Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3121

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/5870 WWB en AWB 10/69 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Fatsoensnormen spelen geen rol bij de beoordeling van bijstandsbehoeftigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/5870 WWB en AWB 10/69 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. E. Stap,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde M. Mulders.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 28 december 2009 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2010.

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. E. Stap. Verweerder is vertegenwoordigd door M. Mulders.

Overwegingen

1. Inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

2. Feiten en omstandigheden

2.1. Verzoeker heeft op 8 september 2009 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij heeft hij opgegeven dat hij alleenstaand is en een kamer huurt bij zijn broer, [broer], op het adres [adres], maar dat hij op korte termijn met zijn broer zal mee verhuizen naar het adres [adres].

2.2. Naar aanleiding van deze aanvraag is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van verzoeker. In dat kader heeft verzoeker op 29 september 2009 een verklaring afgelegd ten kantore van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van verweerder. Vervolgens is op 1 oktober 2009 op het adres [adres] een huisbezoek afgelegd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen met afsluitdatum 2 oktober 2009. Verweerder heeft daaraan de conclusie verbonden dat verzoeker op het opgegeven adres een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer. Bij besluit van 7 oktober 2009 heeft verweerder om deze reden de aanvraag om bijstand afgewezen en het bezwaar hiertegen bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.3. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoeker en zijn broer houden hun financiële verplichtingen strikt gescheiden van elkaar. Verzoeker betaalt zijn rekeningen en zijn broer betaalt zijn eigen rekeningen. Nu verzoeker al maandenlang geen inkomsten heeft is een achterstand in de betaling van enkele schuldeisers ontstaan. Het betreft een huurachterstand van verzoeker bij zijn broer van inmiddels € 1.000,00 en een achterstand in de aflossing van de lening bij de Informatie Beheer Groep. Indien sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding, dan had de broer van verzoeker de rekeningen en schulden van verzoeker wel voldaan. Dit is echter niet het geval. De verklaring zoals deze is opgenomen in het rapport van bevindingen komt volgens verzoeker niet overeen met wat hij destijds heeft getracht over te brengen. De verklaring is verzoeker in de mond gelegd door suggestieve vragen.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter gebruik zal maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en onmiddellijk uitspraak zal doen in de hoofdzaak.

3.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker en zijn broer, [broer], ten tijde in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Aan het eerste criterium van artikel 3, derde lid, van de WWB is dan ook voldaan.

3.4. Het tweede criterium waaraan voldaan moet zijn is dat van wederzijdse verzorging. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2009, LJN: BJ7286 - kan wederzijdse verzorging blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, is bepalend voor het antwoord op de vraag of er in een concreet geval aan het verzorgingscriterium is voldaan.

3.5. Alvorens tot beoordeling van de wederzijdse verzorging over te gaan merkt de voorzieningenrechter het volgende op naar aanleiding hetgeen verzoeker zelf ter zitting heeft aangevoerd. De rechter onderschrijft de stelling van verzoeker dat het van fatsoen getuigt, wanneer men bij wijze van dank voor de geboden onderdak en gastvrijheid, die persoon bijstaat in diens huishouden en die persoon verzorgt in geval van ziekte. De rechter acht het voorstelbaar dat dit te meer geldt wanneer een familielid onderdak verschaft, zoals in het geval van verzoeker. Echter, het onderhavige geschil moet worden getoetst aan de wettelijke bepalingen en de ter zake geldende jurisprudentie. Dit betekent dat bij de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB geen rekening wordt gehouden met de intenties of beweegredenen, zoals door verzoeker aangegeven, die aan het doen en laten ten grondslag liggen.

3.6. De voorzieningenrechter kan, gelet op navolgende overwegingen, niet anders dan concluderen dat de resultaten, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen, voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat tevens sprake was van wederzijdse zorg. Hiervoor is relevant dat verzoeker blijkens het rapport van bevindingen, onder meer het volgende heeft verklaard:

- mijn broer heeft ongeveer twee maanden geleden een woning gekregen aan de [adres];

- mijn broer en ik gaan daar vandaag of morgen naartoe verhuizen;

- op dit moment woon ik samen met mijn broer op het adres [adres];

- ik kook, mijn broer kookt af en toe;

- wij eten soms samen;

- wij kijken drie a vier avonden per week samen tv;

- mijn broer en ik doen om en om boodschappen;

- wij eten ongeveer twee keer per week samen;

- wij doen om en om het huishouden;

- degene die schoonmaakt neemt meteen de kamer van de ander mee;

- wij doen om en om de gezamenlijke was;

- als een van ons ziek zou zijn dan zouden wij elkaar verzorgen;

- ik betaal ongeveer € 250,- huur aan mijn broer;

- wij hebben ieder onze eigen kamer met onze eigen spullen erin;

- ik en mijn broer gebruiken elkaars boodschappen en bewaren deze niet apart.

3.7. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in zijn betoog dat de verklaring niet overeenkomt met wat hij destijds heeft getracht over te brengen en dat de verklaring verzoeker in de mond is gelegd door suggestieve vragen. Naar vaste rechtspraak van de CRvB - zie onder meer de uitspraak van 30 september 2008, LJN: BF5128 - wordt in het algemeen uitgegaan van de juistheid van een oorspronkelijk tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring en wordt weinig betekenis toegekend aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. De voorzieningenrechter heeft in dit geval onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt moet worden gemaakt. Daartoe acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat verzoeker niet alleen zijn verklaring, na voorlezing, heeft ondertekend, maar bovendien ter zitting - zoals overwogen onder 3.5 - ook heeft aangegeven dat hij en zijn broer het huishouden delen en elkaar zouden verzorgen bij ziekte. Dit komt overeen met zijn verklaring.

3.8. Op 1 oktober 2009 hebben opsporingsambtenaren vervolgens een huisbezoek afgelegd aan het nieuwe adres van verzoeker, [adres] te [woonplaats]. De aangetroffen situatie was conform verzoekers opgave.

3.9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat verzoeker met zijn broer ten tijde van de aanvraag een gezamenlijke huishouding voerden. Verzoeker was derhalve geen zelfstandig subject van bijstand en had dan ook geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Verweerder heeft daarom bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om bijstand naar de norm voor een alleenstaande terecht gehandhaafd.

3.10. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. Hieruit volgt dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover deze betreft het oordeel in de hoofdzaak (reg.nr. AWB 10/69 WWB), kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB