Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN5761

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
467928 / KG ZA 10-1553 HJ/JS
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen in kort geding tot ontruiming van verschillende horecapanden gedeeltelijk afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 467928 / KG ZA 10-1553 HJ/JS

Vonnis in kort geding van 31 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEINEKEN NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 23 augustus 2010,

advocaat mr. Ch.Y.M. Moons te Amsterdam,

tegen

1. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [naam 1],

die laatstelijk woonde te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERENIGDE HORECABEDRIJVEN NIJMEGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DANTZIG AAN DE AMSTEL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam.

Eiseres zal hierna Heineken worden genoemd. Gedaagden worden hierna de erven [naam 1], [gedaagde sub 2], VHN respectievelijk Dantzig genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 25 augustus 2010 heeft Heineken gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Heineken heeft producties en een pleitnota in het geding gebracht, gedaagden hebben alleen een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Voor Heineken zijn verschenen mr. L. Tejero del Rio, bedrijfsjurist, en [naam 2], bijgestaan door mr. S.M. van der Zwan, advocaat te Dieren en mr. S. Hirdes, advocaat te Amsterdam. Voor gedaagden is verschenen mr. Hammerstein.

2. De feiten

2.1. Heineken verhuurde aan wijlen [naam 1] de bedrijfsruimte gelegen aan de Zwanenburgwal 14/Amstel 1 te Amsterdam. Na het verscheiden van [naam 1] zijn de rechten en de verplichtingen uit deze huurovereenkomst overgegaan op zijn erfgenamen. [gedaagde sub 2] is als enig erfgenaam tot de nalatenschap geroepen. Hij heeft de nalatenschap vooralsnog niet aanvaard, maar hij beroept zich op het recht van beraad.

2.2. De huurprijs voor voornoemde bedrijfsruimte bedraagt € 6.310,08. Per 1 augustus 2010 bestond een achterstand in de betalingen van € 94.098,36, waarin begrepen een bedrag aan contractueel verschuldigde rente.

2.3. Heineken verhuurt aan VHN bedrijfsruimte in een drietal onroerende zaken, gelegen te Nijmegen aan de Molenstraat 75-gedeeltelijk en 79-81, de Molenstraat 83-85 en de Koningstraat 34 (hierna: de bedrijfsruimte te Nijmegen), voor een huurprijs van € 15.581,43, € 2.790,95 respectievelijk € 2.453,07 per maand. Per 1 augustus 2010 bestond een betalingsachterstand ten bedrage van € 41.488,90 inclusief contractuele rente.

2.4. Heineken verhuurt aan Dantzig bedrijfsruimte gelegen aan de Herengracht 71 te Muiden, inclusief de berging en parterre van de Kazernestraat 1 en 1a, alsmede de kelder en parterre van de Naarderstraat 3, voor een huurprijs van € 7.955,08 per maand. Per 1 augustus 2010 bestond een achterstand in de huurbetalingen ten bedrage van € 18.653,77 inclusief contractuele rente.

2.5. De voornoemde bedrijfsruimten worden door gedaagden onderverhuurd aan derden, die in het gehuurde horecaondernemingen exploiteren.

3. Het geschil

3.1. Heineken vordert samengevat – gedaagden te veroordelen de onderscheidenlijk door hen gehuurde bedrijfsruimten te ontruimen, met verlof om het vonnis op alle dagen en uren te mogen betekenen en ten uitvoer te leggen, met verkorting van de termijn ex artikel 555 Rv.

Heineken legt aan haar vorderingen ten grondslag, kort samengevat, dat de achterstand in de betaling van de huurpenningen een toerekenbare tekortkoming van gedaagden in de nakoming van hun verplichtingen is, die ontbinding van de huurovereenkomsten rechtvaardigt. Volgens Heineken is sprake van structurele wanbetaling, temeer nu gedaagden hebben gesteld dat zij ook niet in de toekomst aan hun betalingsverplichtingen zullen voldoen. Volgens Heineken is, vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter, de gevorderde ontruiming toewijsbaar.

3.2. Gedaagden voeren verweer tegen het gevorderde voor zover dit ziet op de vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimten gelegen in Amsterdam en in Muiden. VHN heeft zich niet verweerd tegen de vordering tot ontruiming van de bedrijfsruimte in Nijmegen. Op het verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2. Gedaagden hebben het bestaan van de huurachterstanden op zichzelf niet betwist, maar zij betogen niettemin dat de thans gevorderde ontruimingen, behoudens waar het gaat om de bedrijfsruimte in Nijmegen, niet voor toewijzing in aanmerking komen. Zij stellen daartoe dat het Plassania-concern, waartoe gedaagden behoren, financieel in dermate zwaar weer verkeert, dat met Heineken en Inbev Nederland B.V. als de grootste schuldeisers wordt onderhandeld om tot een alomvattende afwikkeling van de verschillende rechtsverhoudingen te geraken (en uiteindelijk tot de liquidatie van Plassania), die zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van alle betrokken partijen. Volgens gedaagden is daarbij, ook door Heineken, tot uitgangspunt genomen dat de verschillende Plassania-ondernemingen “going concern” zouden worden verkocht, teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren, die ten goede dient te komen aan alle schuldeisers. Gedaagden stellen dat Heineken dit uitgangspunt frustreert door thans ontruiming te vorderen, nu dit tot gevolg zal hebben dat de desbetreffende ondernemingen niet meer verkocht zullen kunnen worden. Gevolg van dit alles is volgens gedaagden bovendien dat Inbev zich in haar verhaalspositie ziet benadeeld, en derhalve de onderhandelingen heeft afgebroken en het faillissement van Plassania heeft aangevraagd. Gedaagden stellen dat zij, gelet op het vorenstaande, door de ontruimingen onevenredig grote schade zullen leiden. Zij wijzen erop dat de huurachterstand die thans aan de ontruiming ten grondslag wordt gelegd als zeer gering moet worden aangemerkt wanneer deze wordt gerelateerd aan de bestaande schuldenlast. Gedaagden hebben ter terechtzitting verklaard de bestaande huurachterstanden te zullen voldoen uit een noodfonds dat Plassania ter beschikking staat.

4.3. Nu Heineken dit niet, althans onvoldoende heeft betwist wordt er bij de beoordeling van uitgegaan dat Heineken, Inbev en Plassania tot voor kort onderhandelingen voerden om tot een algehele afwikkeling van de relatie tussen de brouwerijen en Plassania te geraken en dat bij partijen de intentie heeft voorgezeten dat gedaagden hun ondernemingen “going concern” zouden verkopen. Geoordeeld wordt dat het te gelde maken van de aan de ondernemingen verbonden goodwill als een zwaarwegend belang van gedaagden moet worden aangemerkt. Naar moet worden aangenomen zal het realiseren van de goodwill niet meer mogelijk zijn indien de betreffende bedrijfsruimten zijn ontruimd.

4.4. Daarnaast wordt overwogen dat gedaagden hebben verklaard voor betaling van de achterstallige huur zorg te zullen dragen. Heineken heeft niet weersproken dat deze bedragen kunnen worden voldaan uit het noodfonds van Plassania. Aan Heineken kan worden toegegeven dat de aan gedaagden toerekenbare tekortkoming door betaling niet geheel ongedaan wordt gemaakt, temeer niet nu gedaagden reeds eerder huurachterstanden lieten ontstaan, maar door betaling zullen de voor Heineken nadelige gevolgen van de tekortkoming in belangrijke mate worden gemitigeerd. Aangezien het in de bedoeling van partijen ligt om binnen afzienbare termijn tot afwikkeling van de verschillende rechtsverhoudingen met Plassania te komen, moet de kans dat gedaagden herhaald zullen tekortschieten in de verplichtingen om huur te betalen en Heineken met oplopende huurvorderingen zal worden geconfronteerd, gering worden geacht. Gelet op het voorgaande, en in aanmerking genomen het hiervoor onder 4.3 genoemde zwaarwegende belang van gedaagden, heeft Heineken onvoldoende onderbouwd dat zij bij haar vorderingen een zodanig spoedeisend belang heeft dat, ook indien de achterstallige huur wordt voldaan, vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter de ontruiming dient te worden toegewezen.

4.5. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de gevorderde ontruiming van de bedrijfsruimten gelegen in Amsterdam en Muiden zal worden toegewezen onder de ontbindende voorwaarde van betaling van de thans bestaande huurachterstand. De vordering kan, voor zover ingesteld tegen [gedaagde sub 2], worden toegewezen onder de opschortende voorwaarde dat [gedaagde sub 2] de nalatenschap van [naam 1] aanvaardt.

4.6. Ten aanzien van de bedrijfsruimte te Nijmegen geldt volgens gedaagden dat met de verkoop van deze onderneming geen goodwill kan worden gerealiseerd. VHN heeft zich tegen de vordering tot ontruiming van deze bedrijfsruimte niet verweerd, zodat deze vordering zal worden toegewezen.

4.7. Heineken heeft verzocht verlof te verlenen om dit vonnis op alle dagen en uren te mogen betekenen, op grond dat in de betreffende ruimten horecabedrijven zijn gevestigd waar veelal alleen ’s avonds mensen aanwezig zijn. Dit verzoek zal worden toegewezen.

4.8. Verder heeft Heineken verzocht om het vonnis op alle dagen en uren ten uitvoer te mogen leggen en om verkorting van de termijn ex artikel 555 Rv. te bepalen, eveneens om reden dat in de betreffende ruimten horecabedrijven zijn gevestigd. Dit verzoek wordt afgewezen. Voor ontruiming is geenszins vereist dat deze plaatsvindt binnen de openingstijden van de betreffende horecagelegenheden. De termijn van artikel 555 Rv. dient ook het belang van derden wier rechten door de tenuitvoerlegging kunnen worden geraakt. In het onderhavige geval worden de horecagelegenheden in de te ontruimen bedrijfsruimten feitelijk geëxploiteerd door derden. Door verkorting van de beveltermijn kunnen de belangen van deze derden onaanvaardbaar in het gedrang komen.

4.9. Gelet op de uitkomst van deze procedure worden de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de gezamenlijke erfgenamen van [naam 1], alsmede [gedaagde sub 2] onder de opschortende voorwaarde dat hij de nalatenschap van [naam 1] aanvaardt, om de bedrijfsruimte gelegen aan de Zwanenburgwal 14/Amstel 1 te Amsterdam, met al de hunnen en het hunne te ontruimen en te verlaten en onder inlevering van de sleutels ter vrije beschikking van Heineken te stellen, met machtiging, voor zover vereist, van Heineken om, indien door de gezamenlijke erfgenamen en/of [gedaagde sub 2], wanneer hij de nalatenschap van [naam 1] heeft aanvaard, aan deze veroordeling niet wordt voldaan, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

5.2. bepaalt dat Heineken aan de hiervoor onder 5.1. gegeven veroordeling geen rechten kan ontlenen indien binnen één week na betekening van dit vonnis de achterstand in de huurbetalingen voor die bedrijfsruimte ad € 94.098,36 (inclusief rente) zal zijn betaald;

5.3. veroordeelt Dantzig om de bedrijfsruimte gelegen aan de Herengracht 71 te Muiden, inclusief de berging en parterre van de Kazernestraat 1 en 1a, alsmede de kelder en parterre van de Naarderstraat 3, met al de haren en het hare te ontruimen en te verlaten en onder inlevering van de sleutels ter vrije beschikking van Heineken te stellen, met machtiging, voor zover vereist, van Heineken om, indien door Dantzig niet aan deze veroordeling wordt voldaan, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

5.4. bepaalt dat Heineken aan de hiervoor onder 5.3. gegeven veroordeling geen rechten kan ontlenen indien binnen één week na betekening van dit vonnis de achterstand in de huurbetalingen voor die bedrijfsruimte ad € 18.653,77 (inclusief rente) zal zijn betaald;

5.5. veroordeelt VHN om de bedrijfsruimte in de onroerende zaken, gelegen te Nijmegen aan de Molenstraat 75-gedeeltelijk en 79-81, de Molenstraat 83-85 en de Koningstraat 34 met al de haren en het hare te ontruimen en te verlaten en onder inlevering van de sleutels ter vrije beschikking van Heineken te stellen, met machtiging, voor zover vereist, van Heineken om, indien door VHN niet aan deze veroordeling wordt voldaan, de nakoming daarvan te (doen) bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

5.6. bepaalt dat dit vonnis kan worden betekend op alle dagen en uren;

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel., voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.J.M. Saelman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2010.