Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3591

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
445923 / HA ZA 09-3988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij een in de metro ontstaan conflict heeft X Y geslagen, waarna Y ten val kwam en hersenletsel heeft opgelopen. X is bij strafvonnis dat op tegenspraak is gewezen en dat in kracht van gewijsde is gegaan veroordeeld voor eenvoudige mishandeling met ernstig letsel tot gevolg. Y vordert bij de civiele rechter vergoeding van zijn (immateriele) schade. X verweert zich met een beroep op Taams/Boudeling (HR 31 maart 1995, NJ 1991, 592). Kern van dit verweer is dat de klap die X aan Y heeft gegeven door Y was uitgelokt.

Als uitgangspunt geldt dat X onrechtmatig heeft gehandeld door Y te mishandelen. De vraag is of deze mishandeling zozeer is uitgelokt door het gedrag van Y dat de onrechtmatigheid daarvan is opgeheven dan wel dat de plicht tot schadevergoeding geheel is komen te vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist. Partijen geven ieder een verschillende lezing van de feitelijke toedracht van het incident. Aan X wordt opgedragen te bewijzen dat Y zich jegens hem zodanig heeft gedragen dat hij, X, tot het slaan van Y werd uitgelokt. Bewijs is niet reeds geleverd met de verwijzing van X naar de strafmotivering in het strafvonnis, waarin (de kern van) zijn versie van het gebeuren aannemelijk is geacht. Dit betreft overwegingen die buiten de bewezenverklaring vallen en derhalve geen dwingend bewijs opleveren. Zij bieden op zichzelf evenmin toereikend bewijs van de uitlokking. Indien X slaagt in het opgedragen bewijs dan zal de vordering worden afgewezen. Indien X niet in dit bewijs slaagt zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan van de onrechtmatigheid van de aan X verweten gedraging en van de aansprakelijkheid van X voor de daardoor veroorzaakte schade aan de zijde van Y.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 445923 / HA ZA 09-3988

Vonnis in verzet van 21 april 2010

in de zaak van

[X],

wonende te --,

opposant,,

advocaat mr.drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

[Y],

wonende te --,

geopposeerde,

advocaat mr. M.J.R. Roethof.

Partijen zullen hierna [X] en [Y] genoemd worden.

1. De procedure in oppositie

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 augustus 2009, met producties,

- het door deze rechtbank op 30 september 2009 tussen [Y] als eiser en [X] als gedaagde bij verstek gewezen vonnis onder rolnummer HA ZA 09-2800 (hierna: het verstekvonnis),

- de verzetdagvaarding van 18 november 2009, met producties,

- het tussenvonnis van 27 januari 2010 waarin een comparitie is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 30 maart 2010 en de daarin genoemde stukken

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 25 februari 2008 is [X] wegens mishandeling veroordeeld tot een taakstraf 240 uren, waarvan een gedeelte van 120 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren (hierna: het strafvonnis). In het strafvonnis is bewezen verklaard dat [X]

‘op 30 mei 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [Y] eenmaal in het gezicht heeft geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [Y] zwaar lichamelijk letsel , hoofd- en hersenletsel, heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.’

Onder de motivering van de straffen en maatregelen heeft de rechtbank in het strafvonnis onder meer overwogen:

‘De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking. Na een meningsverschil tussen verdachte en het slachtoffer, bleef het slachtoffer zich aan de kleren van verdachte vastklampen en belemmerde het slachtoffer verdachte om de metro uit te stappen. Verdachte raakte van dit gedrag op een zeker moment dusdanig geïrriteerd, dat hij het slachtoffer in een reactie met één klap van hem af heeft willen slaan. Verdachte heeft daarbij niet de intentie gehad om het slachtoffer dusdanig hard te raken dat deze zwaar letsel op zou lopen. Aangezien de rechtbank deze versie van de gebeurtenissen niet onaannemelijk acht, alsmede omdat verdachte zich nadien uit zichzelf bij de politie heeft gemeld en hij van meet af aan heeft toegegeven dat hij het slachtoffer een klap heeft gegeven, acht de rechtbank een lichtere straf op zijn plaats.’

Tegen het strafvonnis is geen rechtsmiddel aangewend en [X] heeft zijn taakstraf inmiddels volbracht.

2.2. [Y] is na het onder 2.1 bedoelde voorval op 30 mei 2007 overgebracht naar en

- uiteindelijk - opgenomen in het ziekenhuis van het Academisch Medisch Centrum (hierna: AMC) te Amsterdam. Daar werd onder meer een schedelbasisfractuur en hersenletsel vastgesteld (een traumatisch acuut subduraal hematoom links en intercerebraal hematoom rechts frontaal). Verschillende operatieve ingrepen volgden in de periode van 31 mei 2007 tot en met 24 oktober 2008, waarbij onder meer tijdelijk het schedeldak werd verwijderd en later weer teruggeplaatst en waarbij zich complicaties voordeden. In genoemde periode heeft [Y] afwisselend op de intensive care van het AMC en in het Revalidatie Centrum Amsterdam (hierna: RCA) verbleven, gevolgd door een verblijf in het RCA tot 10 december 2008, sinds welke datum [Y] in verpleeghuis Gaasperdam verblijft.

2.3. In de medische voorgeschiedenis van [Y], voorafgaand aan 30 mei 2007, is onder meer sprake (geweest) van een hersenbloeding, nierkanker en mogelijk dementie, als volgt weergegeven in (onder meer) een brief van het AMC aan de huisarts van [Y] van

22 augustus 2007:

‘moeilijk te reguleren hypertensie

2005 bloedig/ischaemisch CVA, intracerebraal hematoom

2005 niercelcarcinoom, beleid vooralsnog expectatief

mogelijk beginnende subcorticale dementie’.

3. Het geschil

3.1. [Y] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [X] zal veroordelen om aan eiser te voldoen een bedrag van EUR 50.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Bij het verstekvonnis, dat uitvoerbaar bij vonnis is verklaard, zijn de vorderingen van [Y] integraal toegewezen en is [X] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [Y] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal EUR 2.079,98.

3.3. [X] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [Y] alsnog worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [X] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. [Y] legt kort gezegd aan zijn vordering ten grondslag dat [X], gelet op de bij onherroepelijk strafvonnis bewezenverklaarde mishandeling, aansprakelijk is voor de schade die daarvan het gevolg is. De schade waarvan [Y] vergoeding vordert, betreft immateriële schade die is ingegeven door de beperkingen, medische ingrepen, doorstaan levensgevaar en pijn die volgens [Y] gevolg zijn van de mishandeling en waardoor zijn levensvreugde ernstig is verminderd.

4.3. [X] verweert zich tegen de vordering onder meer bodoor aan te voeren dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad, dan wel dat er sprake is van een situatie waarin de plicht tot schadevergoeding geheel is komen te vervallen, een en ander met een beroep op het arrest inzake [A]/[B] (HR 31 maart 1995, NJ 1991, 592, hierna: [A]/[B]). Kern van dit verweer is dat de klap die [X] aan [Y] heeft gegeven door [Y] was uitgelokt.

4.4. [Y] betwist dat het beroep op de criteria van het arrest [A]/[B] slaagt, reeds omdat in die zaak, anders dan in het onderhavige geval, geen sprake was van een strafrechtelijke veroordeling voor het onrechtmatig handelen. Voorts betwist [Y] de klap te hebben uitgelokt.

4.5. Als uitgangspunt geldt dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld door [Y] te mishandelen, omdat deze mishandeling bewezen is verklaard in het op tegenspraak gewezen strafvonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan (art. 161 Rv) en [X] de bewezenverklaarde mishandeling als zodanig niet betwist. Daarmee strekt zijn bewijsaanbod kennelijk niet tot tegenbewijs tegen de mishandeling.

[X] heeft wel aangevoerd dat hij met het geven van de klap aan [Y] niet de intentie heeft gehad om (zwaar) letsel toe te brengen, maar dat is niet in tegenspraak met bedoelde bewezenverklaring, nu deze slechts ziet op opzettelijke mishandeling met zwaar letsel tot gevolg. [X] is vrijgesproken van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

4.6. [Y] stelt in de dagvaarding door [X] te zijn gestompt. Voor zover hij hiermee een ander feit beoogt te stellen dan in het strafvonnis bewezen is verklaard (en op dit punt een van het strafvonnis afwijkend oordeel voor ogen heeft) volgt de rechtbank hem hierin niet. [Y] heeft niet onderbouwd dat de uitgedeelde slag een stomp betrof, waar - vooral in het licht van het strafvonnis waarop [Y] zich beroept - deze onderbouwing geboden was.

4.7. De voorliggende vraag, opgeworpen door het beroep op de onder 4.3 genoemde criteria van het arrest [A]/[B], is of het gedrag van [X], dat in beginsel onrechtmatig is, zozeer is uitgelokt door het gedrag van [Y] dat de onrechtmatigheid daarvan is opgeheven dan wel dat de plicht tot schadevergoeding geheel is komen te vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist.

4.8. Anders dan [Y] betoogt, is het antwoord op deze vraag niet reeds (in ontkennende zin) gegeven omdat er in dit geval (anders dan in het arrest in de zaak [A]/[B]) een strafrechtelijke veroordeling ligt, nu het strafvonnis geen beoordeling van civielrechtelijke aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad behelst.

4.9. Of er van uitlokkend gedrag van [Y] in bovenvermelde zin sprake was hangt af van de feitelijke toedracht van het incident op 30 mei 2007, dat in het slaan door [X] van [Y] is uitgemond. Partijen geven tot op zekere hoogte ieder een verschillende lezing van het gebeuren. Uit de stellingen over en weer, zoals die uit de stukken blijken en ter comparitie zijn toegelicht, is het volgende echter als vaststaand af te leiden.

4.10. In de ochtend van woensdag 30 mei 2007 stapte [X] bij metrostation Heemstedestraat te Amsterdam in lijn 50, in welke metro [Y] zich op dat moment al bevond. Vlak bij de uitgang stond in de metro een doos van een homecinemaset. Bij station RAI stapten twee meisjes in, die, eenmaal binnen, de doos naar zich toe trokken. De doos was niet van de meisjes. Daarop volgde onenigheid tussen de meisjes en [Y], waarbij [Y] aan de meisjes te verstaan gaf dat de doos aan hem toebehoorde. [X] mengde zich in de discussie. Een voor allen bevredigende oplossing werd niet gevonden. Bij station Reigersbos stapten de meisjes uit met de doos, terwijl [Y] en [X] in de metro achterbleven. Bij station Gein verlieten [Y] en [X] de metro. [Y] hield [X] vast aan zijn kleding. [X] gaf aan [Y] een klap in het gezicht. [Y] kwam ten val en liep hoofdletsel op.

4.11. In de lezing van [X] is de hiervoor geschetste gang van zaken nader ingevuld met verklaringen en gedragingen van [Y], op grond waarvan hij stelt door [Y] te zijn uitgelokt tot het uitdelen van een klap. [X] heeft in dit verband onder meer aangevoerd (onder verwijzing naar de door hem in de middag van 30 mei 2007 afgelegde verklaring ten overstaan van de politie, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt dat zich in kopie bij de stukken bevindt) dat [Y] niet kon aantonen dat de doos van hem was, dat [Y] niet inging op het voorstel van [X] om naar de politie te gaan, dat [Y] hem belette uit te stappen bij station Reigersbos en dat [Y] hem lange tijd aan zijn kleding bleef vasthouden (tot scheuren toe), ondanks pogingen van [X] om los te komen en [Y] van zich af te duwen.

[Y] geeft een ander aanvullend relaas van het gebeuren, aan de hand waarvan hij betwist dat hij de klap met zijn gedrag heeft uitgelokt.

4.12. Naar het oordeel van de rechtbank rust op [X] de bewijslast van de door hem gestelde uitlokking, nu hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, te weten dat door die uitlokking de gegeven onrechtmatigheid van zijn, [X], eigen handelen is opgeheven althans dat door die uitlokking de plicht tot schadevergoeding geheel is komen te vervallen, omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten eist.

[X] heeft in dit kader verwezen naar de motivering van de straffen en maatregelen in het strafvonnis, hierboven weergegeven onder 2.1. Daarin is (de kern van) zijn versie van het gebeuren aannemelijk geacht. Dit betreft echter overwegingen die buiten de bewezenverklaring vallen en derhalve geen dwingend bewijs opleveren ten aanzien van de door [X] gestelde uitlokking. Zij bieden naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf evenmin toereikend bewijs van de stellingen van [X] in dit verband (mede gelet op hetgeen hierna onder 4.15 wordt overwogen). Gelet op de betwisting door [Y] op dit punt zal de rechtbank [X] dan ook, overeenkomstig zijn aanbod, opdragen te bewijzen dat [Y] zich op 30 mei 2007 jegens hem zodanig heeft gedragen dat hij, [X], tot het slaan van [Y] werd uitgelokt, als hierna onder 5 bepaald.

4.13. Indien [X] slaagt in dit bewijs, dan zal zijn beroep op de criteria van het arrest in de zaak [A]/[B] worden gehonoreerd in die zin dat de onrechtmatigheid van de klap en/of de (gehele) vergoedingsplicht vervallen zullen worden geacht en zal de vordering om die reden worden afgewezen.

4.14. Indien [X] er niet in slaagt te bewijzen dat de door hem uitgedeelde klap door het gedrag van [Y] was uitgelokt in bovenvermelde zin zal bij de verdere beoordeling worden uitgegaan van de onrechtmatigheid van de aan [X] verweten gedraging en van de aansprakelijkheid van [X] voor de daardoor veroorzaakte schade aan de zijde van [Y]. De overige geschilpunten liggen dan ter beoordeling voor, waarbij in elk geval het volgende aan de orde zal komen. Mede aan de hand van hetgeen in het kader van bovenvermelde bewijsopdracht door partijen over en weer wordt aangedragen zal, gezien het beroep van [X] op eigen schuld, beoordeeld worden of er sprake is van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [Y] in de zin van artikel 6:101 BW.

Tenzij in dit geval volledige eigen schuld aan de zijde van [Y] zou worden aangenomen, zal voorts moeten worden beoordeeld of de medische klachten en beperkingen die [Y] aan het voorval op 30 mei 2007 toeschrijft, als gevolg van de klap hebben te gelden, nu dit door [X] is betwist. In geschil is in dat verband onder meer wat de betekenis is van de medische voorgeschiedenis van [Y] voor de mate waarin zijn klachten en beperkingen na het voorval op 30 mei 2007 zijn toe te rekenen aan dat voorval. Met het oog op die beoordeling zal dan mogelijk een deskundigenbericht moeten worden ingewonnen.

4.15. De rechtbank stelt vast dat zij niet over het gehele strafdossier beschikt. Ter comparitie is door partijen aangegeven dat de ontbrekende relevante stukken uit dat dossier beschikbaar zijn en kunnen worden overgelegd. Zoals hierna onder 5.5 zal worden bepaald, dienen partijen, voor zover zij tijdens de bewijslevering een beroep wensen te doen op deze stukken, deze uiterlijk twee weken voorafgaand aan het getuigenverhoor aan de rechtbank en de wederpartij toe te zenden.

4.16. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.17. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

4.18. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [X] op te bewijzen dat [Y] zich op 30 mei 2007 jegens hem zodanig heeft gedragen dat hij, [X], tot het slaan van [Y] werd uitgelokt,

5.2. bepaalt dat, indien [X] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het (eerste) getuigenverhoor van maximaal drie getuigen zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. K. Mans in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220 op 2 juli 2010 van 9:30 uur tot 12:30 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [X], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven,

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans, mr. G. de Groot en mr. A.B.M. Wijnveldt en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2010.