Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN5049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
467532 / KG ZA 10-1531 en 467494 / FA RK 10-6918 (FH/FW)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7943, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het besluit tot opleggen huisverbod wordt vernietigd op grond van een gebrekkige motivering, nu in het RiHG zeer veel onjuiste, dan wel niet onderbouwde informatie is opgenomen. De rechtsgevolgen worden gelet op de nagekomen stukken en de toelichting ter zitting in stand gelaten. Het besluit tot verlenging van het huisverbod wordt op grond van de ter zitting gebleken omstandigheden vernietigd voor zover het betreft de periode vanaf de datum van de zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Civiel

Voorzieningenrechter

zaaknummer / rekestnummer: 467532 / KG ZA 10-1531 en 467494 / FA RK 10-6918 (FH/FW)

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 18 augustus 2010 betreffende tijdelijk huisverbod

(artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht)

Zitting hebben:

mr. F. Hoogendijk, als voorzieningenrechter,

mr. F.K. van Wijk, als griffier.

in het geding tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende te onbekend,

verzoeker (hierna: de man)

gemachtigde mr. S.J. van der Woude,

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

zetelende te Amsterdam,

gemachtigde mr. A. Berends,

in welke zaak als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vrouw], (hierna: de vrouw)

Wonende te [woonplaats]

en de minderjarige kinderen

- [kind 1],

- [kind 2],

- [kind 3],

- [kind 4],

- [kind 5],

wonende te [woonplaats].

1. Het procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2010 heeft verweerder aan de man een tijdelijk huisverbod opgelegd.

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft verweerder het huisverbod verlengd.

Tegen beide besluiten heeft de man op 13 augustus 2010 beroep ingesteld.

Tevens heeft hij verzocht ter zake daarvan voorlopige voorzieningen te treffen.

De beroepen en de verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 18 augustus 2010. De man is daar verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Berends.

De minderjarige [kind 1], die 12 jaar of ouder is, is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

Ter zitting heeft de man het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van het het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2010 ingetrokken.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechter gewezen op de rechtsmiddelen, zoals onder aan dit proces-verbaal vermeld.

De beslissing en de overwegingen luiden als volgt.

2. De beslissing

De voorzieningenrechter

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 augustus 2010, strekkende tot het opleggen van een huisverbod;

- laat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 augustus 2010, strekkende tot verlenging van het huisverbod voor zover dit betrekking heeft op de periode vanaf heden;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af;

- veroordeelt de verweerderin de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,- (duizend driehonderd en elf euro) en wijst de gemeente Amsterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de man moet vergoeden.

3. De overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

De rechter is van oordeel dat in dit geval de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen, zodat geen beletsel bestaat voor toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb.

De feiten

Bij de beoordeling van de beroepen en het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man woont samen met de vrouw en hun vijf minderjarige kinderen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

Op 2 augustus 2010 heeft zich in de woning een incident voorgedaan in de huiselijke sfeer. De vrouw is hierop naar het politiebureau gegaan en heeft melding gemaakt van huiselijk geweld, te weten bedreiging van haar met een mes door de man. Hierop zijn verbalisanten ter plaatse gegaan. Zij hebben in de woning de man aangetroffen, die op hen een dronken indruk maakte en ook de vijf kinderen. Zij hebben [kind 1] ter plaatse gehoord. Van hun bevindingen hebben zij proces-verbaal opgemaakt. De man is aangehouden. De vrouw heeft aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling. De man is als verdachte verhoord. Ook hiervan zijn processen-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft de hulpofficier van justitie de situatie beoordeeld met het oog op een aan de man op te leggen huisverbod. Hij heeft hiertoe het Risico-taxatieintrument Huiselijk Geweld (RiHG) ingevuld en van zijn bevindingen proces-verbaal opgemaakt. Hij is tot de conclusie gekomen dat de aanwezigheid van de man in de woning een onmiddellijk dreigend ernstig gevaar voor de huisgenoten opleverde.

Hierop heeft hij namens verweerder besloten om aan de man een tijdelijk huisverbod op te leggen. Dit besluit, gedateerd op 3 augustus 2010, houdt in dat de man de woning gelegen aan [adres] te [woonplaats] vanaf 3 augustus 2010 15.07 uur tot 13 augustus 2010 15.07 niet mag betreden, noch daarin aanwezig mag zijn of zich daarbij mag ophouden, alsmede een contactverbod met de vrouw en de kinderen.

Ter motivering van dit besluit heeft verweerder gesteld dat er signalen waren van langdurig extreem geweld in bijzijn van kinderen en gebruik van alcohol. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat betrokkene ontkent dat hij heeft geslagen en er geen hulpverlening bij het gezin betrokken is. In de belangenafweging heeft verweerder het creëren van veiligheid en rust voor het gezin voorop gesteld.

Op 11 augustus 2010 heeft de Blijfgroep coördinatiepunt Tijdelijk Huisverbod een zorgadvies uitgebracht, met als conclusie dat het huisverbod dient te worden verlengd.

Op 12 augustus 2010 heeft de Directie Openbare Orde en Veiligheid een beleidsadvies uitgebracht met gelijke conclusie.

Bij besluit van 12 augustus 2010 heeft verweerder het aan de man opgelegde huisverbod verlengd met een aansluitende periode van 18 dagen, derhalve tot 31 augustus 2010.

Ter motivering daarvan heeft verweerder opgemerkt: ‘Ten aanzien van de in het risicotaxatie-instrument geconstateerde feiten en omstandigheden is onder andere gebleken dat uithuisgeplaatse fysiek geweld heeft gebruikt en signalen vertoonde die wijzen op excessief alcoholgebruik. Tevens waren kinderen getuige van het geweld.’ Voorts heeft verweerder opgemerkt dat de spanningen hoog oplopen als betrokkenen met elkaar in gesprek gaan, de man moeizaam zijn problematiek en het incident erkent en de hulpverlening slechts onder druk door de man is aanvaard en nog geen reële aanvang heeft genomen. Onder verwijzing naar het feit dat het zorgcoördinatiepunt de kans op escalatie nog aanwezig acht overweegt verweerder dat de dreiging van het gevaar nog niet geweken is. De veiligheid van de vrouw en de kinderen heeft verweerder vervolgens zwaarder laten wegen dan het belang van de man bij terugkeer naar de woning.

De man heeft tegen de beide bestreden besluiten – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Ten onrechte is alleen afgegaan op het relaas van de vrouw. De man erkent dat hij op de bewuste avond ruzie had met zijn vrouw, maar ontkent dat hij toen dronken was – al had hij zeven of acht blikjes bier gedronken – en de vrouw met een mes heeft bedreigd. Hij wijst erop dat zijn dochter [kind 1] tegenover de politie heeft verklaard dat zij die bedreiging niet heeft gezien. Voorts stelt hij met betrekking tot een groot aantal punten van het RiHG dat deze onjuist zijn ingevuld, dan wel niet zijn onderbouwd, waardoor een foutief beeld van de persoon van de man en de voorgeschiedenis is ontstaan. Ter zitting heeft hij erop gewezen dat verweerder zijn stellingen dienaangaande niet heeft weersproken. In de visie van de man heeft hij geen bedreiging gevormd voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen en doet hij dat nog steeds niet. De man erkent dat hij een probleem heeft met betrekking tot alcohol. Hij acht zich niet verslaafd, maar wil zich wel laten behandelen in de door de hulpverleners voorgestelde zin. Hij wil zich inzetten om de problemen in het gezin op te lossen.

Tegen de verlenging van het huisverbod heeft de man aangevoerd dat het gevaar nooit heeft bestaan. Voorts heeft hij gesteld dat hij van meet af aan heeft meegewerkt aan de hulpverlening. Het is niet aan hem te wijten dat deze nog niet is gestart.

Tegen beide besluiten heeft hij aangevoerd dat de inbreuk die verweerder hiermee heeft gemaakt op zijn familie- en privéleven niet in verhouding staat tot het daarmee te dienen doel. Hij acht de besluiten in strijd met artikel 8 van het EVRM.

De beoordeling

De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt.

Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421, hierna: Wth) in werking getreden.

Het huisverbod

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

De rechter heeft dan ook allereerst de vraag te beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning op 3 augustus 2010 een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid voor één of meer van zijn huisgenoten, in het bijzonder voor de vrouw.

De rechter merkt op dit punt op dat de motivering die verweerder blijkens het bestreden besluit aan het huisverbod ten grondslag heeft gelegd die beslissing niet kan dragen. Hetgeen verweerder als grondslag voor het vermoeden van de gevaarsdreiging in het bestreden besluit heeft vermeld acht de rechter onbegrijpelijk en ontoereikend. De rechter vermag niet in te zien hoe de enkele ontkenning van de gestelde bedreiging aanleiding kan zijn tot het bestreden besluit. Voorts bevat het ingevulde RiHG een groot aantal – door verweerder ter zitting erkende – fouten, althans stellingen, die geen grondslag vinden in de onderliggende processen-verbaal en politiemutaties. De wijze waarop dit stuk is opgesteld getuigt van onzorgvuldigheid in de besluitvorming. Het feit dat het RiHG slechts een hulpmiddel is voor de hulpofficier van justitie bij zijn beoordeling of een huisverbod moet worden opgelegd, doet daaraan niet af, nu het in dit geval een beeld van de man en de omstandigheden schetst, die op belangrijke onderdelen geen recht doen aan de werkelijke situatie.

De rechter is dan ook van oordeel dat dit besluit in rechte geen stand kan houden wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Het komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 6:47 en 6:48 Awb.

