Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3578

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-08-2010
Zaaknummer
441657 - HA ZA 09-3445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belening van horloge, toepassing pandhuiswet

Beschikkings(on)bevoegdheid belener en goede trouw Stadsbank kunnen in het midden blijven, omdat Stadbank daartegen wordt beschermd door art. 11 PHW. In dit geval geen begrenzing bescherming PHW o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW. Daarom ook geen onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 441657 / HA ZA 09-3445

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[A] WATCHES V.O.F.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres,

advocaat mr. A.H. Vermeulen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM (STADSBANK VAN LENING),

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Partijen worden hierna [A] en de Stadsbank genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 14 oktober 2009, met producties,

- de conclusie van antwoord van 9 december 2009, met producties,

- het vonnis van 23 december 2009, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 26 januari 2010, en de daarin genoemde brief van 11 januari 2010 van mr. Vermeulen voornoemd, met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 19 september 2008 bezoekt [B] (hierna: [B]) het bedrijfspand van [A], een bedrijf dat onder meer dure horloges verkoopt. [A] geeft op deze dag vier nieuwe horloges en aanverwante goederen mee aan [B] met een totale waarde van

€ 62.240,-. De verzamelfactuur is geadresseerd aan [B] opleidingen BV. [A] en [B] spreken af dat [B] deze factuur half oktober 2008 zal betalen.

2.2. Op 25 september 2008 beleent [B] bij de Stadsbank één van de horloges

van [A]. Het pandbewijs met nummer AA228549 vermeldt onder meer:

“1 onedel HR. polshorloge; IWC Portoghese nr.3367020 pap.gar.bew.compl.in ds”.

2.3. Op 26 september 2008 komt [B] terug bij [A]. Hij geeft op deze dag twee van de op 19 september 2008 meegegeven horloges terug aan [A]. [A] geeft hem vervolgens drie andere nieuwe horloges mee. [B] ontvangt een creditnota voor alle op

19 september 2008 meegegeven goederen en een nieuwe verzamelfactuur, geadresseerd aan [B] opleidingen BV. [A] en [B] spreken af dat [B] deze factuur eind oktober 2008 zal betalen. Deze factuur van 27 september 2008 bestaat uit twee pagina’s.

Op de eerste pagina staan alle meegegeven goederen gespecificeerd met een prijsopgave per stuk. Op de tweede pagina staat het totaalbedrag van € 98.450,- vermeld en de zinsnede:

“Bij betaling op rekening verzoeken wij u vriendelijk deze faktuur binnen 14 dagen aan ons te voldoen.”

2.4. Op 30 september 2008 beleent [B] bij de Stadsbank één van de horloges van [A], die hij op 26 september 2008 heeft meegekregen. Het pandbewijs met nummer AA228872 vermeldt onder meer:

“1 gouden HR. polshorloge; Lange & Sohne. nr.169405 met boekjes en nota”.

2.5. Op 14 oktober 2008 komt [B] terug bij [A]. [A] geeft hem drie nieuwe horloges, manchetknopen en een opbergdoos voor horloges mee en neemt één horloge in bestelling. [B] ontvangt hiervoor een factuur van 15 oktober 2008, geadresseerd aan [B] opleidingen BV. [A] en [B] spreken af dat [B] deze factuur met daarop het totaalbedrag van € 117.960,- uiterlijk 15 november 2008 zal betalen.

2.6. Op 15 oktober 2008 beleent [B] bij de Stadsbank één van de horloges van [A], die hij op 14 oktober 2008 heeft meegekregen. Het pandbewijs met nummer AA230151 vermeldt onder meer:

“Ged. gd. HR. polshorloge; Chopard, 151/250,1145630-1874 doos/papieren/garant”.

2.7. Op 24 oktober 2008 beleent [B] bij de Stadsbank één van de overige horloges van [A], die hij op 14 oktober 2008 heeft meegekregen. Het pandbewijs met nummer AA231034 vermeldt onder meer:

“1 gouden HR. polshorloge; A.Lange & sone179527,cert,bkj,ds,bon”.

2.8. Op 13 november 2008 beleent [B] bij de Stadsbank het laatste van de overige horloges van [A], die hij op 14 oktober 2008 heeft meegekregen. Het pandbewijs

met nummer AA232666 vermeldt onder meer:

“1 gouden HR. polshorloge; patek philippe refnr5140 met papieren in 2 dozen”.

2.9. Na het bezoek van [B] op 14 oktober 2008 stelt [A] een onderzoek naar de achtergrond van [B] in. Hieruit blijkt dat [B] ooit failliet is verklaard en dat hij betalingsproblemen heeft bij verschillende bedrijven. Ondanks nadere contacten en afspraken tussen [A] en [B], betaalt [B] dan wel [B] Opleidingen B.V. de facturen van [A] niet. [A] doet op 25 november 2008 aangifte tegen [B] wegens oplichting dan wel verduistering.

2.10. Op 17 december 2008 betaalt [A] de totale beleensom van € 30.350,- en de totale beleenkosten van € 960,84 aan de Stadsbank om de door [B] onder de nummers AA228549, AA228872, AA230151, AA231034 en AA232666 beleende horloges te lossen.

2.11. Op 7 februari 2009 doet [A] aangifte tegen de Stadsbank wegens schuldheling. Een vertegenwoordiger van de Stadsbank is naar aanleiding van deze aangifte door de politie gehoord. Het strafrechtelijke onderzoek naar aanleiding van deze aangifte is nog niet afgerond.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat deze rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Stadsbank veroordeelt:

I. tot betaling van een bedrag van € 31.506,41, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 25 september 2008 tot en met de dag der algehele voldoening;

II. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 5.950,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van twee weken na dit vonnis;

III. in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten van € 131,00 bij voldoening zonder betekening en € 191,00 ingeval van betekening van dit vonnis ex art. 237 lid 4 Rv, met bepaling dat over de te liquideren kosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de 15de dag na dit vonnis.

3.2. [A] stelt hiertoe het volgende. De Stadsbank heeft vijf door oplichting verkregen horloges ter belening geaccepteerd zonder voldoende onderzoek te doen naar

de verkrijging en betaling daarvan. De Stadsbank heeft zich daarmee schuldig gemaakt

aan schuldheling en aldus onrechtmatig gehandeld tegenover [A]. Op grond van

de redelijkheid en billijkheid komt de Stadsbank geen beroep toe op de Pandhuiswet.

Het beleengedrag van [B] bij de Stadsbank was namelijk dermate afwijkend en abnormaal, dat de Stadsbank nader onderzoek had moeten doen naar de herkomst van

de horloges. De schade van [A] bedraagt € 31.506,41 in verband met de gedwongen terugkoop van de horloges door [A] bij de Stadsbank. Door deze terugkoop is sprake van een handelstransactie en vordert [A] vergoeding van wettelijke handelsrente vanaf de eerste beleningsdatum, te weten 25 september 2008. Daarnaast vordert zij vergoeding van buitengerechtelijke kosten en nakosten.

3.3. De Stadsbank concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [A]:

- niet ontvankelijk moet verklaren in haar vordering, althans haar vordering moet afwijzen;

- moet veroordelen in de kosten van dit geding.

3.4. De Stadsbank stelt hiertoe het volgende. Ten eerste heeft de Stadsbank niet onrechtmatig gehandeld, omdat [B] beschikkingsbevoegd was en de Stadsbank zorgvuldig heeft gehandeld. Bovendien wordt zij beschermd door de Pandhuiswet.

Ten tweede bestaat geen causaal verband tussen de handelswijze van de Stadsbank en de schade, omdat de schade is veroorzaakt door de handelswijze van [B] en de Stadsbank betwist dat er niet zou zijn beleend als de Stadsbank tussentijds contact met [A] zou hebben opgenomen. Ten derde heeft [A] eigen schuld aan de schade, omdat zij onvoldoende onderzoek naar [B] heeft verricht voorafgaand aan de afgifte van de horloges aan hem. Ten vierde is geen handelsrente verschuldigd, omdat schadevergoeding wordt gevorderd op grond van een onrechtmatige daad. Bovendien zou rente slechts verschuldigd zijn vanaf de datum van verzuim dan wel vanaf de datum van betaling door [A] aan de Stadsbank. Ten vijfde is de Stadsbank geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten verschuldigd, omdat geen vergoedbare buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, althans werkzaamheden tot een lager bedrag.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of [B] ten tijde van de belening van de vijf horloges, die hij van [A] had meegekregen, beschikkingsbevoegd was ten aanzien van deze horloges. [A] stelt dat [B] niet beschikkingsbevoegd was, omdat hij de horloges namens [B] Opleidingen B.V. heeft gekocht en vervolgens als privé-persoon heeft beleend. De Stadsbank stelt dat [B] wel beschikkingsbevoegd was, omdat hij als enig bestuurder van [B] Opleidingen B.V. bevoegd was deze vennootschap te vertegenwoordigen. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, kan echter in het midden blijven of [B] beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de horloges.

4.2. Als namelijk zou komen vast te staan dat [B] ten tijde van de belening beschikkingsonbevoegd was ten aanzien van de horloges, dan is het pandrecht op deze horloges op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pandhuiswet (hierna: PHW) in verband met artikel 3:238, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ondanks deze onbevoegdheid geldig, als de Stadsbank te goeder trouw was op het tijdstip waarop de horloges in haar macht zijn gebracht. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, kan echter zelfs in het midden blijven of de Stadsbank te goeder trouw was op het tijdstip waarop de horloges in haar macht zijn gebracht.

