Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3123

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
AWB 10-189 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorschrift aan bouwvergunning dat niet mag worden gebouwd voordat de toetsing in het kader van de Wet Bibob door het landelijk Bureau Bibob is afgerond. Niet duidelijk waarom advies gevraagd. Schorsing van voorschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/189 WW44

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster]

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekster,

gemachtigde [gemachtigde verzoekster],

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost/Watergraafsmeer,

verweerder,

gemachtigde mr. S.F.M. Heijsen.

Procesverloop

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoekster ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 14 januari 2010 (hierna: het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 januari 2010.

Namens verzoekster is verschenen de gemachtigde alsmede [persoon 1], directeur van verzoekster. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen [persoon 2], plantoetser bouwvergunningen, en [persoon 3], coördinatiejurist afdeling vergunningen.

Overwegingen

Inleidende bepaling

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Procedure en bestreden besluit

2.1. Verzoekster is eigenaar van het pand gelegen aan de [adres]. Op 18 juni 2009 heeft verzoekster een aanvraag ingediend bij verweerder om een reguliere bouwvergunning, voor het veranderen van de derde verdieping en de zolderverdieping van het pand tot vier zelfstandige woningen en het oprichten van een dakopbouw en dakterras. Bij brief van 25 juni 2009 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag bevestigd. Bij brief van 7 juli 2009 heeft verweerder verzoekster verzocht enkele voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijke gegevens over te leggen. Bij brief van 28 augustus 2009 heeft verweerder de ontvangst van deze gegevens bevestigd en aan verzoekster medegedeeld dat de aanvraag op 20 augustus 2009 in behandeling is genomen.

2.2. Het ontwerpbesluit tot verlening van bouwvergunning en ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) heeft ter inzage gelegen van 25 september 2009 tot en met 5 november 2009 gelegen. Gedurende deze periode is door verweerder één zienswijze ontvangen.

Op grond van artikel 3.24, derde lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) beslissen burgemeester en wethouders in gevallen als de onderhavige, binnen vier weken na afloop van de termijn van terinzageligging over de ontheffing. Vaststaat en niet in geschil is dat verweerder niet binnen deze termijn, die afliep op 3 december 2009, heeft beslist.

2.3. Op grond van artikel 46, vierde lid, van de Woningwet beslissen burgemeester en wethouders op de aanvraag om bouwvergunning binnen vier weken nadat is beslist omtrent de aanvraag om een ontheffing. Indien verweerder tijdig zou hebben beslist ten aanzien van de ontheffing, dan zou de termijn om te beslissen op de aanvraag om bouwvergunning zijn geëindigd op uiterlijk 31 december 2009.

2.4. In verband met het uitblijven van een beslissing van verweerder, heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank, ten aanzien van het niet tijdig beslissen door verweerder. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder registratienummer AWB 09/5909 WW44. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het bestreden besluit genomen, waarbij ontheffing én bouwvergunning is verleend. Het bestreden besluit is aan verzoekster bekendgemaakt op 15 januari 2010.

2.5. In de bouwvergunning is evenwel het voorschrift opgenomen dat met de uitvoering van het bouwplan niet mag worden gestart, voordat de toetsing in het kader van de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) is afgerond en door het stadsdeel is aangegeven dat deze geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het bouwplan. Bij brief van 7 januari 2010 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld advies te hebben gevraagd aan het landelijk Bureau Bibob.

Het verzoek

3.1. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd dit voorschrift te schorsen. Verzoekster wacht immers al vanaf 18 juni 2009 op een beslissing op de aanvraag en leidt financiële schade, omdat er al tal van kosten zijn betaald, maar de bouw nog steeds niet kan beginnen. Door de vertraging loopt verzoekster voorts het risico dat ontbindende voorwaarden in werking treden nu het pand is verkocht onder voorbehoud van een onherroepelijke bouwvergunning. Bovendien loopt verzoekster door de vertraging het risico niet binnen de termijn van zes maanden voor de overdrachtsbelasting te kunnen leveren. Ieder (verder) uitstel brengt dus voor verzoekster financiële schade met zich mee.

Beoordeling

4.1. De rechter overweegt dat verweerder op grond van artikel 44a, eerste lid, van de Woningwet, in samenhang bezien met artikel 3 van de Wet Bibob de bouwvergunning had kunnen weigeren. Hiervoor is vereist dat sprake is van ernstig gevaar dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of strafbare feiten te plegen. Dit heeft verweerder niet gedaan.

4.2. De rechter stelt voorts vast dat verweerder eerst bijna zeven maanden na ontvangst van de aanvraag en bijna vijf maanden na het ontvankelijk verklaren van de aanvraag om bouwvergunning advies heeft gevraagd aan het landelijk Bureau Bibob. Voorts heeft het landelijk Bureau Bibob in een brief van verweerder aan de rechtbank van 8 januari 2010 aangegeven niet binnen de wettelijke beslistermijn, inclusief de mogelijkheden voor verdaging, het onderzoek af te kunnen ronden. Weliswaar heeft verweerder meer dan zeven maanden na de aanvraag de bouwvergunning verleend, doch deze kan nu vooralsnog niet benut worden vanwege het daaraan verbonden voorschrift.

4.3 Naar voorlopig oordeel van de rechter handelt verweerder onzorgvuldig jegens verzoekster door het advies aan het landelijk Bureau Bibob eerst zeven maanden na de aanvraag aan te vragen, en door een zodanig voorschrift aan de bouwvergunning te verlenen, dat deze voor een onduidelijke periode in de toekomst onbruikbaar is. De vertraging in de besluitvorming is geheel aan verweerder te wijten.