De rechter ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 Awb in stand te laten op grond van de volgende overwegingen.

Op grond van de verklaringen van de vrouw en de man, neergelegd in de processen-verbaal van aangifte en verhoor en gelet op het proces-verbaal van bevindingen, waarin onder meer opgenomen een verklaring van de minderjarige [kind 1], alsmede op de politiemutatie van 6 oktober 2009 is niet komen vast te staan dat de man op 3 augustus 2010 de vrouw met een mes heeft bedreigd. Wel heeft verweerder op grond van genoemde stukken het ernstig vermoeden kunnen hebben dat de toedracht van het voorval op die datum is geweest, zoals door de vrouw beschreven. Daarbij is met name van belang, dat uit de stukken blijkt dat de vrouw al eens eerder de politie had gemeld dat zij door de man regelmatig werd geslagen, dat de vrouw en de man op evengenoemde datum een heftige ruzie hadden en dat de man op dat moment dronken was. In dit licht bezien heeft verweerder in de ernst van de door de vrouw beweerde bedreiging het ernstig vermoeden kunnen hebben dat de veiligheid van de vrouw ernstig en onmiddellijk gevaar liep. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden bevoegd geacht om het huisverbod op te leggen.

De rechter is voorts van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot oplegging van het huisverbod heeft kunnen komen. Hierbij weegt de ernst van de gevaarsdreiging zwaar mee, terwijl aan de kant van de man geen bijzondere belangen bekend zijn geworden. Naar het oordeel van de rechter kan niet worden gezegd dat de gevolgen van het huisverbod voor de man, bestaande uit het niet kunnen betreden van zijn woning en het ontberen van contact met zijn gezin, onevenredig zijn in verhouding tot het met het huisverbod te dienen doel, te weten het creëren van veiligheid voor de huisgenoten en een afkoelingsperiode en ruimte voor hulpverlening voor alle betrokkenen. De stelling van de man dat het besluit strijd met artikel 8 EVRM onderschrijft de rechter niet.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2010 gegrond is.

De verlenging

Op grond van artikel 9 Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder op basis van de genoemde adviezen op goede gronden kunnen menen dat op 13 augustus 2010 het ernstig vermoeden van de gevaarsdreiging nog niet was geweken. In dit verband merkt de rechter op dat weliswaar de man goed heeft meegewerkt met de hulpverleners door het voeren van gesprekken en de bereidverklaring om zich onder behandeling te stellen van de Jellinek-kliniek, maar dat concrete stappen op dit punt nog niet waren genomen, terwijl ook de huiselijke problemen nog niet waren opgelost. De omstandigheid dat dit niet aan de man was te wijten doet hieraan niet af.

Verweerder heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht om het besluit tot verlenging van het huisverbod te nemen.

Voorts kan niet worden gezegd dat de gevolgen van dat besluit voor de man onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het ermee te dienen doel, zijnde hetzelfde doel als dat van het huisverbod. Weliswaar zou de man zijn vervangende woonruimte kwijt raken, maar verweerder kon de man aan ander onderdak helpen.

Het verlengingsbesluit was op het moment dat verweerder dit nam naar het oordeel van de rechter dan ook niet onrechtmatig.

Op grond van artikel 6, lid 3, Wth dient de rechter echter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod te betrekken. Dit geldt ingevolge artikel 9, lid 1, Wth ook voor de verlenging van het huisverbod.

Oordelend naar het moment van de zitting overweegt de rechter dat de man blijk geeft van inzicht in zijn alcoholprobleem en zich gemotiveerd toont om zijn plaats in het gezin op verantwoorde wijze weer in te nemen. Daarbij komt dat de man heeft verklaard dat hij tijdens de periode van de Ramadan in het geheel geen alcohol nuttigt. De rechter heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. Deze periode eindigt eerst na afloop van het verlengde huisverbod. De gevaarsdreiging hangt – naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt - in belangrijke mate samen met het alcoholmisbruik van de man. Gelet op deze omstandigheden is de rechter van oordeel dat thans de aanwezigheid van de man in de woning geen onmiddellijk dreigend gevaar voor de huisgenoten oplevert.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2010 gegrond is. Dat besluit wordt vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de periode vanaf heden.

De voorzieningenrechter ziet in hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de vernietiging van het besluit van 3 augustus 2010 tot het opleggen van het huisverbod aanleiding de verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 Awb te veroordelen in de kosten die de man in verband met de behandeling van het verzoek tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De voorzieningenrechter bepaalt de proceskosten, begroot op de voet van van het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, x factor 1 x € 437,- ) op € 1.311,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. F. Hoogendijk, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.K. van Wijk, griffier.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende – onder wie in elk geval de verzoekende partij wordt begrepen – en de verwerende partij kunnen tegen deze uitspraak – voor zover daarin is beslist in de hoofdzaak – hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.