4.3. Als namelijk zou komen vast te staan dat [B] ten tijde van de belening beschikkingsonbevoegd was ten aanzien van de horloges én dat de Stadsbank niet te goeder trouw was op het tijdstip waarop de horloges in haar macht zijn gebracht, dan geniet de Stadsbank in beginsel nog de aanvullende bescherming van artikel 11, tweede lid, PHW.

Op grond van dit artikellid wordt de beleende zaak, als deze zaak nog in de macht van de bank is, aan de eigenaar teruggegeven tegen betaling van de beleensom en van hetgeen ter zake van de belening is verschuldigd, zelfs als de bank op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht niet te goeder trouw is of als de zaak door diefstal is verloren. Uit de wetsgeschiedenis van dit artikellid valt af te leiden dat deze aanvullende bescherming door de wetgever noodzakelijk is geacht om banken van lening te beschermen tegen de nadelen van de algemene regeling van revindicatie van gestolen roerende zaken. Toepassing van deze regeling zou banken van lening namelijk op grote verliezen komen te staan, omdat het voor deze banken niet goed mogelijk is voor iedere van de vele dagelijks aangeboden zaken na te gaan of deze zaak is gestolen.

4.4. De bescherming van artikel 11, tweede lid, PHW geldt echter niet onbegrensd.

Op grond van artikel 11, derde lid, PHW moet de bank een zaak namelijk onvergolden teruggeven aan de eigenaar, als de zaak voor de aanneming tot pand met duidelijke omschrijving als door diefstal verloren bij de bank is aangegeven en afgifte van de zaak binnen zes maanden ná deze aangifte wordt gevraagd op een moment dat het pand nog in de macht van de bank is. Het is niet gesteld of gebleken dat in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke situatie. Daarnaast is artikel 11, tweede lid, PHW op grond van artikel 6:2, tweede lid, BW niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De hiervoor onder 3.4. omschreven strekking van de aanvullende bescherming van artikel 11, tweede lid, PHW dwingt de rechter evenwel tot grote terughoudendheid bij de bovenbedoelde beperking daarvan op grond van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak onvoldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan, die een beroep op deze beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen rechtvaardigen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.5. Als onweersproken staat vast dat de Stadsbank bij de belening van een horloge op 25 september 2008 de identiteit van [B] heeft vastgesteld aan de hand van zijn paspoort en dat [B] bij deze belening een bijbehorende opbergdoos en een garantiebewijs heeft overhandigd. De Stadsbank heeft bovendien gesteld dat zij [B] bij deze belening heeft gevraagd naar de herkomst van het horloge en dat hij vervolgens een aankoopbewijs van dit horloge heeft overhandigd. [A] heeft deze stelling gemotiveerd betwist. De Stadsbank heeft het aankoopbewijs niet overgelegd, omdat zij stelt dat dit bewijs niet meer is te achterhalen. Gelet hierop heeft de Stadsbank onvoldoende onderbouwd dat [B] destijds een aankoopbewijs heeft overhandigd. De enkele vermelding op het pandbewijs, waaruit volgt dat de belening is geschied met papieren, is hiertoe in ieder geval onvoldoende.

De rechtbank zal dus uitgaan van een situatie waarin [B] bij deze belening geen aankoopbewijs heeft overhandigd.

4.6. Daarnaast staat als onweersproken vast dat de Stadsbank tijdens bovenbedoelde belening heeft gehandeld in overeenstemming met het reglement dat in het kader van de PHW voor de Stadsbank is vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van Amsterdam op 3 oktober 2006 en waarin regels staan opgenomen voor het aanvaarden van beleningen (hierna: het Reglement). Bovendien heeft de Stadsbank onweersproken gesteld dat één horloge tot het normale bezit van een persoon behoort, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Gelet op het bovenstaande heeft [A] onvoldoende gemotiveerd gesteld op grond waarvan bij deze belening sprake was van zodanig afwijkende of abnormale omstandigheden, dat de Stadsbank had moeten vermoeden dat dit horloge uit misdrijf afkomstig was, althans dat zij dit nader had behoren te onderzoeken.

4.7. Als onweersproken staat verder vast dat de Stadsbank de identiteit van [B] bij de daaropvolgende vier beleningen van horloges van [A] wederom heeft vastgesteld aan de hand van zijn paspoort en dat [B] bij drie van deze beleningen een bijbehorende opbergdoos en telkens een garantiebewijs heeft overhandigd. De Stadsbank heeft daarnaast gesteld dat zij [B] voorafgaand aan deze beleningen extra heeft gevraagd naar de herkomst van deze horloges, omdat hij ná zijn eerste belening was teruggekomen met meerdere waardevolle horloges, en dat hij vervolgens telkens een aankoopbewijs van deze horloges heeft overhandigd. [A] heeft deze stellingen in zoverre betwist, dat zij stelt dat de door de Stadsbank overgelegde facturen van 27 september 2008 en 15 oktober 2008 geen betalingsbewijzen zijn en dat de originele facturen bestaan uit twee pagina’s, waarbij op de tweede pagina de betalingsafspraak tussen [A] en [B] Opleidingen B.V.

staat vermeld. De Stadsbank betwist dat zij beide tweede pagina’s van de facturen tijdens

de belening overhandigd heeft gekregen. [A] heeft niet gesteld dat [B] deze beide tweede pagina’s wel aan de Stadsbank heeft overhandigd en evenmin nader gemotiveerd op grond waarvan de Stadsbank tijdens de beleningen op de hoogte was of had behoren te zijn van de inhoud van deze beide tweede pagina’s. Het enkele feit dat op de factuur van

27 september 2008 onderaan geen totaalbedrag staat vermeld, is hiertoe in ieder geval onvoldoende, omdat hieruit niet zonder meer volgt dat deze factuur een tweede pagina heeft, laat staan wat de inhoud daarvan is. Gelet hierop zal de rechtbank uitgaan van een situatie waarin de Stadsbank tijdens de beleningen niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de inhoud van de beide tweede pagina’s van deze facturen.

4.8. De Stadsbank heeft daarnaast onweersproken gesteld dat zij ook tijdens de belening van deze vier horloges van [A] heeft gehandeld in overeenstemming met het Reglement, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. [A] heeft echter gesteld dat de Stadsbank had kunnen zien dat de facturen waren geadresseerd aan [B] Opleidingen B.V., terwijl [B] als privé-persoon de horloges kwam belenen. Nu [B] vijf nieuwe, dure horloges van [A] en twee horloges van een andere horlogezaak in een kort tijdsbestek en direct na aankoop kwam belenen, terwijl hij niet als handelaar staat geregistreerd, had de Stadsbank volgens [A] nader onderzoek moeten verrichten.

De Stadsbank heeft onweersproken gesteld dat er verschillende redenen zijn waarom haar cliënten zaken belenen en dat de reden van belening voor haar als dienstverlener niet relevant is. In dit verband heeft zij eveneens onweersproken gesteld dat tal van haar cliënten met regelmaat zaken van hoge waarde verpanden, zodat de rechtbank hiervan uit zal gaan. Daarnaast heeft zij onweersproken gesteld dat zij niet registreert of beleners handelaar zijn en dat zij daartoe ook niet is gehouden, zodat de rechtbank ook hiervan uit zal gaan.

Het enkele feit dat iemand als privé-persoon zaken van een vennootschap beleend, voor zover dit al zou kunnen worden afgeleid uit de adressering van een factuur, levert naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een zodanig afwijkende of abnormale omstandigheid op dat de Stadsbank op grond daarvan had moeten vermoeden dat deze zaken uit misdrijf afkomstig waren, althans dat zij dit nader had behoren te onderzoeken. Het zou eventueel een vermoeden van beschikkingsonbevoegdheid kunnen opleveren, maar daar wordt een bank van lening nu juist in beginsel tegen beschermd. [A] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat in een bank van lening de belening door een privé-persoon van nieuwe en dure zaken afkomstig van verschillende leveranciers in een kort tijdsbestek en direct na aankoop ongebruikelijk is. [B] heeft in het onderhavige geval bovendien telkens aankoopbewijzen, garantiebewijzen en bij drie van de vier beleningen bijbehorende opbergdozen overhandigd. Daarnaast heeft hij zich telkens gelegitimeerd. Gelet op al het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien heeft [A] onvoldoende gemotiveerd gesteld op grond waarvan bij de belening van de vier horloges van [A] ná de belening van het eerste horloge van [A] sprake was van zodanig afwijkende of abnormale omstandigheden, dat de Stadsbank had moeten vermoeden dat deze horloges uit misdrijf afkomstig waren, althans dat zij dit nader had behoren te onderzoeken.

4.9. In de hierboven gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de bescherming op grond van artikel 11, tweede lid, PHW van de Stadsbank tegen de veronderstellenderwijs aangenomen beschikkingsonbevoegdheid van [B] en het veronderstellenderwijs aangenomen ontbreken van goede trouw aan de zijde van de Stadsbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.10. In de hierboven gegeven omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gezegd dat de Stadsbank onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [A] door geen nader onderzoek naar de verkrijging en betaling van de door [B] beleende horloges van [A] te doen. De rechtbank zal de vorderingen van [A] dus afwijzen.

4.11. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stadsbank worden begroot op:

- vast recht € 825,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.983,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Stadsbank tot op heden begroot op € 1.983,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.

type: MW

coll: