Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3896

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
13/401740-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Steekpartij bij café in Amsterdamse binnenstad. Poging tot zware mishandeling door verdachte van 3 personen bewezen, door met een mes onder meer in rug, buik en been te steken. Medeplegen door medeverdachten niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/401740-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 13 augustus 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring "PPC" te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 juli 2010.

Deze zaak is gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaak van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 30 juli 2010. Ook tegen voornoemde medeverdachten wordt heden vonnis gewezen. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank niet alleen de rol van verdachte maar ook de rol van de medeverdachten bespreken.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L.F. Roseval en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. M.L.A. ter Veer en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd - met inachtneming van de op de terechtzitting van 19 februari 2010 toegelaten wijziging van het ten laste gelegde - dat

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam 1]

en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4]

en/of [naam 5] van het leven te beroven met dat opzet met een of meer

van zijn mededader(s), althans alleen met enig (scherp) voorwerp (een mes

en/of een (stuk) glas))

- [naam 1] in/onder zijn (linker) bil en/of zij en/of zijn schouderblad en/of

- [naam 2] in zijn buik en/of

- [naam 3] in zijn been en/of in zijn rug en/of

- [naam 4] in zijn gezicht en/of in zijn hand en/of

- [naam 5] in haar hand en/of

heeft gestoken en/of heeft gesneden;

Artikel 45 juncto 47 juncto 287 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een

persoon genaamd [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of

[naam 4] en/of [naam 5], opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel (een of meer steekwond(en) en/of snijwond(en)), heeft toegebracht, door

opzettelijk (meermalen)

- [naam 1] in/onder zijn (linker) bil en/of zij en/of zijn schouderblad en/of

- [naam 2] in zijn buik en/of

- [naam 3] in zijn been en/of in zijn rug en/of

- [naam 4] in zijn gezicht en/of in zijn hand en/of

- [naam 5] in haar hand en/of

te steken en/of te snijden;

Artikel 47 juncto 302 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 08 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met

een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, (meermalen)

- [naam 1] in/onder zijn (linker) bil en/of zij en/of zijn schouderblad en/of

- [naam 2] in zijn buik en/of

- [naam 3] in zijn been en/of in zijn rug en/of

- [naam 4] in zijn gezicht en/of in zijn hand en/of

- [naam 5] in haar hand en/of

heeft gestoken en/of heeft gesneden;

Artikel 45 juncto 47 juncto 302 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 8 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

mishandelend

- [naam 1] in/onder zijn (linker) bil en/of zij en/of zijn schouderblad en/of

- [naam 2] in zijn buik en/of

- [naam 3] in zijn been en/of in zijn rug en/of

- [naam 4] in zijn gezicht en/of in zijn hand en/of

- [naam 5] in haar hand

heeft gestoken en/of heeft gesneden, waardoor deze letsel heeft/hebben

bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

Artikel 47 juncto 300 Wetboek van Strafrecht

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Feiten

De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten af.

3.1 Op 8 november 2009 omstreeks 09:25 uur vindt een steekpartij plaats in en bij café Crazy te Amsterdam. Een man genaamd [naam 4] heeft een wond op zijn voorhoofd. Drie andere mannen ([naam 1], [naam 2] en [naam 3]) hebben steekwonden. Een in het café aanwezige vrouw ([naam 5]) heeft letsel aan haar hand. De daders zouden zijn gevlucht met een taxi die door de politie wordt gevolgd. Deze taxi stopt op de Hobbemakade te Amsterdam. Er stappen drie mannen uit de taxi die vervolgens wegrennen. Eén van deze mannen is verdachte die korte tijd later wordt aangehouden.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vraagt vrijspraak voor het ten laste gelegde ten aanzien van [naam 5] aangezien niet duidelijk is dat het letsel aan haar hand is veroorzaakt door het handelen van één van de verdachten.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag ten aanzien van de slachtoffers [naam 1] en [naam 3] en aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling ten aanzien van de slachtoffers [naam 2] en [naam 4].

De officier van justitie baseert haar standpunt op de verklaringen van [naam 1], [naam 6], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 7] en [naam 8], op de letselverklaringen en de foto's van het letsel van [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en de foto's van het veiligheidsvest van [naam 3]. Ook baseert zij haar standpunt op de foslo waarbij getuige [naam 6] verdachte [verdachte] herkent als de man die heeft gestoken met een mes en de foslo's waarbij [naam 1] verdachte [medeverdachte 1] herkent als één van de drie mannen die met hem heeft gevochten en waarbij hij verdachte [medeverdachte 2] herkent als de man die hem bij zijn revers heeft gepakt en die hij van een eerder incident kende.

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat sprake is van drie daders die worden aangeduid als een kale/dikke, een kleine/magere en een lange. De lange blijkt verdachte [medeverdachte 2] te zijn, de kale/dikke blijkt verdachte [medeverdachte 1] te zijn en de kleine/magere blijkt verdachte [verdachte] te zijn, aldus de officier van justitie.

Medeplegen

De officier van justitie is van mening dat sprake is van medeplegen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat [naam 4] met een glas wordt aangevallen door verdachte [medeverdachte 1] en dat wanneer hij op de grond terecht komt, ook verdachte [medeverdachte 2] daar is om [naam 4] te slaan en te stompen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan door met vechten. [medeverdachte 2] heeft een stukgeslagen glas in zijn hand. Buiten blijven ze vervelend doen en vallen ze tegelijkertijd de portiers aan. Er ontstaat een worsteling en de portiers proberen beide mannen van zich af te houden. [naam 1] wordt in zijn rug en bil gestoken terwijl hij wordt vastgehouden door [medeverdachte 2]. [naam 3] ziet, terwijl hij met [medeverdachte 2] spreekt, in zijn ooghoek de twee andere Marokkaanse jongens naar hem toekomen en hij voelt dat hij aan de achterkant wordt geslagen door iemand. Hij ziet de twee jongens wegrennen. [naam 3] beseft dat hij door [medeverdachte 1] of [verdachte] moet zijn gestoken. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] of [medeverdachte 2] [naam 2] in de buik steekt.

De officier van justitie acht bewezen dat ook verdachte [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de poging zware mishandeling van [naam 4]. Verdachte [verdachte] is immers samen met zijn medeverdachten het café Crazy binnen gegaan. De incidenten vormen één groot gebeuren, waarvan de eerste aanleiding de poging zware mishandeling van [naam 4] is. De verdachten lopen na het incident ook samen weg en stappen samen in een taxi.

Kwalificatie van het bewezen geachte

De officier van justitie acht het medeplegen van een poging tot doodslag ten aanzien van de slachtoffers [naam 1] en [naam 3] bewezen. Verdachte heeft voorwaardelijke opzet gehad bij de poging tot doodslag. [naam 1] is meermalen lukraak in de rug gestoken. [naam 3] heeft letsel en een steekgat in het veiligheidsvest ter hoogte van het schouderblad. Bij beide slachtoffers bestond de aanmerkelijke kans dat bij het steken vitale organen geraakt zouden worden. Met het steken heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [naam 1] en [naam 3] zouden overlijden.

De officier van justitie acht het medeplegen van een poging tot zware mishandeling ten aanzien de slachtoffers [naam 2] en [naam 4] bewezen. [naam 2] is in zijn buik gestoken en de aanmerkelijke kans bestond dat bijvoorbeeld een darmperforatie zou ontstaan. Bij [naam 4] had het glas in zijn ogen terecht kunnen komen of zouden ontsierende littekens kunnen zijn ontstaan. Bij beide slachtoffers bestond dus de aanmerkelijke kans dat zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan en verdachte en zijn mededaders hebben deze kans op de koop toegenomen

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is, met de officier van justitie, van mening dat er geen bewijs is voor het ten laste gelegde ten aanzien van [naam 5].

De raadsvrouw is voorts van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging en voert hiertoe het volgende aan.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat uit de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte niet betrokken is geweest bij de onenigheid binnen in de Crazy bar. Er zijn geen redengevende bewijsmiddelen in het dossier te vinden die hem aan deze vechtpartij verbinden.

Uit het dossier blijkt voorts niet dat binnen en/of buiten het café sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten. Uitsluitend [naam 1] verklaart dat hij door een lange Marokkaan werd vastgepakt, terwijl hij door een kleine Marokkaan werd gestompt. [naam 1] heeft echter niet consistent verklaard. De enige gezamenlijke handeling die is verricht na het incident is dat de drie verdachten mogelijk samen zijn vertrokken met een taxi. Nu zij mogelijk ook samen in de Crazy bar zijn aangekomen, vormt dit vertrek op zichzelf geen indicatie voor medeplegen.

Op grond van de getuigenverklaringen kan geen eenduidige conclusie worden getrokken en niet overtuigend worden bewezen dat verdachte strafbare handelingen zou hebben verricht jegens [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Er is geen eenduidigheid over de vraag hoe voornoemde personen aan hun verwondingen zijn gekomen. De verklaringen van diverse getuigen over wat zich buiten heeft afgespeeld stemmen niet met elkaar overeen. Voorts passen de signalementen die door verschillende getuigen van de steker worden gegeven niet bij verdachte.

Kwalificatie van het bewezen geachte

Indien de rechtbank wel tot een veroordeling komt, is de raadsvrouw van mening dat het bewezen geachte ten aanzien van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] middels het voorwaardelijk opzet zou kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging zal zich daarom refereren ten aanzien van de meer en/of uiterst subsidiair ten laste gelegde modaliteit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De beoordeling van de stukken

4.3.1.1 De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat [naam 4] in café Crazy gewond is geraakt doordat hij met een glas in zijn gezicht is geslagen. [naam 1], [naam 2] en [naam 3] zijn buiten het café gestoken en gewond geraakt. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van één groot voorval, maar van twee losse incidenten die korte tijd na elkaar hebben plaatsgevonden.

4.3.1.2 Op grond van de verklaringen van aangevers en getuigen en de opgegeven signalementen is vast komen te staan dat de drie Marokkaanse mannen die samen in de kroeg waren en die aanwezig waren bij de incidenten verdachte en zijn medeverdachten waren. De verdachten zijn allemaal herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie. Verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] zijn aangehouden kort na het gebeuren en nadat ze uit de taxi renden waarmee ze waren gevlucht. De rechtbank sluit enige betrokkenheid van één of meerdere andere (Marokkaanse) mannen bij de incidenten uit, nu het dossier hiervoor geen aanwijzingen bevat.

4.3.1.3 Hoewel de verklaringen niet eenduidig zijn voor wat betreft de signalementen van de drie verdachten is uit de verklaringen wel duidelijk een aantal uiterlijke kenmerken van de verdachten af te leiden. De rechtbank is van oordeel dat op grond van verklaringen van aangevers en getuigen in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk is dat met de kale verdachte [medeverdachte 1], met de lange verdachte [medeverdachte 2] en met de klein(st)e verdachte [verdachte] wordt bedoeld. Voorst blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [medeverdachte 2] netjes waren gekleed en dat verdachte [verdachte] een donkergekleurde jas en een spijkerbroek droeg.

4.3.2 Partiële vrijspraak

Het ten laste gelegde ten aanzien van [naam 5]

4.3.2.1 De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen is ten laste gelegd ten aanzien van [naam 5], zodat verdachte voor dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, nu [naam 5] in tweede instantie heeft verklaard dat zij niet weet hoe haar letsel is ontstaan.

Het ten laste gelegde ten aanzien van [naam 4]

4.3.2.2 De rechtbank acht op grond van de verklaringen van de getuigen en aangever [naam 4] bewezen dat verdachte [medeverdachte 1] degene is geweest die [naam 4] met een glas in zijn gezicht heeft geraakt. De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is geweest van medeplegen door verdachte. Uit het dossier blijkt immers niet van enige betrokkenheid van verdachte bij het slaan met een glas van [naam 4]. Ook is niet gebleken van een afspraak tussen verdachten of een vooropgezet plan om [naam 4] te slaan met een glas. Ook de feiten en omstandigheden zoals door de officier van justitie aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij het in het gezicht slaan van [naam 4]. Gezien het voorgaande dient verdachte van het ten laste gelegde steken of snijden in het gezicht van [naam 4] te worden vrijgesproken.

4.3.2.3 De rechtbank is voorts van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld door wie het letsel aan de hand van [naam 4] is veroorzaakt. [naam 4] is de enige persoon die verklaart dat hij een tweede klap heeft gekregen met een glas die hij met zijn hand heeft afgeweerd. De andere getuigen verklaren alleen over een vechtpartij tussen [naam 4] en twee Marokkaanse mannen. Gezien het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde steken of snijden van [naam 4] waardoor letsel aan zijn hand is veroorzaakt.

4.3.3 De bewijsmiddelen

4.3.3.1 De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

4.3.3.2 [naam 2] verklaart op 8 november 2008 (de rechtbank begrijpt: op 8 november 2009) bij de politie dat hij die ochtend buiten de Crazy bar te Amsterdam plotseling is neergestoken. Hij had eerst niet in de gaten dat hij gestoken was, hij dacht dat hij een paar stompen kreeg. Plotseling zag hij dat hij veel bloed verloor en bleek dat hij zijn buik was gestoken. De jongen die hem heeft gestoken beschrijft [naam 2] als een magere Marokkaanse jongen, kort haar en kleiner dan [naam 2] zelf die 1.80 meter is.i In het ziekenhuis blijkt dat [naam 2] een steekwond in de linkerbovenbuik heeft, waarvoor hij ter observatie is opgenomen van 8 tot en met 9 november 2009. Het gaat om een steekwond die niet tot in de buik is geweest. Er is alleen een oppervlakkig letsel van de buikwand.ii

4.3.3.3 [naam 1], eigenaar van café Crazy te Amsterdam, verklaart bij de politie dat hij op 8 november 2009 buiten het café door de lange Marokkaan werd vastgepakt aan zijn vest ter hoogte van zijn borst. [naam 1] voelde dat de kleine Marokkaan een aantal keren tegen hem aan stompte. De kleine Marokkaan kwam van achteren aanlopen, toen de lange Marokkaan [naam 1] nog steeds vasthield. [naam 1] zag vervolgens dat de kleine Marokkaan naar [naam 3], de portier, (de rechtbank begrijpt: [naam 3]) liep. Hij zag dat de kleine Marokkaan een mesje in zijn hand had. [naam 1] zag dat de kleine Marokkaan met het mesje [naam 3] in zijn been stak. [naam 1] merkte toen dat hij onder het bloed zat en besefte dat hij ook gestoken was door de kleine Marokkaan. [naam 1] was net onder zijn linkerbil, in zijn linkerzij en net onder zijn linkerschouderblad gestoken. [naam 1] zag dat het lemmet van het mesje ongeveer 5 cm was.iii Later zag hij dat een blanke man met een kaal hoofd ook onder het bloed zat. [naam 1] zag dat hij in zijn buik was gestoken. Hij omschrijft de kleine Marokkaanse jongen als volgt: Marokkaans uiterlijk, ongeveer 1.60 - 1.70 m lang, 22 tot 23 jaar oud, een dun, mager postuur, kort haar: ongeveer 1,5 centimeter lang. [naam 1] geeft de politie ook een signalement van de kale Marokkaan en de lange Marokkaan.iv [naam 1] verklaart dat hij de lange Marokkaan kende en dat de lange Marokkaan ongeveer drie a vier weken daarvoor werd gezocht vanwege het inslaan van een autoruit van een taxi aan de Amstel. v Uit onderzoek blijkt dat verdachte [medeverdachte 2] op 26 september 2009 is aangehouden wegens vernieling van een voorruit van een taxi bij de Amstel te Amsterdam.vi

