als 'het ding'. In dat verband wordt ook gezegd: 'Het is beter om het te snijden'.xxix

Tot slot zijn er nog getuigenverklaringen die wijzen op een verdergaande betrokkenheid van verdachte. Zo heeft [naam 2] verklaard dat hij 'drugskoeriers naar het buitenland rijdt' en dat hij ook voor [voornaam 1] (lees: verdachte, want hij herkent verdachte op foto D/22 als deze [voornaam 1]) personen naar andere landen heeft vervoerd. En hoewel [naam 2] dit niet met zoveel woorden verklaart, mag uit de samenhang van die twee verklaringen en de tapgesprekken worden afgeleid dat hij ook voor verdachte drugskoeriers heeft vervoerd.

Dat verdachte zich al langer bezighield met de handel in verdovende middelen, lijdt op grond van het bovenstaande geen twijfel. De op 8 september 2008 bij verdachte aangetroffen stoffen en goederen worden in het algemeen veelal gebruikt voor het versnijden van cocaïne. Het aantreffen van die stoffen en goederen bij verdachte kan dan ook alleen maar erop wijzen dat hij van plan was zijn activiteiten op dit vlak voort te zetten.

4.3.3. Houdt het aangetroffen geld verband met witwasactiviteiten?

Ook de bij verdachte aangetroffen hoeveelheden contant geld moeten verband houden met de handel in cocaïne. In de eerste plaats gaat het hier om grote hoeveelheden contant geld in coupures van € 500,-. Hoewel legale handelsactiviteiten denkbaar zijn waarbij grote contante geldbedragen in grote coupures worden gebruikt, is dat gebruik risicovol en niet erg gangbaar. In het geval van verdachte is van dergelijke legale handelsactiviteiten niet gebleken. Zijn illegale activiteiten vormen daarentegen een sterke contra-indicatie dat dit geld legaal is verdiend. Bovendien is een legale herkomst niet aangetoond. Het vermogen dat verdachte volgens zijn fiscale gegevens heeft verdiend, is, zeker gezien zijn schulden, niet toereikend om een dermate groot bedrag te sparen. De door verdachte gestelde handel in tweedehands goederen, is niet aannemelijk als bron van het geld.

Verder is niet aannemelijk dat het geld dat in verdachtes nachtkastje is aangetroffen, aan [naam 7] toebehoorde. Dat het geld in de slaapkamer van verdachte wordt gevonden, vormt een sterke contra-indicatie voor deze lezing. Bovendien is de verklaring van [naam 7] ongeloofwaardig. Dat verhaal is vaag, inconsequent en niet met verifieerbare feiten onderbouwd. De opgestuurde bancaire stukken zijn in dit verband niet toereikend, omdat de data van die stukken niet passen in het verhaal van [naam 7], zoals de officier van justitie terecht heeft gesteld.

Ook het witwassen van geld kan daarom worden bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte

feit 1:

op 8 september 2008 te Amsterdam opzettelijk voorhanden heeft gehad voorwerpen, te weten een geldbedrag van € 29.500,- in coupures van € 500,-, terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf;

feit 2, eerste deel:

in de maand juni 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht 72 slikkersbollen met cocaïne, totaal ca. 711 gram, vervoerd omstreeks 20 juni 2008 door [naam 1];

feit 2, tweede deel:

op 8 september 2008 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen, opzettelijk voorhanden heeft gehad voorwerpen (grammenweegschaaltjes) en stoffen (het middel fenacetine) en betaalmiddelen, waarvan verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen

8.1. De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 (1e en 2e deel) bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd tot verbeurdverklaring van het in beslaggenomen geldbedrag van € 29.500,-, zoals vermeld onder 1 en 2 op de lijst met in beslag genomen goederen.

8.2. De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank, in het bijzonder met betrekking tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf en de duur daarvan, het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een drugstransport opgezet door een bolletjesslikker plastic zakjes met cocaïnebevattend materiaal te laten innemen en naar Noorwegen te laten afreizen. Dit is een zeer laakbaar feit. In de eerste plaats omdat de distributie van dergelijke verdovende middelen schadelijk is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de gebruikers daarvan. In de tweede plaats is het feit zeer laakbaar omdat een dergelijke wijze van transporteren grote risico's voor de lichamelijke gezondheid en het leven van de koerier meebrengt. Het is algemeen bekend dat eventuele complicaties de dood van de koerier tot gevolg kunnen hebben. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat voor het verrichten van dit soort transporten personen worden geworven die in een hachelijke financiële en maatschappelijke positie verkeren. Zodoende wordt welbewust misbruik gemaakt van iemands zwakke positie, wat eens temeer kwalijk te achten is.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode voor en na de aanhouding van de drugskoerier voordurend in telefonisch contact heeft gestaan met andere betrokkenen. Uit die gesprekken volgt onmiskenbaar dat verdachte bij het bewerkstelligen van dit drugstransport een leidende en organiserende rol heeft gehad. De oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de hoven en de rechtbank (LOVS) hanteren in een dergelijk geval - waarbij de getransporteerde hoeveelheid drugs de hoeveelheid van een kilogram niet overschrijdt - als maatstaf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 8 en 12 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding van dat oriëntatiepunt af te wijken.

Daarnaast zijn bij de aanhouding van verdachte in zijn woning hoeveelheden contant geld aangetroffen en goederen en stoffen die geschikt zijn om verdovende middelen te prepareren. Daaruit blijkt niet dat verdachte van plan was zijn activiteiten in de drugshandel stop te zetten. Het aangetroffen geld duidt er op dat de criminele activiteiten erg lucratief voor verdachte waren. Daarmee heeft hij niet alleen onrechtmatig voordeel genoten, maar zich ook schuldig gemaakt aan witwassen. Ook dat is een ernstig strafbaar feit, dat moet worden tegengegaan om de criminaliteit te doen verminderen.

Gelet op het bovenstaande kan slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf die langer duurt dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Een andere strafmodaliteit, in de zin van een voorwaardelijke straf of een werkstraf, doet geen recht aan aard en ernst van de bewezen geachte feiten.

Wel ziet de rechtbank aanleiding enigszins af te wijken van de eis van de officier van justitie, omdat zij bij haar beoordeling van het onder 1 bewezen geachte rekening houdt met de hiervoor genoemde oriëntatiepunten, die een maximale sanctie van een jaar voorschrijven. De rechtbank acht de andere feiten niet dusdanig dat die een extra strafoplegging van acht maanden kunnen dragen.

Alles overwegende is een gevangenisstraf van na te noemen omvang passend en geboden.

Het aangetroffen geld, in totaal € 29.500,-, zal worden verbeurd verklaard. Dit geld behoort aan verdachte toe en is als 'corpus delicti' van het bewezen geachte witwassen vatbaar voor verbeurdverklaring.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde wat het gedeelte '(onder meer)' betreft nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1:

Witwassen;

feit 2, 1e deel:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 onder A Opiumwet gegeven verbod;

feit 2, 2e deel:

medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, stoffen of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: de op de lijst met in beslag genomen goederen onder 1 en 2 vermelde geldbedragen, te weten bedragen van respectievelijk € 20.500,- en € 9.000,-.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. A.W.H. Vink en A.E.J.M. Gielen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Vogelaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 juli 2010.

De griffier is verhinderd

dit vonnis te ondertekenen.

De oudste rechter is verhinderd

dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage 1:

De tenlastelegging aan verdachte luidt, na wijziging:

1

hij op of omstreeks 8 september 2008 te Amsterdam en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens opzettelijk heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of gebruik heeft gemaakt van (een) voorwerp(en), te weten: een geldbedrag van EURO 29.500,- in coupures van 500 Euro, althans een geldbedrag, terwijl hij en/of zijn medaders(s) telkens wist(en) dat het/de voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van enig misdrijf;

art. 47, 420bis Wetboek van Strafrecht

2

op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 september 2008 te Amsterdam en/of Wolfheze en/of in de gemeente Ede en/of elders in Nederland, meerdere malen althans eenmaal tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig heeft gehad: (onder meer)

- 72 slikkersbollen met cocaïne (totaal ca 711 gram) vervoerd op of omstreeks 20 juni 2008 door [naam 1]

althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

art. 47 Wetboek van Strafrecht

art. 2, 10 Opiumwet

en/of

op een of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 september 2008 te Amsterdam en/of Wolfheze en/of in de gemeente Ede en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 Opiumwet, te weten het (telkens) opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, opzettelijk voorhanden heeft gehad voorwerpen (grammenweegschaaltje), en/of stoffen (het (versnijdings)middel Fenecitine) en geld en/of betaalmiddelen waarvan verdachte en/of verdachtes medaders(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

art. 47 Wetboek van Strafrecht

art. 2, 10, 10a lid 1 sub 3 Opiumwet

i De hierna genoemde bewijsmiddelen zijn opgenomen in het dossier van de FIOD/ECD met nummer 41938. Waar hierna wordt verwezen naar OPV, AH of BOB betreft het telkens processen-verbaal van opsporingsambtenaren die zijn opgemaakt overeenkomstig de eisen die de wet daaraan stelt. Waar hierna verwezen wordt naar gesprekken, betreft dit telkens uitgewerkte weergaven van tapgesprekken die onder de bijbehorende nummers zijn opgenomen in het hiervoor genoemde dossier.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de bewijsmiddelen voldoen aan de in de wet gestelde eisen.

ii BOB/033.

iii Gesprek 280075146.

iv Gesprek 280075172.

v Gesprek 280075914.

vi Gesprek 280075814.

vii Gesprek 280075817.

viii Gesprek 280076031.

ix Gesprek 280076037.

x Gesprek 280076390.

xi Gesprek 280076469.

xii Gesprek 280077041

xiii Gesprek 280077323.

xiv Gesprek 280077337.

xv Proces-verbaal van douaneovertreding met nummer S/494/08, gedateerd 19 juni 2008 en opgemaakt door de douaneambtenaar [naam 9]. Dit proces-verbaal is in het Nederlands vertaald door het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland.

xvi Zie AH/015.

xvii Gesprek 280078097.

xviii Gesprek 280078086.

xix Proces-verbaal van het politiedistrict Østfold, gedateerd 20 juni 2006, documentnummer 1644731. Dit proces-verbaal is in het Nederlands vertaald door het Tolk - en Vertaalcentrum Nederland.

xx Processen-verbaal inzake doorzoeking/inbeslagneming van het politiedistrict Østfold, documentnrs. 166447744, 1645310, 1645338 en 165411. Genoemde processen-verbaal zijn telkens vertaald in het Nederlands door het Tolk - en Vertaalcentrum Nederland. In die processen-verbaal staat, kort gezegd, dat in de ontlasting van verdachte [naam 1] in de periode respectievelijk 16, 45, 10 en 1 (opgeteld: 72) eivormige capsule(s) met vermoedelijk cocaïne zijn aangetroffen.

xxi Rapport inzake laboratoriumonderzoek van KRIPOS, nr. 2008/20/13941 en gedateerd 14 oktober 2008, opgemaakt door Chef Ingenieur [naam]. Dit rapport is in het Nederlands vertaald door het Tolk- en Vertaalcentrum Nederland.

xxii 1/OPV/1, p. 19.

xxiii IBN [verdachte] [adres], in het dossier gevoegd voor IBN/12. Wat de drie weegschaaltjes betreft wordt eveneens verwezen naar document D/38.

xxiv 0/OPV, p. 4.

xxv Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 5 november 2008 met nr. 2008.09.15.003, opgemaakt door de beëdigde vast gerechtelijk deskundige drs. H.T.C. van der Laan.

xxvi Gesprek 280070888.

xxvii Gesprek 2800071490.

xxviii Gesprek 280071660.

xxix Gesprek 280067112 en gesprek 280067649

Vonnis d.d. 28 juli 2010 inzake [verdachte]

Parketnr. 13/845083-08