4.4. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting, ondanks de aanwezigheid van twee bouwplantoetsers van verweerder, geen enkele duidelijkheid kunnen geven over het vermoeden dat aanleiding heeft gevormd om advies te vragen van het landelijk Bureau Bibob. Wel heeft de officier van justitie volgens de gemachtigde van verweerder geadviseerd een (nader) onderzoek in te stellen naar verzoekster. Verweerder kon niet vertellen op welke feiten of welk vermoeden dit advies is gebaseerd.

4.5 De gemachtigde van verzoekster heeft hier tegenover gesteld dat bij het oprichten van de vennootschap in januari 2009, dus zeer recent, een verklaring van geen bezwaar is afgegeven door de officier van justitie. Hieraan voorafgaand heeft een antecedentenonderzoek plaatsgevonden naar de directeur [persoon 3] alsmede naar hemzelf. Bovendien betreft dit het tweede bouwproject van verzoekster en heeft verzoekster niet eerder problemen gehad. Voor de bouwwerkzaamheden die thans vergund zijn, is verzoekster een hypotheek aangegaan bij een Nederlandse bank. Bewijsstukken hiervan zijn, onweersproken, door verzoekster bij verweerder ingeleverd. Er kan dan ook geen sprake zijn van activiteiten die gefinancierd worden met crimineel geld, aldus verzoekster, nu de verbouwing door een Nederlandse bank wordt gefinancierd. Verweerder heeft hier ter zitting niet op kunnen reageren.

4.6 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting voorts gewezen op het beleid op dit punt, vastgelegd in ‘De Beleidsregel gemeente Amsterdam in het kader van de Wet Bibob’ van 6 november 2007. Verzoekster valt volgens verweerder in de “risicocategorie” “vastgoedbedrijven”. Naar voorlopig oordeel miskent deze stelling dat het beleid aandacht vraagt voor bouwactiviteiten waarmee ruimten worden gecreëerd waarbinnen zich handelsactiviteiten (gaan) afspelen zoals vastgoedbedrijven. In dit geval heeft de bouwvergunning betrekking op het verbouwen van woningen, hetgeen niet in een risico-categorie valt.

4.7 De rechter stelt vast dat door verweerder zelfs geen begin van een vermoeden kan worden genoemd waarom met de verbouwing van deze woningen enig strafbaar feit in het geding kan zijn. Verzoekster heeft daarentegen overtuigend gemotiveerd waarom van enig strafbaar feit geen sprake is, in het bijzonder niet van een financiering met crimineel geld.

Voorts betwijfelt de rechter of het verbinden van een voorschrift als het onderhavige aan een bouwvergunning mogelijk is gelet op het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet. Ingevolge dit artikel mogen burgemeester en wethouders aan de bouwvergunning slechts voorschriften verbinden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de voorschriften strekken krachtens welke de vergunning wordt verleend en waaraan het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft moet voldoen. De door verweerder aan de bouwvergunning verbonden Bibob-voorwaarde mist een dergelijk strekking. Voorts is artikel 31 van de Bibob niet van toepassing, omdat de bouwvergunning is verleend.

4.8 Gelet op het voorgaande heeft de rechter grote twijfel bij de vraag of de gestelde voorwaarde op zijn plaats is. Gelet op de tijd verstreken met de behandeling van de bouwaanvraag door verweerder dienen de belangen van verzoekster bij het kunnen uitvoeren van de bouwwerkzaamheden in dit geval zwaarder wegen dan het belang dat is gediend bij het afwachten van de uitkomst van het onderzoek door het landelijk Bureau Bibob, hetgeen te meer geldt nu er geen begin van aannemelijkheid is dat dit advies voor verzoekster negatief zal kunnen zijn. De rechter neemt hierbij in aanmerking dat het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening het tweede verzoek van verzoekster is, dat namens verweerder bij de eerste zitting niemand is verschenen en dat de gemachtigde van verweerder op de tweede zitting heeft aangegeven slechts drie dagen bij de zaak betrokken te zijn, zodat hij helaas op een aantal vragen het antwoord schuldig moest blijven.

5. De rechter ziet aanleiding het verzoek toe te wijzen, in dier voege dat het voorschrift omtrent het Bibob-advies wordt geschorst. Dit betekent dat verzoekster zal kunnen bouwen en dat de rechtbank in beroep zal oordelen over het gewraakte voorschrift. De rechter gaat er van uit dat als het Bibob-advies voor verzoekster ongunstig is, verweerder een verzoek tot opheffing van de schorsing van het voorschrift bij de voorzieningenrechter zal indienen alvorens de bouw op enigerlei wijze te belemmeren.

6. Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, ziet de rechter geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel ziet de rechter aanleiding te bepalen dat het door verzoekster betaalde griffierecht door verweerder dient te worden vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het aan de bouwvergunning van 15 januari 2010 verbonden voorschrift dat inhoudt dat met de uitvoering van het bouwplan niet mag worden gestart, voordat de toetsing in het kader van de Wet Bibob is afgerond en door het stadsdeel is aangegeven dat deze geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het bouwplan;

- bepaalt dat het door verzoekster betaalde griffierecht ad € 297,00 (zegge: tweehonderd en zevenennegentig euro) door verweerder dient te worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Dutrieux, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2010.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB