Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN6312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
426261 - HA ZA 09-1372
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8050, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Boekverkoper die gebruik maakt van zogenaamde cashbackconstructie handelt in strijd met de Wet op de vaste boekenprijzen (Wvbp). De Wvbp is niet in strijd met het Europees recht (vrij verkeer van goederen/nieuwe norm). Het Commissariaat voor de Media heeft in casu niet gehandeld in strijd met het willekeur-/gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 426261 / HA ZA 09-1372

Vonnis van 14 april 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPLINQ B.V.,

gevestigd te Blaricum,

eiseres,

advocaat mr. J.M.B. Seignette,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam

COMMISSARIAAT VOOR DE MEDIA,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Boorsma.

Partijen zullen hierna SplinQ en het Commissariaat genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 20 producties;

- de conclusie van antwoord met 55 producties;

- het tussenvonnis van 22 juli 2009, waarbij een meervoudige comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 december 2009, de daarin genoemde nadere producties en de ter gelegenheid van de comparitie gebruikte pleitnotities.

1.2. Ten slotte is nader vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. SplinQ exploiteert sinds februari 2008 de op de Nederlandse consument gerichte websites www.splinq.com en www.splinq.nl. Op deze websites wordt geadverteerd door onder andere boekverkopers. Deze boekverkopers hebben een affiliatieovereenkomst gesloten met Daisycon of Tradedoubler. Op grond van een dergelijke overeenkomst stelt de ene partij (de affiliatiegever) de andere partij (de affiliatienemer) aan om tegen vergoeding via de site van de affiliatienemer naamsbekendheid te geven aan de affiliatiegever (de boekverkopers). Daisycon en Tradedoubler maken daartoe (onder andere) gebruik van de website van SplinQ. Op de website van SplinQ staat een advertentie, bestaande uit een link naar de betreffende webwinkel van de boekverkoper. Consumenten kunnen op de link klikken en komen dan op de website van de boekverkoper terecht. Zij kunnen vervolgens op die site boeken aanschaffen. Er komt in dat geval een koopovereenkomst tot stand komt tussen de consument en de betreffende boekverkoper.

2.2. De boekverkoper betaalt voor iedere na het doorklikken via SplinQ gerealiseerde verkoop commissie aan Daisycon of Tradedoubler. Die ondernemingen betalen weer commissie aan SplinQ, waarna SplinQ de advertentie-inkomsten die zij op deze wijze genereert gedeeltelijk onder de consumenten herverdeelt. Dit laatste wordt ‘cashback’ genoemd. Via de website van SplinQ is voor de consument zichtbaar welk deel van het aankoopbedrag door SplinQ wordt teruggestort. Dit terugstorten geschiedt door bijschrijving van het bedrag op een rekening die de consument bij SplinQ aanhoudt. Bedraagt het tegoed op deze rekening meer dan € 15,00, dan kan de consument aanspraak maken op dit bedrag. Consumenten ontvangen op deze wijze doorgaans de helft van de advertentie-inkomsten die SplinQ (via Daisycon of Tradedoubler) van een webwinkel ontvangt.

2.3. Het Commissariaat is belast met de handhaving van de Wet op de Vaste Boekenprijs (hierna: de Wvbp). Op grond van artikel 6 van deze wet dienen boekverkopers Nederlandstalige boeken te verkopen tegen de door de uitgever vastgestelde prijs.

2.4. Het Commissariaat heeft bij brieven van 6 en 10 maart 2008 boekverkopers, die adverteerden op de website www.splinq.com, aangeschreven. De aan ieder van de boekverkopers toegezonden brief luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

Onder de Aandacht van het Commissariaat voor de Media kwam de volgende informatie. Op de website www.SplinQ.com staat < naam boekverkoper> als organisatie waarbij tegen 5% voordeel boeken kunnen worden gekocht via SplinQ (…).

Artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Wet op de vaste boekenprijs (hierna: Wvbp) bepaalt dat de verkoper gehouden is bij de verkoop van boeken in de Nederlandse en Friese taal (hierna: boeken) de prijs toe te passen die de uitgevers hebben vastgesteld. (…)

Het Commissariaat probeert zich hierover een goed beeld te vormen en verzoekt u nadere informatie te verstrekken.

Graag ontvangt het Commissariaat antwoord op de volgende vragen/opmerkingen:

1. Hoe luidt de samenwerkingsovereenkomst tussen <naam boekverkoper> en SplinQ?

2. Zijn in de overeenkomst afspraken opgenomen over het afstaan van commissie aan

eindafnemers en waaruit bestaan deze afspraken?

3. Wat is het totaal aantal boeken in de Nederlandse en/of Friese taal dat door <naam boekverkoper> via SplinQ is verkocht?

4. Eventuele andere informatie die kan helpen bij de beeldvorming omtrent deze actie.

2.5. SplinQ heeft naar aanleiding van de brief van het Commissariaat van meerdere boekverkopers bericht ontvangen met het verzoek de link op SplinQ naar de betreffende boekverkoper te verwijderen, dan wel dat zij erover nadenken dat te verzoeken.

2.6. SplinQ heeft bij brief van 20 maart 2008 het Commissariaat verzocht om een kopie van de aan de boekverkopers verzonden brief. Het Commissariaat heeft diezelfde dag een e-mailbericht verzonden aan SplinQ met een kopie van de aan de boekverkopers verzonden brief.

2.7. SplinQ heeft op 10 juni 2008 wederom een brief verzonden aan het Commissariaat. In die brief wijst SplinQ er onder andere op dat boekverkopers niet meer op www.splinq.nl (durven) adverteren, SplinQ daardoor schade leidt en het SplinQ niet duidelijk is waarom niet tegen andere vergelijkbare websites wordt opgetreden.

2.8. Bij brief van 11 juli 2008 heeft SplinQ de brief van 10 juni 2008 (opnieuw) onder de aandacht van het Commissariaat gebracht. Bij e-mailbericht van 17 juli 2008 heeft het Commissariaat laten weten dat het ernaar streeft in september 2008 een standpunt in te nemen. Omdat een nadere reactie uitbleef, heeft SplinQ bij brief van 29 september 2008 een en ander nogmaals onder de aandacht van het Commissariaat gebracht. Het Commissariaat heeft daarop bij e-mailbericht van 9 oktober 2008 als volgt gereageerd.

Het College heeft inmiddels een besluit in deze zaak genomen. Wij streven ernaar dit besluit in de week van 20 oktober aan de betrokken verkopers en aan Splinq toe te sturen.

2.9. Op 7 oktober 2008 heeft het Commissariaat besloten de boekverkopers die op de website www.splinq.com adverteerden een waarschuwing te geven wegens overtreding van artikel 6, eerste lid, Wvbp (en artikel 10 Wvbp). Bij brief van 23 oktober 2008 heeft het Commissariaat de boekverkopers de waarschuwingen toegezonden. Bij e-mailbericht van 3 november 2008 is één van die waarschuwingen aan SplinQ verzonden. SplinQ is vervolgens bij brief van 17 november 2008 van de waarschuwingen in bezwaar gekomen.

2.10. Bij brief van 22 december 2008 heeft SplinQ het Commissariaat verzocht handhavend op te treden tegen gelijksoortige websites met vergelijkbare (cashback) constructies.

2.11. Bij besluit van 3 februari 2009 is het bezwaarschrift van SplinQ van 17 november 2008 niet-ontvankelijk verklaard omdat volgens het Commissariaat een waarschuwing niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2.12. Bij besluit van eveneens 3 februari 2009 is SplinQ niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot handhaving over te gaan. In dat besluit heeft het Commissariaat voorts kenbaar gemaakt dat het ambtshalve zal onderzoeken of verkopers die betrokken zijn bij de door SplinQ in haar handhavingsverzoek genoemde constructies, geldelijke voordelen verstrekken bij verkoop van (onder meer) boeken en dat het Commissariaat deze verkopers zonodig zal informeren over de onverenigbaarheid van hun handelen met artikel 6 Wvbp.

2.13. Tegen de hiervoor genoemde besluiten is respectievelijk beroep en rechtstreeks beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank.

2.14. Bij brief van 20 februari 2008 heeft SplinQ het Commissariaat diverse stukken verzonden waaruit volgens SplinQ blijkt dat ook bij andere cashbackwebsites sprake is van een met artikel 6 Wvbp strijdige situatie. Zij verzoekt het Commissariaat - kort gezegd - de boekverkopers die van de betreffende sites gebruik maken dat te berichten. Bij brief van 12 maart 2009 heeft het Commissariaat in dit verband verwezen naar zijn besluit van 3 februari 2009 en medegedeeld dat, mocht blijken dat de betreffende verkopers bij deelname aan de constructies ongeoorloofde geldelijke voordelen bij verkoop van boeken verstrekken, deze verkopers zullen worden geïnformeerd over de onverenigbaarheid van hun handelwijze met de Wvbp en zo nodig bestuursrechtelijke maatregelen zullen worden getroffen.

2.15. Bij brief van 25 maart 2009 heeft SplinQ het Commissariaat medegedeeld voornemens te zijn een civielrechtelijke bodemprocedure te starten en het Commissariaat in de gelegenheid gesteld alsnog het standpunt in te nemen dat de Wvbp niet wordt overtreden en de ten gevolge van het handelen van het Commissariaat door SplinQ geleden schade (tot een bedrag van € 128.100,00) te vergoeden.

3. Het geschil

3.1. SplinQ vordert - na wijziging van eis - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):

- voor recht te verklaren dat een boekverkoper niet handelt in strijd met de Wvbp door te adverteren op een cashbackwebsite als die van SplinQ;

- het Commissariaat te veroordelen tot vergoeding aan SplinQ van de door SplinQ als gevolg van onrechtmatig handelen van het Commissariaat geleden schade over de periode van 6 maart 2008 tot en met 31 november 2009 van € 224.175,00, alsmede tot de geleden en nog te lijden schade over de periode na 31 november 2009, nader op te maken bij staat, en de door SplinQ gemaakte buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 18.278,20, een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Zij stelt daartoe dat de boekverkopers en boekenclubs die op haar sites adverteren de vaste boekenprijs hanteren en de consument die vaste boekenprijs aan de boekverkoper betaalt. Aan de consumenten wordt door de boekverkoper geen korting geboden. De consument ontvangt van SplinQ een deel van de advertentie-inkomsten van SplinQ. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten van de Wvbp. De cashbackconstructie is volgens SplinQ bovendien in lijn met het doel en strekking van de Wvbp. Een andere uitleg zou in strijd met het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel zijn en op gespannen voet staan met het Europese recht. Het Commissariaat heeft bijgevolg ten onrechte de op www.splinq.com adverterende boekverkopers aangeschreven en is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door SplinQ geleden schade. Het Commissariaat heeft volgens SplinQ tot slot onrechtmatig jegens haar gehandeld door wel handhavend op te treden jegens de boekverkopers op haar websites, maar niet jegens boekverkopers die adverteren op websites met vergelijkbare (cashback)constructies. Dit is volgens SplinQ in strijd met het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.

3.3. Het Commissariaat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verenigbaarheid cashbackconstructie met de Wvbp

4.1. Op grond van artikel 2 Wvbp dient de uitgever voor boeken die hij voor het eerst in een bepaalde uitvoering in Nederland uitgeeft een vaste boekenprijs vast te stellen. Ingevolge artikel 6, eerste lid, Wvbp past de verkoper bij verkoop van een boek aan een eindafnemer deze vaste prijs toe.

4.2. SplinQ wil een oordeel van de rechtbank over de verenigbaarheid met artikel 6 Wvbp van de door haar (en de op haar site(s) adverterende boekverkopers) gehanteerde cashbackconstructie. Het betoog van SplinQ komt er op neer dat de consument van de boekverkoper geen korting krijgt op de vaste boekenprijs. De boekverkoper hanteert immers de vaste boekenprijs. Het is vervolgens SplinQ die, zonder dat dit door de boekverkopers kan worden afgedwongen, haar advertentie-inkomsten onder de consumenten herverdeelt. Zou dit al zijn aan te merken als een korting, dan wordt deze korting door SplinQ en niet door de boekverkoper aangeboden. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.3. Uitgangspunt van de wetgever is dat bij de verkoop aan de eindafnemer door de boekverkoper de vaste boekenprijs wordt toegepast. De gedachte is dat de eindafnemer deze vaste boekenprijs daadwerkelijk betaalt. De Wvbp voorziet immers in een gesloten stelsel van kortingen (artikel 13 Wvbp en het Besluit van 3 mei 2005 houdende regels ter uitvoering van de Wet op de Vaste Boekenprijs). De thans aan de orde zijnde cashbackconstructie is in strijd met het genoemde uitgangspunt. De boekverkoper die op de website van SplinQ adverteert, hanteert (strikt genomen) weliswaar de vaste boekenprijs, maar de boekverkoper stelt de eindafnemer (doordat hij op de website van SplinQ adverteert) tevens in staat om via SplinQ een deel van zijn aankoopbedrag terug te krijgen. De eindafnemer krijgt daarmee feitelijk een korting op de aanschaf van zijn boek. Een dergelijke korting past niet binnen het gesloten stelsel van kortingen van de Wvbp. Wat SplinQ met dit alles beoogt (en dat zij haar bedrijvigheid heeft gemaakt van het exploiteren van cashback websites), is hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet van belang, net zo min als de omstandigheid dat SplinQ degene is die voor de terugbetaling aan de eindafnemer zorgdraagt. Het is de boekverkoper die de vaste boekenprijs moet hanteren en het is de boekverkoper die de eindafnemer (via SplinQ) in staat stelt een korting te verkrijgen op die vaste boekenprijs, welke korting afkomstig is van door de boekverkoper aan SplinQ betaalde gelden. Zou de omstandigheid dat sprake is van een tussenschakel die zorgdraagt voor de terugbetaling van een deel van de aanschafprijs aan de eindafnemer ertoe leiden dat van een korting door de boekverkoper geen sprake is, dan zou de Wvbp (en het gesloten stelsel van kortingen) eenvoudig kunnen worden ontdoken.

Doel en strekking

4.4. Anders dan SplinQ betoogt, is de cashbackconstructie naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met het doel en de strekking van de Wvbp. Doel van de Wvbp is ervoor te zorgen dat (op de lange termijn) een breed en divers aanbod van Nederlandstalige en Friestalige boeken beschikbaar/toegankelijk is. De wetgever beoogt die doelstelling blijkens de totstandkomingsgeschiedenis te bereiken middels het voorkomen van prijsconcurrentie. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt bovendien dat de internetboekhandel daarbij geen bijzondere positie inneemt.

De vaste prijs in combinatie met een redelijke handelsmarge voorkomt voor de verkoper pure prijsconcurrentie (…). De zekerheid die de verkoper heeft van winst op goedlopende titels vormt de basis om ook minder snel lopende titels in zijn assortiment op te nemen. (…) De internetboekhandel neemt overigens in het geheel van de boekenbranche geen fundamenteel of principieel afwijkende positie in. Ook de internetboekhandel verkoopt papieren boeken en kampt daarom met dezelfde problemen en beperktheden van ons taalgebied als de fysieke boekhandel. Bestaande uitgevers en boekverkopers spelen bovendien op deze technologische ontwikkelingen in. Met het systeem van de vaste boekenprijs wordt beoogd concurrentie op prijs in het boekenvak tegen te gaan. Dit systeem is alleen maar sluitend als de verplichting tot toepassing van de vaste boekenprijs geldt voor iedereen die binnen Nederland boeken verkoopt.

Het thans aan de orde zijnde cashbacksysteem leidt tot een door de wetgever onwenselijk geachte prijsconcurrentie. Consumenten die via de cashbackconstructie een boek kopen, betalen uiteindelijk (na de cashback) immers minder dan dat zij betalen bij boekverkopers die niet bij SplinQ zijn aangesloten. Dat een ieder zich bij SplinQ kan aansluiten, gelijk SplinQ stelt, leidt niet tot een ander oordeel. De mogelijkheid om bij SplinQ aansluiting te zoeken neemt het genoemde concurrentieaspect niet weg. Dit is alleen al niet het geval omdat die mogelijkheid alleen bestaat voor internetboekhandels.

Rechtszekerheids-/legaliteitsbeginsel

4.5. Uit het voorgaande volgt tevens dat van strijd met het rechtszekerheids- of het legaliteitsbeginsel, gelijk SplinQ betoogt, geen sprake is. Het betoog van SplinQ komt er immers op neer dat een wettelijke grondslag ontbreekt om de cashbackconstructie onder de werkingssfeer van de Wvbp te brengen. Uit het voorgaande blijkt dat die wettelijke grondslag er wel degelijk is. Daarvoor is, anders dan SplinQ lijkt te betogen, niet nodig dat de cashbackconstructie expliciet in de Wvbp wordt benoemd als een niet toegestane vorm van korting.

Strijd met Europees recht

4.6. De conclusie van het voorgaande is dat de boekverkoper die gebruik maakt van de cashbackconstructie, handelt in strijd met artikel 6, eerste lid, Wvbp. De rechtbank komt daarmee toe aan de stelling van SplinQ dat de Wvbp op gespannen voet staat met het Europese recht. Zij beroept zich in dit verband op het mededingingsrecht (de nieuwe norm; artikel 81 jo. art 10 EG-Verdrag), het vrij verkeer van diensten (artikel 49 EG-Verdrag) en de artikelen 4 lid 1 en 98 EG-Verdrag.

Vrij verkeer van goederen en diensten

4.7. De rechtbank stelt voorop dat de Wvbp uitsluitend van toepassing is op iedereen die binnen Nederland Nederlandstalige (of Friestalige) boeken verkoopt. Daarbij komt dat SplinQ een Nederlandse vennootschap is en de adverteerders op haar site Nederlandse boekverkopers zijn, die zich richten op de verkoop van het Nederlandstalige boek in Nederland. Gelet hierop en omdat een gemeenschappelijke regeling ontbreekt, is sprake van een interne situatie. De bepalingen inzake het vrij verkeer van goederen en diensten vinden in een dergelijk geval geen toepassing.

4.8. De rechtbank wijst er daarbij op dat blijkens de jurisprudentie van het Hof van Justitie nationale bepalingen die bepaalde verkoopmodaliteiten aan banden leggen of verbieden, niet kunnen worden beschouwd als een belemmering van de handel tussen de lidstaten, “mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten”. Hieruit volgt dat een verkoopmodaliteit (in casu de vaste boekenprijs) die voor alle marktdeelnemers op het nationale grondgebied geldt, een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking vormt, wanneer deze zowel juridisch als feitelijk niet dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale producten en op die van producten uit andere lidstaten. Dat is hier niet het geval. Het staat de importeur ingevolge artikel 3 Wvbp (anders dan de importeur in het door partijen aan de orde gestelde arrest in de zaak [A]) vrij de hoogte van die vaste prijs te bepalen, gelijk de uitgever dit voor de in Nederland uitgegeven boeken doet.