Bij een simultane fotobewijsconfrontatie herkent [naam 1] verdachte [medeverdachte 2] als de man die met hem heeft gevochten en hem bij zijn revers pakte.vii [naam 1] herkent verdachte [medeverdachte 1] bij een fotobewijsconfrontatie als één van de drie Marokkaanse mannen die betrokken was bij de vechtpartij. [naam 1] verklaart dat [medeverdachte 1] niet de persoon is die hij heeft zien steken, maar dat dat de kleinere man was.viii

Na het steken renden de drie weg. [naam 1] zag dat de kleine Marokkaan het mes toonde aan de twee anderen. Aan de gebaren te zien leek het alsof de kleine Marokkaan aan de andere twee vertelde dat hij had gestoken.ix

[naam 1] heeft drie steekwonden, op de achterzijde van zijn romp en op zijn bil. Hij is met wondverzorging na een nacht opname ter observatie uit het ziekenhuis ontslagen.x

4.3.3.4[naam 3] verklaart tegenover de politie dat hij door iedereen [naam 3] wordt genoemd en dat hij in de Crazy bar aan het drinken was toen hij zag dat er een knokpartij gaande was. Hij pakte een Marokkaanse jongens vast en zag dat die een kapot glas in zijn hand had. Deze jongen had een colbert aan, volgens [naam 3] zwart van kleur. Hij probeerde de jongen naar buiten te brengen. Hij zag dat een andere portier twee andere Marokkaanse jongens vast had. Dat waren een Marokkaanse jongen met een kaal hoofd en een Marokkaanse jongen met een zwarte jas aan. Terwijl hij met de jongen met het glas sprak, zag hij in zijn ooghoek dat de twee andere Marokkaanse jongens naar hem toekwamen. Opeens voelde hij dat hij aan de achterkant geslagen werd door iemand. Hij zag vervolgens dat de twee jongens wegrenden. Hij hoorde dat de Marokkaanse jongen met de zwarte jas tegen de Marokkaanse jongen met het glas zei: "kom broer, kom broer, weg hier, ik heb hem geprikt.' Hij zag dat alle drie de jongens wegrenden in de richting van het Rembrandtplein. Hij zag dat hij een steekwond in zijn rechterbovenbeen had zitten. Hij besefte dat hij door één van de twee Marokkaanse jongens, de ene met het kale hoofd of diegene met de zwarte jas aan, gestoken moest zijn. De Marokkaan met de zwarte jas, beschrijft hij als een persoon met een Marokkaans uiterlijk, ongeveer 20 jaar oud, in ieder geval de jongste van de drie, met dun postuur, ongeveer 1.75 lang. De Marokkaan droeg een zwarte jas en mogelijk een spijkerbroek. [naam 3] ziet in zijn veiligheidsvest ter hoogte van zijn schouderblad een snee in de hoes van zijn vest zitten. Kennelijk is hij ook in zijn rug gestoken.xi

In het ziekenhuis blijkt dat [naam 3] een steekwond heeft in zijn rechterbovenbeen van ongeveer 2 centimeter die hevig heeft gebloed. Ook heeft hij een steekwond in zijn bil van 3 centimeter, met een diepte van vijf centimeter.xii

4.3.3.5 Getuige [naam 6] was op 8 november 2009 in de Crazy bar te Amsterdam. Op een gegeven moment zag [naam 6] een Noord Afrikaanse jongen uit het café komen. Hij was ongeveer 1.70 meter lang en had een mager postuur. Hij had een smal gezicht en geen gezichtshaar. Hij had kort naar achter gekamd haar dat donker van kleur was. Hij hield een mes of priem vast. [naam 6] zag dat de jongen portier [naam 3] (de rechtbank begrijpt: [naam 3]) van achteren benaderde en dat hij met het mes of priem in de bil van [naam 3] stak. [naam 6] zag dat hij dit twee keer deed en dat [naam 3] bloedde. Op het moment dat de jongen [naam 3] stak, was [naam 3] aan het vechten met één van die andere Noord Afrikaanse jongens. [naam 6] zag dat de jongen met het mes of priem de eigenaar van het café (de rechtbank begrijpt: [naam 1]) benaderde en dat hij de eigenaar ook boven in zijn bil stak. Hij zag later dat [naam 3] bloedde. De eigenaar was op het moment dat hij werd gestoken ook aan het vechten met één van de andere jongens. [naam 6] hoorde dat één van de jongens zei dat ze weg moesten gaan omdat de politie kwam. [naam 6] zag dat ze met zijn drieën wegrende in de richting van het Rembrandtplein.xiii

