Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN6129

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
09/3113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerduurbeperking Amsterdam. Parkeerbelasting dient bij aanvang van het parkeren te worden voldaan. Eiser kan in verband met een parkeerduurbeperking voor slechts 1 uur parkeerbelasting voldoen. Het kopen van een tweede 10centskaartje na ommekomst van het uur en geldigheidsduur van het eerste kaartje wordt niet als bij aanvang betalen aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2410
FutD 2010-2489
Belastingblad 2010/1655

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 09/3113

Uitspraakdatum: 31 augustus 2010

Uitspraak in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft op 16 mei 2009 aan eiser een naheffingsaanslag (aanslagnummer 000) parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 49,70, bestaande uit de verschuldigde parkeerbelasting van € 0,10 en de kosten van de naheffingsaanslag van € 49,60.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 mei 2009 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2010. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. B. en mr. C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is houder van het voertuig met kenteken AA-BB-00 (hierna: de auto).

Op 16 mei 2009 heeft eiser de auto geparkeerd in de A-straat te Amsterdam ter hoogte van huisnummer 199. Op die datum om 15.31 uur heeft eiser € 0,10 parkeerbelasting voldaan, zijnde het ter plekke geldende parkeertarief voor één uur parkeren. Om 16.35 uur heeft eiser opnieuw een parkeerkaartje gekocht voor € 0,10. Om 17.19 uur is de naheffingsaanslag opgelegd.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. Eiser stelt dat hij wel de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan, omdat hij achtereenvolgens twee kaartjes heeft gekocht, één van 15.31 uur tot 16.31 uur en een kaartje van 16.35 uur tot 17.35 uur, zodat hij om 17.19 uur wel parkeerbelasting had voldaan.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

3.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, omdat eiser langer dan de ter plaatse op dat deel van de dag toegestane parkeerduur van één uur stond geparkeerd. Verweerder is van mening dat eiser na 16.31 uur had moeten wegrijden. Belasting voldoen voor het voortzetten van het parkeren na het verstrijken van de maximaal toegestane parkeerduur, is niet rechtsgeldig mogelijk, aldus verweerder.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Relevante regelgeving

4.1. Ingevolge artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet kan in het kader van de parkeerregulering een belasting worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

4.2. Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet wordt als voldoening van parkeerbelasting – voor zover van belang – uitsluitend aangemerkt het bij aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of een parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften.

4.3. Ingevolge artikel 231 van de Gemeentewet in samenhang gezien met artikel 236 van de Gemeentewet is artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Awr kan belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, maar die geheel of gedeeltelijk niet is betaald, worden nageheven.

4.4. Ingevolge artikel 1, onder a, van de Verordening parkeerbelastingen 2009 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) wordt onder de naam parkeerbelasting een belasting geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Burgemeester en Wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze.

4.5. Ingevolge artikel 2, onder a, van de Verordening wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

4.6. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Verordening is de belasting – voor zover hier van belang – verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

4.7. Ingevolge artikel 5 van de Verordening zijn het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing vermeld in de bij de Verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel. De tarieventabel vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“Hoofdstuk 1 Tariefgebieden

(…)

10-cent-tariefgebieden:

10-cent-tariefgebieden zijn qua ruimte en qua tijd (parkeerduurbeperking) begrensd. Ruimtelijk vallen de gebieden samen met delen van tariefgebieden 1 tot en met 6. De onderscheidelijke parkeerduurbeperkingen worden aangegeven in het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit van het College van Burgemeester en Wethouders.

(…)

XXXI. Het gebied bevattende (1) de A-straat tussen de B-straat en de C-straat en (2) (…);

(…)

Hoofdstuk 5 Tarieven bij parkeerapparatuur

Het tarief in de tariefgebieden 1, 2, 3, 4, 5, 6, 90-cent-tariefgebied en 10-cent-tariefgebied, zoals bedoeld in hoofdstuk 1, voor het parkeren als bedoeld in art. 1, onderdeel a, van de Verordening Parkeerbelastingen, bedraagt:

(…)

In 10-cent-tariefgebied, € 0,10 per 60 minuten of een gedeelte daarvan;

(…)”

4.8. Ten aanzien van de tariefgebieden 1 tot en met 6 wordt in de tarieventabel vermeld dat voorzover een tariefgebied qua tijd en plaats samenvalt met een 10-cent-tariefgebied, op de tijden dat het 10-cent-tarief geldt, de tarieven van de tariefsgebieden 1 tot en met 6 niet van toepassing zijn.

4.9. Het Uitvoeringsbesluit op grond van Verordening Parkeerbelastingen 2009 en Parkeerverordening 2009 (hierna: het Uitvoeringsbesluit) vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:

“(…)

II. dat de voldoening van de parkeerbelasting mede moet geschieden met inachtneming van de voorschriften die op de/het door de gemeente uitgegeven parkeerkaart/betaalbewijs, dan wel op de parkeerapparatuur zijn gesteld;

(…)

IV. dat elkaar in tijd overlappende parkeerkaarten, met uitzondering van 10 centskaarten en parkeerkaarten uit het tariefgebied 10-cent-tariefgebied/tarief 4, geldig zijn voor de totale van die parkeerkaarten bij elkaar opgetelde parkeertijd en dat een parkeerkaart gekocht voor het bedrag van een dagkaart, geldt als dagkaart;

V. dat in de 10-centstariefgebieden, zoals bedoeld in de tarieventabel bij de verordening Parkeerbelastingen 2009, alleen maar mag worden geparkeerd met een 10-centskaart die in de ter plaatse daartoe aanwezige automaat is gekocht en/of door middel van het elektronisch in werking stellen van de ter plaatse daartoe aanwezige parkeerapparatuur, maar uitdrukkelijk niet met andere (nog geldige) parkeerkaarten of vergunningen, alles volgens de aanwijzingen op, aan of bij de parkeerautomaat aangebracht;

(…)”

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij de auto voor het kopen van de tweede 10-centskaart opnieuw heeft geparkeerd aan de overkant van de straat. De rechtbank acht deze verklaring van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft deze verklaring in een zeer laat stadium ingebracht en kon desgevraagd niet verklaren waarom hij deze informatie niet eerder heeft verschaft. Bij de beoordeling van de zaak gaat de rechtbank er derhalve vanuit dat eiser de auto niet heeft verplaatst alvorens een tweede 10-centskaart te kopen.

5.2. Uit artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet in samenhang bezien met artikel 234, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en artikel 4, eerste lid, van de Verordening volgt dat parkeerbelasting verschuldigd is bij aanvang van het parkeren. Eiser heeft bij aanvang van het parkeren € 0,10 betaald, hetgeen in overeenstemming is met het voor de desbetreffende plaats en het desbetreffende tijdstip geldende tarief zoals neergelegd in de tarieventabel. Uit de geldende bepalingen en voorschriften, aangehaald onder 4, alsmede de jurisprudentie (uitspraak van de Hoge Raad van 15 maart 2000, nr. 35201, BNB 2000/162) vloeit voort dat eiser met de auto op de desbetreffende plaats en het desbetreffende tijdstip maximaal 60 minuten kon parkeren, zonder mogelijkheid om deze maximale parkeerduur te verlengen door het kopen van een tweede 10-centskaart vóór het einde van de parkeerduur. In geschil is vervolgens of het mogelijk is om na afloop van de parkeerduur en daarmee na afloop van de eerste 10-centskaart een tweede 10-centskaart te kopen om op die wijze de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.

5.3. Eiser heeft met de aankoop van de tweede parkeerkaart na afloop van de op de eerste parkeerkaart vermelde termijn niet bereikt wat hij beoogde, namelijk rechtsgeldig parkeerbelasting betalen voor de voortzetting van het parkeren in het 10-centgebied. Uit artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet, in samenhang bezien met artikel 234, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet en artikel 4, eerste lid, van de Verordening volgt immers dat de parkeerbelasting bij aanvang van het parkeren dient te worden betaald. Nu eiser de auto slechts een maal heeft geparkeerd, is de rechtbank van oordeel dat eiser door het kopen van de tweede 10-centskaart niet bij aanvang van het parkeren deze parkeerbelasting heeft voldaan. Door in strijd met de parkeerduurbeperking de auto langer dan een uur te parkeren in A-straat te Amsterdam heeft eiser zichzelf in een positie gebracht dat hij weliswaar parkeerbelasting verschuldigd was omdat het parkeren niet was beëindigd, doch hij deze niet meer rechtsgeldig kon voldoen. De rechtbank volgt hiermee de lijn die is uitgezet in de uitspraak van 14 februari 2008, nrs. AWB 07/2610, 07/1325 en 07/1320 en komt in zoverre terug op de overweging ten overvloede in de uitspraak van 5 februari 2009, nr. AWB 07/7729.

5.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6. Proceskosten

De rechtbank acht geen aanleiding aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

7. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 augustus 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. E. de Greeve en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.M. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.