Nieuwe norm

4.9. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank, in lijn met de vaste beschikkingspraktijk van de Europese Commissie, van oordeel dat van een merkbare beïnvloeding van de tussenstaatse handel geen sprake is. SplinQ heeft onvoldoende objectieve elementen naar voren gebracht die feitelijk en rechtens met een voldoende mate van waarschijnlijkheid doen verwachten dat zij, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, op de handelsstromen tussen lidstaten een zodanige invloed kunnen uitoefenen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van een gemeenschappelijke markt tussen lidstaten wordt geschaad. De rechtbank wijst er daarbij op dat een en ander niet anders wordt voor zover SplinQ stelt dat zij wordt achtergesteld bij cashbackwebsites in Europese landen waar geen vaste boekenprijs geldt en welke websites wel korting kunnen verlenen. Dit klemt volgens SplinQ omdat de mate waarin een cashbackwebsite een aandeel op de Europese, grensoverschrijdende markt kan verwerven in belangrijke mate afhankelijk is van de mogelijkheid om cashback te bieden bij laagdrempelige producten zoals boeken. Deze stelling is op zichzelf onvoldoende om een merkbare beïnvloeding als bedoeld aan te nemen. SplinQ heeft nagelaten om de geboden onderbouwing te bieden van de nadelen of beperkingen die zij kennelijk bij de verwezenlijking van commerciële, grensoverschrijdende ambities vreest te zullen ondervinden in het licht van de criteria die in bedoelde beschikkingspraktijk zijn ontwikkeld. De rechtbank overweegt voorts dat, voor het geval dat sprake is van verschillen tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van lidstaten waardoor de mededingingsvoorwaarden op de gemeenschappelijke markt worden vervalst, de artikelen 96 en 97 EG-Verdrag een voorziening treffen. Die bepalingen hebben geen rechtstreekse werking. SplinQ komt derhalve geen beroep toe op deze bepalingen. Ook het beroep van SplinQ op de nieuwe norm gaat derhalve niet op.

Artikel 4 juncto artikel 98 EG-Verdrag

4.10. Voor zover SplinQ een beroep doet op de artikelen 4 juncto 98 EG-Verdrag, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Dit zijn algemene bepalingen die betrekking hebben op het economisch beleid. De bepalingen houden geen duidelijke en onvoorwaardelijke verplichtingen voor de lidstaten in, waarop door particulieren een beroep kan worden gedaan voor de nationale rechter.

Gelijkheidsbeginsel/willekeur

4.11. Het betoog van SplinQ komt er op neer dat het Commissariaat ook (onmiddellijk) actie had moeten ondernemen tegen andere (door SplinQ genoemde) websites met gelijksoortige constructies. Door dat eerst na veel aandringen door SplinQ te doen, heeft het Commissariaat gehandeld in strijd met genoemde beginselen en heeft SplinQ schade geleden.

4.12. Van strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Nadat het Commissariaat op de hoogte was gesteld van het feit dat boekverkopers eindafnemers in staat stelden om via SplinQ kortingen te verkrijgen, heeft het Commissariaat bij de betreffende boekverkopers informatie opgevraagd en is zij een onderzoek gestart. De website van SplinQ werd als eerste onder de aandacht van het Commissariaat gebracht, zodat het logisch is dat de aandacht van het Commissariaat zich in eerste instantie richtte op de boekverkopers die adverteerden op de website van SplinQ. Van willekeur is (gelet hierop) geen sprake. Het Commissariaat mag de naar zijn aard beperkte en schaarse (controle)capaciteit op een doelmatige wijze verdelen en inzetten. In zoverre is ook het verwijt dat SplinQ het Commissariaat maakt, inhoudende dat het Commissariaat niet onmiddellijk handhavend is opgetreden nadat SplinQ een aantal andere websites had genoemd die soortgelijke constructies zouden hanteren, niet terecht. Daar komt bij dat het Commissariaat ook in die gevallen dezelfde zorgvuldigheid heeft (mogen) betracht(en) als in het geval van SplinQ en heeft het ook in die gevallen eerst de nodige informatie opgevraagd, hetgeen nu eenmaal de nodige tijd vergt. De rechtbank merkt daarbij op dat de melding van SplinQ in totaal zes cashbackconstructies betrof met een veel groter aantal boekverkopers dan in het geval van SplinQ, terwijl ook ten aanzien van de boekverkopers op de bedoelde zes websites inmiddels besluitvorming heeft plaatsgevonden, welke besluiten de betreffende boekverkopers bij afzonderlijke brieven van 17 november 2009 kenbaar zijn gemaakt. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is, voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van gelijke gevallen, gelet op het voorgaande geen sprake.

Slotsom

4.13. De conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen van SplinQ moeten worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van het Commissariaat begroot op € 4.000,00 (2 punten tarief VI) kosten advocaat en € 4.938,00 vast recht.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt SplinQ in de kosten van de procedure, aan de zijde van het Commissariaat tot op heden begroot op € 8.938,00;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.W. van Straalen, mr. J. Thomas en mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2010