Bij een simultane fotobewijsconfrontatie herkent [naam 6] verdachte [verdachte] als de man die met een mes beide personen heeft gestoken.xiv

4.3.4 De waardering van de bewijsmiddelen.

4.3.4.1 De rechtbank acht op grond van de onder 4.3.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de slachtoffers [naam 1], [naam 2] en [naam 3] heeft gestoken.

4.3.4.2 De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat geen andere (Marokkaanse) personen dan de drie verdachten betrokken waren bij de vechtpartij met de portiers. De aangevers en getuigen verklaren vrijwel allemaal dat de kleinste van de drie Marokkaanse mannen de steker is geweest. Voorts blijkt uit de verklaringen dat sprake is geweest van één steker. Het door de aangevers en getuigen opgegeven signalement past bij verdachte [verdachte]. Bovendien heeft getuige [naam 6] verdachte [verdachte] bij een meervoudige fotoconfrontatie herkend als de steker. Dat [naam 1] verdachte [verdachte] niet heeft herkend bij een fotoconfrontatie maakt dit niet anders nu [naam 1] ook heeft verklaard dat hij de steker maar heel even heeft gezien en dat de steker van achteren kwam. Het door [naam 1] opgegeven signalement van de steker past wel bij verdachte [verdachte]. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat zowel [naam 1] als [naam 3] verdachte [medeverdachte 2] hebben herkend van een eerder incident en hebben verklaard dat hij niet degene is geweest die heeft gestoken.

Kwalificatie van het bewezen geachte

4.3.4.3 De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat verdachte het feit alleen heeft gepleegd en acht niet bewezen dat verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich schuldig gemaakt hebben gemaakt aan het medeplegen van het steken van de slachtoffers buiten het café. Het feit dat verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] mogelijk één of meer personen buiten het café hebben geslagen of vastgehouden, maakt hen nog geen medepleger van het steken zoals ten laste is gelegd. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat sprake was van een vooropgezet plan bij verdachten om personen te gaan steken. Op grond van de bewijsmiddelen valt ook niet vast te stellen dat [medeverdachte 2] zich op het moment dat [naam 1] werd gestoken, bewust was of had moeten zijn van dit steken. Niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten. Ook de feiten en omstandigheden zoals door de officier van justitie aangevoerd leiden niet tot de conclusie dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het steken van [naam 1], [naam 2] en [naam 3].

4.3.4.4 De rechtbank acht op grond van de verklaringen van de getuigen [naam 1] en [naam 6] en de letselverklaringen bewezen dat verdachte de slachtoffers met een mes heeft gestoken.

4.3.4.5 De rechtbank acht bewezen dat verdachte het slachtoffer [naam 3] ook in zijn rug heeft gestoken. Uit de verklaring van [naam 3] blijkt dat zijn veiligheidsvest beschadigd is. Dat het mes niet daadwerkelijk in de rug is gekomen, is te danken aan het veiligheidsvest dat [naam 3] droeg tijdens het steekincident. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging bewezen omdat de rug de plaats van het steken aanduidt en het niet noodzakelijk is dat het mes daadwerkelijk in de rug terecht is gekomen.

