Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3587

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
383336 / HA ZA 07-3017 en 386417 / HA ZA 07-3402
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BV3811, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het lidmaatschap van een lid van een coöperatieve woningbouwvereniging wordt opgezegd. Het lid komt op grond van een bepaling in de statuten bij de Raad van Commissarissen (RvC) daartegen in beroep. Zijn bezwaren worden door de RvC verworpen, met uitzondering van zijn bezwaar tegen de einddatum van het lidmaatschap; zijn lidmaatschap wordt tegen een latere datum beëindigd. Vaststaat dat de RvC een orgaan is van de vereniging. Het besluit van de RvC heeft tot gevolg dat tegen de nieuwe datum de rechtsverhouding tussen het lid en de vereniging is beëindigd. Daarmee eindigden de aan het lidmaatschap verbonden rechten en verplichtingen en is een wijziging opgetreden in de rechtsbetrekkingen binnen de rechtspersoon. Het besluit van de RvC is daarmee een besluit van een orgaan van de rechtspersoon als in Boek 2 Titel 1 BW bedoeld. Het beroep op de nietigheid of vernietigbaarheid van dit besluit slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op artikel 2:8 lid 2 BW is vereist dat sprake is van een ernstig gebrek. Daarvan is niet gebleken. De gevorderde schadevergoeding op de grond dat het lid niet in de gelegenheid is gesteld zijn lidmaatschapsrechten uit te oefenen, wordt (eveneens) afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2010, 858
JOR 2010/299 met annotatie van J.M. Blanco Fernández
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Meervoudige civiele kamer

zaaknummer / rolnummer: 383336 / HA ZA 07-3017

en

zaaknummer / rolnummer: 386417 / HA ZA 07-3402

Vonnis van 7 april 2010

in de gevoegde zaken van

[A],

wonende te Delden,

eiser,

advocaat eerst mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, toen mr. A.R. Mes,

nu mr. P.V. Kleijn,

tegen

de coöperatieve vereniging B.A.

AMSTERDAMSE COÖPERATIEVE WONINGBOUWVERENIGING "EIGEN HULP" B.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. B.B. van Vliet.

Partijen zullen hierna wederom [A] en Eigen Hulp worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 30 januari 2008 waarin zaaknummer/rolnummer: 386417/HA ZA 07-3402 is gevoegd met zaaknummer/rolnummer: 383336/HA ZA 07-3017

- het tussenvonnis van 13 februari 2008 waarin ambtshalve een comparitie van partijen is bepaald

- het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2008 en de daarin genoemde stukken

- de akten na comparitie van [A] en Eigen Hulp van 3 september 2008

- de brieven van de griffier aan de raadslieden van partijen van 4 december 2008

- de akte tevens houdende vermeerdering van eis en grondslag van eis van [A] van 4 februari 2009

- de antwoordakte tevens houdende verzet tegen vermeerdering van eis van Eigen Hulp van 4 maart 2009

- het schriftelijk pleidooi, tevens houdende akte vermeerdering van eis van 16 december 2009 van [A], met producties (ingediend op de rol van 30 december 2009)

- de pleitnota, tevens houdende verzet vermeerdering van eis van 30 december 2009 van Eigen Hulp (tevens houdende een reactie op het pleidooi van [A])

- de reactie op de pleitnota van Eigen Hulp van [A] van 30 december 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] was sinds januari 1991 lid van Eigen Hulp en huurde vanaf die datum een aan Eigen Hulp in eigendom toebehorende woning aan de [--] te Amsterdam. Hij heeft de huur van deze woning opgezegd per 1 mei 1998 in verband met zijn verhuizing naar het oosten van het land. Zijn lidmaatschap van Eigen Hulp heeft hij nadien voortgezet.

2.2. Eigen Hulp heeft op 31 mei 2006 een besluit tot statutenwijziging genomen. Deze statutenwijziging is notarieel verleden op 5 december 2006. Aan artikel 15 lid 3 van de statuten werd de volgende bepaling toegevoegd:

Opzegging namens de vereniging kan geschieden indien een lid heeft opgehouden tevens huurder van een woning van de Vereniging te zijn.

2.3. Het bestuur heeft namens Eigen Hulp bij brief van 6 december 2006 aan [A] diens lidmaatschap opgezegd. Die brief houdt in:

Op 31 mei 2006 heeft de Buitengewone Algemene Ledenvergadering de Statutenwijziging waartoe zij in mei 2004 had besloten, opnieuw bekrachtigd. Het bestuur heeft daarom besloten je lidmaatschap te beëindigen. Dit is je al in februari dit jaar aangekondigd. De reden is dat je gedurende vele jaren geen huurder meer bent. Redelijkerwijs kan van de Vereniging niet gevergd worden jouw lidmaatschap te laten voortduren. Wij zullen daarom jouw lidmaatschap beëindigen met inachtneming van de Statuten: Artikel 15, lid 5 en 8. Zoals je weet, kun je tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Raad van Commissarissen. (…)

2.4. Artikel 15 lid 8 van de statuten van Eigen Hulp luidt:

Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging, alsmede van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene tot dertig dagen nadat hij van het besluit kennis heeft kunnen nemen beroep open op de Raad van Commissarissen.

2.5. [A] heeft op 24 december 2006 langs de weg van artikel 15 lid 8 van de statuten de opzegging, en via de opzegging indirect ook de statutenwijziging, aangevochten bij de Raad van Commissarissen. De RvC heeft de bezwaren van [A] bij zijn beslissing in beroep van 18 juni 2007 verworpen, met uitzondering van het bezwaar tegen de einddatum van het lidmaatschap. De RvC heeft beslist dat het lidmaatschap van [A] (pas) is beëindigd tegen 31 december 2007.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert zoals volgt uit onderdeel 8.1 van zijn schriftelijk pleidooi van 16 december 2009 – na vermeerdering(en) van eis – in de gevoegde zaken:

1. voor recht te verklaren dat het besluit tot statutenwijziging van 31 mei 2006 nietig is, althans dat besluit te vernietigen

2. te verklaren voor recht

a. dat een rechtsgeldig besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [A] ontbreekt, althans

b. dat het op 6 december 2006 aan [A] medegedeeld besluit van het Bestuur van Eigen Hulp tot opzegging van zijn lidmaatschap nietig is, althans dat besluit te vernietigen, althans

c. dat de opzegging door Eigen Hulp van [A]’s lidmaatschap onrechtmatig is en dat Eigen Hulp gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan [A] te vergoeden met veroordeling van Eigen Hulp om binnen 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis het lidmaatschap van [A] te herstellen en hem een redelijk aanbod tot het huren van een woning te doen

3. te verklaren voor recht dat Eigen Hulp gedurende het lidmaatschap van [A] gehouden is hem in de gelegenheid te stellen alle rechten uit zijn lidmaatschap, waaronder het recht een woning te huren, uit te oefenen

4. te verklaren voor recht dat Eigen Hulp in verzuim is voor wat betreft de nakoming van de onder 2. genoemde verplichting

5. Eigen Hulp te veroordelen om aan [A] te vergoeden alle uit het onder 3. bedoelde verzuim voor hem voortvloeiende schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet

6. te verklaren voor recht dat de beslissing van de Raad van Commissarissen, nietig is, althans deze beslissing te vernietigen, althans te bepalen dat deze beslissing buiten toepassing dient te blijven

7. Eigen Hulp te veroordelen in de kosten van de procedures.

3.2. Eigen Hulp voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het bezwaar van Eigen Hulp tegen de eisvermeerderingen van [A], die hebben geresulteerd in de hiervoor onder 3.1 vermelde vorderingen, wordt verworpen, omdat Eigen Hulp voldoende in de gelegenheid is geweest daarop te reageren. Dat geldt niet voor de aanvullingen/toevoegingen van [A] in zijn reactie op de pleitnota van Eigen Hulp (zie daarover hierna onder 4.7.).

4.2. Onder 2.5. is vermeld dat de RvC op 18 juni 2007 uitspraak heeft gedaan op het beroep van [A] tegen de opzegging van zijn lidmaatschap. De RvC heeft dat gedaan in een 9 pagina’s tellende, uitvoerig gemotiveerde, beslissing. Eigen Hulp heeft ter comparitie een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van die uitspraak. Partijen strijden over de status van de uitspraak van de RvC, zodat daarover thans eerst moet worden beslist.

4.3. Zoals [A] terecht heeft gesteld kan de procedure voor de RvC niet als arbitrageprocedure worden aangemerkt, en het besluit van de RvC derhalve niet als arbitraal vonnis, omdat daartoe niet aan de wettelijke vereisten is voldaan.

Dat betekent echter niet dat het besluit van de RvC geen status heeft of slechts kan worden aangemerkt als een advies of opinie zonder bindende kracht, of buiten de reikwijdte van Boek 2, Titel 1 Burgerlijk Wetboek (BW) valt. Onbetwist staat vast dat de RvC een orgaan is van Eigen Hulp, terwijl het besluit van de RvC op rechtsgevolg is gericht. Het besluit van de RvC bekrachtigt immers de opzegging die bij brief van 6 december 2006 plaatsvond, zij het tegen een latere datum, met als gevolg dat tegen 31 december 2007 de rechtsverhouding tussen enerzijds [A] als lid en anderzijds Eigen Hulp als coöperatieve vereniging is beëindigd. Daarmee eindigden de aan het lidmaatschap verbonden rechten en verplichtingen tegen die datum en is een wijziging opgetreden in de rechtsbetrekkingen binnen de rechtspersoon. Het besluit van de RvC is daarmee een besluit van een orgaan van de rechtspersoon als in Boek 2, Titel 1 BW bedoeld.

Eigen Hulp stelt zich terecht op het standpunt dat het besluit van de RvC in de plaats is gekomen van de opzegging bij brief van 6 december 2006. Dat betekent dat in deze procedure eerst het besluit van de RvC aan de orde is. Alleen indien tot de conclusie wordt gekomen dat [A] aan het besluit van de RvC niet (meer) gebonden is, is plaats voor een onderzoek naar de vraag of de opzegging bij brief van 6 december 2006 nietig, vernietigbaar of jegens [A] onrechtmatig is.

4.4. Voor zover [A] bedoelt te betogen dat het besluit van de RvC nietig is op grond van artikel 2:14 BW omdat het in strijd is met de statuten, treft dat betoog geen doel. Vaststaat dat de statuten via de toevoeging in het derde lid van artikel 15 opzegging mogelijk maakten van een lid dat had opgehouden tevens huurder van een woning te zijn, terwijl tevens vaststaat dat [A] sinds 1 mei 1998 geen huurder meer was.

[A] opvatting dat de statutenwijziging bedoeld onder 2.2. nietig is, en dat dit maakt dat de grondslag aan de opzegging komt te vervallen, is in dit stadium niet relevant. Daarvoor wordt verwezen naar het slot van de vorige rechtsoverweging. Overigens heeft de RvC terecht overwogen (zie zijn besluit onder 8.) dat deze statutenwijziging niet in strijd komt met het in artikel 2 lid 1 van de statuten verankerde doel van Eigen Hulp haar leden van goede woonruimte te voorzien.

4.5. [A] voert daarnaast feiten en omstandigheden aan die zijns inziens tot vernietiging van het besluit van de RvC zouden moeten leiden. Gesteld noch gebleken is dat [A] binnen de in lid 5 van artikel 2:15 BW gestelde (verval)termijn van een jaar vernietiging van het besluit van de RvC heeft gevorderd. De bedoelde feiten en omstandigheden kunnen daarom alleen langs de weg van artikel 2:8 lid 2 BW worden getoetst.

Partijen hebben gedebatteerd over de vraag of en in hoeverre op het besluit van de RvC de regeling van de vaststellingsovereenkomst van overeenkomstige toepassing is. Het antwoord op die vraag kan in het midden blijven, omdat op grond van zowel artikel 2:8 lid 2 BW als artikel 7:904 lid 2 BW moet worden onderzocht of gebondenheid aan het besluit van de RvC in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en in zoverre derhalve dezelfde maatstaf geldt.

Met de term ‘onaanvaardbaar’ is beoogd een lichtvaardig beroep op de desbetreffende bepalingen uit te sluiten. Bij de toetsing zal daarom de nodige terughoudendheid moeten worden betracht. Alleen een ernstig gebrek kan tot de conclusie leiden dat aan deze maatstaf is voldaan. [A] voert in dit verband het volgende aan.

4.6. De beginselen van een goede procesorde, de gelijkheid tussen partijen en het recht op een mondelinge behandeling zijn door de RvC met voeten getreden en van een behoorlijke procesgang bij een onafhankelijke instantie is in het geheel geen sprake is geweest, omdat:

a. aan [A] kortere termijnen werden gegeven dan aan (het bestuur van) Eigen Hulp

b. zijn (herhaald) verzoek om een mondelinge behandeling zonder enige gegronde reden is afgewezen

c. lang niet op alle door [A] aangedragen argumenten en gronden een beslissing is gegeven

d. de RvC in het traject voorafgaand aan de opzegging van [A] al bij die beslissing was betrokken.

4.7. [A] heeft het verwijt onder c. niet nader toegelicht, waardoor het niet inhoudelijk kan worden beoordeeld en moet worden gepasseerd. Weliswaar heeft hij in zijn reactie op de pleitnota van Eigen Hulp nog een aanvulling gegeven op zijn stellingen, maar wat daarin is vermeld onder het 2e, 3e, 7e en 8e gedachtestreepje moet buiten beschouwing blijven, nu deze stellingen daarin voor het eerst worden betrokken en Eigen Hulp daarop niet meer inhoudelijk heeft kunnen reageren. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat Eigen Hulp zich al bij de comparitie beriep op de beslissing van de RvC en dat [A] vervolgens meerdere gelegenheden heeft gehad zijn bezwaren daartegen handen en voeten te geven. Over de andere verwijten wordt het volgende overwogen.

4.8. De RvC heeft [A] (herhaald) verzoek om een mondelinge behandeling te gelasten tot drie maal toe afgewezen met een motivering die erop neerkomt dat hij ruimschoots in de gelegenheid is geweest zijn stellingen toe te lichten. Dat dit het geval is, blijkt uit de uitgebreide processtukken die in die procedure zijn gewisseld (waarvan een kopie in dit geding is overgelegd). Zo beslaat zijn repliek 32 bladzijden met 23 bijlagen. [A] stelt kortere termijnen te hebben gehad voor het inleveren van zijn stukken dan Eigen Hulp; Eigen Hulp betwist dat. Nu gesteld noch gebleken is welk nadeel [A] heeft gehad door het uitblijven van een mondelinge behandeling, respectievelijk de (enigszins) kortere reactietermijnen, kan op grond daarvan niet worden gezegd dat gebondenheid aan het besluit van de RvC in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.9. Voor de conclusie dat gebondenheid aan het besluit van de RvC in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat de RvC voorafgaand aan de opzegging van [A] al bij die beslissing was betrokken, is alleen ruimte als feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen, op grond waarvan in ernstige mate twijfel mogelijk is over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de RvC.

[A] beroept zich in dit verband op de jaarverslagen over de jaren 2005 en 2006 van Eigen Hulp. Daaruit blijkt dat het bestuur en de RvC samen hebben vergaderd. In het jaarverslag 2006 staat bovendien op pagina 3 onder ‘Bestuursvergaderingen’: ‘De Raad ontving alle (…) relevante correspondentie met ondermeer de adviseurs van het bestuur’ en op pagina 6 daarvan onder ‘Juridische kwesties’: ‘Het bestuur heeft zich in de volgende zaken juridisch laten bijstaan: (…) opzegging van het lidmaatschap van een lid-niethuurder’. Met de laatste opmerking is onbetwist de opzegging van [A] bedoeld. Uit deze passages volgt echter niet, zoals Eigen Hulp terecht aanvoert, dat de RvC zich inhoudelijk heeft bemoeid met de opzegging van [A]. Bovendien moet [A] – die vanaf 1996 tot 2001 lid was van de RvC en vanaf 1997 voorzitter daarvan is geweest – op de hoogte zijn geweest van de adviserende en toezichthoudende taken van de RvC op grond van artikel 36 van de statuten. Voor zover hij in verband daarmee gerechtvaardigde twijfel had over de onpartijdigheid of onafhankelijkheid van de RvC, had het op zijn weg gelegen dat tijdig kenbaar te maken.

Eigen Hulp heeft verder aangevoerd dat de RvC het beroep van [A] geheel zelfstandig, zonder enige inmenging van het bestuur, heeft afgehandeld, dat tussen het bestuur en de RvC geen inhoudelijk contact is geweest over de behandeling van het beroep, maar slechts over de data van indiening van de stukken, dat de RvC zich juridisch heeft laten bijstaan door een onafhankelijke jurist en de advocaat van het bestuur geen contact heeft gehad met de RvC, alsmede dat het besluit van de RvC wat de einddatum van diens lidmaatschap betreft, (zelfs) in het voordeel is van [A]. [A] heeft daar geen concrete feiten en omstandigheden tegenovergesteld die, mits bewezen, tot het oordeel kunnen leiden dat in zo ernstige mate twijfel mogelijk is over de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de RvC dat gebondenheid aan het besluit van de RvC in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze klacht wordt daarom tevergeefs voorgesteld.

4.10. Ten slotte beroept [A] zich op ‘de omstandigheden die reeds zijn aangevoerd in het kader van de nietigheid, althans vernietigbaarheid van het besluit tot wijziging van de statuten en het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [A]’. Deze algemene verwijzing ziet, zoals blijkt uit 5.3 van het schriftelijk pleidooi van [A], kennelijk op ‘het ontbreken van rechtsgeldigheid van de statutenwijziging en van rechtsgeldigheid van het besluit tot opzegging van het lidmaatschap’. Wat het laatste betreft is [A] van mening dat het bestuur ‘in het geheel’ geen opzeggingsbesluit heeft genomen, wat volgens hem wordt onderstreept doordat Eigen Hulp geen besluitenlijst of notulen in het geding heeft gebracht, zodat de opzegging ‘non-existent’ zou zijn.

Onder 4.4. is overwogen dat de statutenwijziging niet in strijd met de statuten wordt geacht. De vraag of een bestuursbesluit ten grondslag ligt aan de brief van 6 december 2006 hoeft geen beantwoording omdat, ook indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, dat niet tot gevolg heeft dat gebondenheid aan het besluit van de RvC, waarin de rechtsverhouding tussen enerzijds [A] als lid en anderzijds Eigen Hulp (opnieuw) is vastgesteld, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld die, mits bewezen, tot dat oordeel kunnen leiden, is het besluit van de RvC voor partijen bindend. Bij de verdere beoordeling moet daarom van de gebondenheid van [A] en Eigen Hulp aan het besluit van de RvC worden uitgegaan. Dat betekent dus dat [A] tot en met 31 december 2007 lid is geweest van Eigen Hulp.

4.11. [A] verwijt Eigen Hulp dat hij, ondanks zijn verzoeken daartoe, laatstelijk in juni en oktober 2007, niet in de gelegenheid is gesteld zijn lidmaatschapsrechten uit te oefenen. Ter toelichting verwijst hij naar de afwijzingen van Eigen Hulp van 26 juni en 9 oktober 2007. Volgens [A] heeft Eigen Hulp in die brieven ten onrechte geweigerd hem een woning aan te bieden met, kort gezegd, als redengeving dat leegkomende woningen niet meer aan leden zouden worden verhuurd. [A] was alleszins bereid om een woning te gaan huren onder de voorwaarde dat hij deze zelf zou gaan bewonen of onder andere, redelijke, voorwaarden. Met de huur zou de grond voor opzegging van zijn lidmaatschap vervallen. Hij zou de mogelijkheid krijgen een gehuurde woning tegen een aantrekkelijke prijs te kopen en bovendien had hij op grond van artikel 48 van het huishoudelijk reglement bij ontbinding van Eigen Hulp het recht mee te delen in het liquidatieoverschot. Eigen Hulp had de plicht en de mogelijkheid om [A] een woning aan te bieden, heeft dat herhaaldelijk geweigerd en is daardoor jegens hem in verzuim geraakt. Zijn schade omvat niet alleen geleden verlies, zoals het niet – meer – kunnen huren van een goede én betaalbare woning in Amsterdam, maar ook gederfde winst, waaronder het vooruitzicht om een woning in eigendom te verkrijgen tegen een redelijke prijs, aldus [A].

4.12. Op grond van artikel 13 van de statuten van Eigen Hulp hebben leden het recht een woning te huren volgens de regels van het huishoudelijk reglement. In artikel 13 lid 2 van het huishoudelijk reglement is bepaald dat, wanneer een lid tijdelijk verhinderd is zijn woning te bewonen, het bestuur om buitengewone redenen onder(ver)huur kan toestaan. Onbetwist staat vast dat onder(ver)huur alleen werd toegestaan als dat voor korte tijd was, maar dat bij permanent verblijf elders toestemming werd geweigerd. Vaststaat dat [A] sinds 1998 permanent in het oosten van het land verblijft. Het lag gelet daarop op zijn weg aannemelijk te maken dat hij zijn permanente verblijf in het oosten van het land in de periode tot en met 31 december 2007 zou hebben verruild voor een permanent verblijf in Amsterdam, zodra Eigen Hulp hem een woning te huur zou hebben aangeboden. [A] heeft dat nagelaten. Hij heeft in plaats daarvan ter comparitie van 3 september 2008 (derhalve zo’n jaar daarna) nog verklaard: ‘Indien mij nu een woning wordt aangeboden die ik zou kunnen huren, dan zal ik daar goed over moeten nadenken. Over dubbele woonlasten en zo wil ik zelf kunnen beslissen. Het zou kunnen dat ik over een jaar of twee weer naar Amsterdam wil verhuizen. Ik wil gewoonweg de keuze krijgen.’ Nu zijn stelling dat hij in 2007 alleszins bereid was een woning te huren niet nader is onderbouwd, en gelet op deze opmerking ter comparitie niet aannemelijk is, is er geen grond Eigen Hulp tot schadevergoeding te veroordelen. In het midden kan daarom blijven of het Eigen Hulp, op basis van door haar vastgesteld beleid, nog vrijstond een woning aan [A] te verhuren.

4.13. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [A] worden afgewezen.

4.14. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. In elk van de gevoegde zaken is vastrecht geheven; de na de voeging verrichte proceshandelingen zijn eenmalig in de berekening opgenomen. De kosten aan de zijde van Eigen Hulp worden aldus begroot op:

- vast recht EUR 502,00 (2 x EUR 251,00)

- salaris advocaat 1.808,00 (4,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.310,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Eigen Hulp tot op heden begroot op EUR 2.310,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, mr. C.P. Bleeker en mr. M.M. Korsten -Krijnen, leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.?