4.3.4.6 De rechtbank acht bewezen dat verdachte [verdachte] zich met zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [naam 1] onder andere in zijn zij en onder zijn schouderblad is gestoken, dat [naam 2] in zijn buik is gestoken en dat [naam 3] onder andere in zijn rug is gestoken. Bij het steken had verdachte vitale delen van het lichaam van de slachtoffers kunnen raken, waardoor zwaar lichamelijk letsel had kunnen ontstaan. Gezien het voorgaande en gezien de omstandigheid dat uit het dossier is af te leiden dat het een relatief klein mesje betrof en dat het mesje - getuige de aard van de verwondingen - niet heel diep in de lichamen van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] terecht is gekomen, acht de rechtbank een poging tot zware mishandeling bewezen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 november 2009 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- [naam 1] onder zijn linkerbil en in zijn zij en onder zijn schouderblad en

- [naam 2] in zijn buik en

- [naam 3] in zijn been en in zijn rug heeft gestoken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en een behandeling bij de Waag voor agressieregulatie.

De officier van justitie acht de vordering van benadeelde partij [naam 2] gedeeltelijk toewijsbaar. De officier van justitie acht het eigen risico van de zorgverzekeraar, de kosten voor het overhemd en de gevorderde immateriële schade toewijsbaar te vermeerderen met de wettelijke rente. Ze verzoekt voorts daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De benadeelde partij [naam 2] dient ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor de jas niet ontvankelijk in zijn vordering te worden verklaard omdat niet is vast komen te staan dat de schade door het ten laste gelegde is ontstaan.

De officier van justitie is van mening dat de in beslag genomen kleding teruggegeven kan worden aan verdachte. Het in beslag genomen mes dient te worden vernietigd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke straf of een taakstraf. Er is een dubbelrapportage over verdachte opgesteld waarin is geadviseerd om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank hiermee rekening te houden en merkt op dat verdachte bereid is om het geadviseerde toezicht met bijbehorende behandelingen te ondergaan. De raadsvrouw is van mening dat als verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest. Mocht de rechtbank oordelen dat een dergelijke straf geen recht doet aan de ernst van de feiten, dan verzoekt de verdediging om verdachte daarnaast een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde toezicht door Reclassering Nederland op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [naam 2] is de raadsvrouw primair van mening dat [naam 2] niet ontvankelijk in zijn vordering dient te worden verklaard, nu de raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering ten aanzien van de jas en het overhemd af te wijzen nu de schade onvoldoende is onderbouwd. De verdediging verzoekt de rechtbank om de immateriële schadevergoeding sterk te matigen.

Ten aanzien van het in beslag genomen mes refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. Ze verzoekt voorts teruggave aan verdachte te gelasten van de in beslag genomen kleding.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden opleggen, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde een reclasseringstoezicht en een behandeling bij De Waag.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de straffen die in vergelijkbare zaken door de rechtbank zijn opgelegd.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft drie, voor hem onbekende, personen op de openbare weg met een mes gestoken, zonder dat hiervoor een directe aanleiding bestond. Dit handelen heeft veel pijn en letsel bij de slachtoffers veroorzaakt. De slachtoffers hebben diverse steekwonden in het lichaam opgelopen en zijn naar het ziekenhuis gebracht. Bovendien heeft de gedraging van verdachte veel angst bij de slachtoffers en in de samenleving in het algemeen veroorzaakt. Personen moeten zich veilig kunnen voelen als ze zich tijdens het uitgaan te midden van andere personen op de openbare weg bevinden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven hiervan nog langdurig de nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Het letsel van de slachtoffers is ernstig, maar de verwondingen hadden veel ernstiger kunnen zijn als het mes vitale lichaamsdelen had geraakt. Gezien het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 11 november 2009 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een openlijke geweldpleging. De rechtbank houdt voorts rekening met de dubbelrapportage en het reclasseringsadvies die over verdachte zijn opgemaakt. De deskundigen adviseren verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Voorts blijkt uit de rapporten dat het wenselijk is om verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en een behandeling bij De Waag. Ook is het wenselijk geacht dat de behandeling van verdachte bij Mentrum wordt voortgezet onder toezicht van de reclassering. De rechtbank zal gelet op deze adviezen de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm opleggen met daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht en het volgen van een behandeling voor agressieregulatie bij De Waag.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank - anders dan de officier van justitie - niet bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag van [naam 1] en [naam 3] en het medeplegen van een poging tot zware mishandeling van [naam 4].

Onttrekking aan het verkeer

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, dat aan verdachte toebehoort, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Van de overige in beslag genomen voorwerpen die staan vermeld op de beslaglijst, die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [naam 2] te weten de schadeposten: 'overhemd', 'eigen risico' en een deel van de immateriële schade, van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 244,95 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, derhalve in totaal een bedrag van € 744,95 (zevenhonderdvierenveertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten de schadepost: 'jas' en het overige deel van de immateriële schade, is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen, als veroordeelde tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat veroordeelde zich onverwijld stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt;

- een meldingsgebod;

veroordeelde moet zich gedurende door de Reclassering Nederland bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland nodig acht;

- een behandelverplichting;

veroordeelde dient zich vanwege de agressieproblematiek te laten behandelen bij De Waag.

* Verklaart onttrokken aan het verkeer: een mes (zoals is vermeld onder nummer 2 van de beslaglijst die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht).

* Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 2], wonende te [woonplaats] toe tot een bedrag van € 744,95 (zevenhonderdvierenveertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten de pleegdatum van 8 november 2009) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 2], te betalen de som van € 744,95 (zevenhonderdvierenveertig euro en vijfennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten de pleegdatum van 8 november 2009) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

* Gelast de teruggave aan verdachte van de overige in beslag genomen voorwerpen die staan vermeld op de beslaglijst die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en I.M.L. Felix, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 augustus 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

i Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009302405 van 8 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 9] (doorgenummerde pag. 20 e.v. ), inhoudende de verklaring van [naam 2].

ii Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de chirurg [naam 10], d.d. 26 januari 2010, inhoudende de verklaring van voornoemde chirurg (doorgenummerde pag. 462 e.v.), met als bijlage een kopie van de ontslagbrief d.d. 15-12-2009.

iii Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009302405 van 8 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 11] en [naam 9] (doorgenummerde pag. 010 ), inhoudende de verklaring van [naam 1].

iv Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 9 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 12] en [naam 13] (doorgenummerde pag. 13 e.v.), inhoudende de verklaring van [naam 1].

v Een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer 2009302405 van 8 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 11] en [naam 9] (doorgenummerde pag. 10 e.v. ), inhoudende de verklaring van [naam 1].

vi Een geschrift zijnde een niet ondertekend proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009262312-2 van 26 september 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 14] en [naam 15] (doorgenummerde pag. 344 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemde verbalisanten.

vii Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 21 december 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 16] (doorgenummerde pag. 368 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemd verbalisant en een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 16 december 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 9] (doorgenummerde pag. 370 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemd verbalisant.

viii Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 27 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 9] (doorgenummerde pag. 224 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemd verbalisant.

ix Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 9 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 12] en [naam 13] (doorgenummerde pag. 13 e.v.), inhoudende de verklaring van [naam 1].

x Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 26 november 2009, (doorgenummerde pag. 212).

xi Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 10 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 11] en [naam 19] (doorgenummerde pag. 026 e.v.), inhoudende de verklaring van [naam 3].

xii Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van de arts [naam 17], d.d. 8 november 2009, (doorgenummerde pag. 0.30 e.v.), inhoudende de verklaring van voornoemd arts.

xiii Een proces-verbaal verhoor getuige met nummer 2009302405-10 van 8 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 18] (doorgenummerde pag. 56 e.v.), inhoudende de verklaring van [naam 6].

xiv Een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 7 december 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 16] (doorgenummerde pag. 226 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemd verbalisant en een proces-verbaal met nummer 2009302405 van 27 november 2009, in de wettelijke vorm[0] opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 9] (doorgenummerde pag. 228 e.v. ), inhoudende de verklaring van voornoemd verbalisant.

Vonnis (Promis) inzake: [verdachte]

Parketnummer: 13/401740-09