Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3119

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
AWB 09-5831 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Te korte hersteltemijn na opschorting en geen redelijke grond voor huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5831 WWB

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. H. Beekelaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 14 december 2009.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 januari 2010

Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Beekelaar. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. Mulders.

Overwegingen

1. inleidende bepalingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2. feiten en omstandigheden

2.1. Verzoeker ontving een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had, viel hij als dakloze in de categorie ‘bijzondere doelgroepen’. Op 19 mei 2009 heeft verzoeker aan verweerder doorgegeven dat hij met ingang van 14 mei 2009 inwonend is bij de heer [persoon 1] op het adres [adres]. De heer [persoon 1] heeft de hoofdbewonersverklaring niet ingevuld.

2.2. Naar aanleiding van deze adreswijziging is een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van verzoeker. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen met afsluitdatum 20 november 2009.

2.3. Blijkens het rapport van bevindingen heeft verweerder op 5 november 2009 getracht een huisbezoek af te leggen bij verzoeker. Verzoeker was niet aanwezig. Op 11 november 2009 heeft verweerder opnieuw, zonder succes, getracht een huisbezoek af te leggen.

2.4. Vervolgens heeft verweerder verzoeker bij brief van 16 november 2009 opgeroepen om op 17 november 2009 te verschijnen op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) met medeneming van een geldig identiteitsbewijs en bank- en/of giroafschriften van alle rekeningen waarover hij beschikte van de laatste drie maanden.

2.5. Bij besluit van 17 november 2009 heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 17 november 2009 opgeschort, omdat verzoeker op die datum niet was verschenen op kantoor van de DWI. Verweerder heeft voorts meegedeeld dat verzoeker op 19 november 2009 alsnog diende te verschijnen met medeneming van de in de brief van

16 november 2009 vermelde bescheiden. Verweerder heeft verzoeker gewaarschuwd dat als verzoeker hieraan onvoldoende gevolg zou geven, zijn bijstandsuitkering zou worden gestopt.

2.6. Verzoeker is op 19 november 2009 op kantoor van de DWI verschenen. Verzoeker heeft aldaar verklaard dat hij geen toestemming kan geven voor een huisbezoek, omdat hij geen sleutel heeft van de woning en de hoofdbewoner niemand wil toelaten tot de woning. Verder had hij zijn bankafschriften niet meegenomen omdat hij niet wist waar die lagen. Naar aanleiding van deze feiten heeft verweerder bij het bestreden besluit van 14 december 2009 de bijstanduitkering van verzoeker met ingang van 17 november 2009 ingetrokken.

2.7. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt en een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

3. inhoudelijke beoordeling

Opschorting

3.1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, onder a, van de WWB kan, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft.

3.2. In artikel 54, tweede lid, van de WWB is bepaald dat het college mededeling van de opschorting doet aan de belanghebbende en hem uitnodigt binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3.3. In artikel 54, vierde lid, van de WWB is bepaald dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

3.4. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) staat bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de aan een belanghebbende verleende bijstand, ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens die niet (meer) van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de belanghebbende niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken (bijvoorbeeld de uitspraak van 29 mei 2007, LJN: BA6853).

3.5. Vaststaat dat verzoeker de door verweerder bij het besluit van 17 november 2009 verlangde bankafschriften niet binnen de daarbij gegeven hersteltermijn, te weten op 19 november 2009, heeft verstrekt.

3.6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel de hersteltermijn kort is, het mogelijk moet zijn om binnen die hersteltermijn redelijkerwijs over de bedoelde gegevens te kunnen beschikken. De voorzieningenrechter kan verweerder hierin niet volgen. Met verzoeker is zij van oordeel dat een hersteltermijn van twee dagen niet als redelijk kan worden beschouwd. In de situatie van verzoeker geldt dit temeer. Hiertoe acht de voorzieningenrechter relevant dat verzoeker een tijd dakloos geweest, maar dat hij nu bij zijn kennis, de heer [persoon 1], mag inwonen. Hij mag echter, aldus zijn verklaring van 19 november 2009, uitsluitend tussen 22:30 uur en 7:30 uur in de woning van de heer [persoon 1] aanwezig zijn. Hij heeft voorts geen sleutel van de woning of van het postvakje, brengt zijn dagen door in de Centrale Bibliotheek en bewaart hij zijn spullen en administratie op verschillende plaatsen. Onder die omstandigheden kan al helemaal niet verlangd worden dat gegevens binnen twee dagen worden ingeleverd. De voorzieningenrechter wijst verweerder er bovendien op dat, blijkens de door verzoeker in het geding gebrachte stukken, de eigen klachtencommissie van verweerder heeft bepaald dat een hersteltermijn ten minste één week dient te zijn.

3.7. Gelet op het voorgaande, was verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet bevoegd de bijstand van verzoeker op deze grond met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 17 november 2009 in te trekken.

Het huisbezoek

3.8. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs voor de uitvoering van deze wet nodig is.

3.9. Indien de belanghebbende de inlichtingen en of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt, en wanneer als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB kan naar vaste jurisprudentie van de CRvB de bijstand worden ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, onder a van de WWB.

3.10. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder zijn uitspraak van 30 september 2008, LJN: BG2160) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete feiten omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

3.11. Niet in geschil is dat verzoeker geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek. Verzoeker heeft tijdens het gesprek van 19 november 2009 aangegeven dat hij niet kon meewerken aan een huisbezoek, omdat de hoofdbewoner niemand in de woning wilde toelaten. Gelet op voornoemde jurisprudentie ten aanzien van het niet meewerken aan een huisbezoek ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of er sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek.

3.12. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke grond voor het huisbezoek is gelegen in het feit dat verzoeker een nieuw adres had en er geen hoofdbewonersverklaring is ingevuld door de heer [persoon 1]. Volgens verweerder geven deze omstandigheden aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door verzoeker verstrekte gegevens. Daarom is het noodzakelijk een huisbezoek af te leggen ter controle van het feitelijke woonadres en de woonsituatie van verzoeker.

3.13. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in genoemde omstandigheden geen redelijke grond gelegen voor het afleggen van een huisbezoek. Blijkens de gedingstukken en hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd heeft zijn toenmalige klantmanager, mevrouw [persoon 2] met verzoeker destijds toen hij een kamer ging huren bij de heer [persoon 1], afwijkende afspraken gemaakt. Zo hoefde verzoeker geen hoofdbewonersverklaring over te leggen, omdat de heer [persoon 1] deze weigerde te ondertekenen en werd er geen huisbezoek afgelegd, omdat de heer [persoon 1] weigerde hieraan mee te werken. Op die manier wilde mevrouw [persoon 2] voorkomen dat de heer [persoon 1] zijn hulp aan verzoeker zou beëindigen. Nu niet is gebleken dat de situatie van verzoeker anders is dan ten tijde van de gemaakte afspraken en evenmin is gebleken dat met verzoeker is gecommuniceerd dat deze afspraken niet meer gelden, kan verzoeker niet worden tegengeworpen dat hij geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. De voorzieningenrechter wijst er op dat in dit geval het recht op bijstand ook op een andere minder ingrijpende manier had kunnen worden geverifieerd, bijvoorbeeld door te posten op de tijdstippen waarop verzoeker heeft gesteld in de woning aanwezig te zijn.

3.14. Met verzoeker is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat ook niet is gebleken dat verzoeker is gevraagd toestemming voor het huisbezoek te verlenen op basis van een “informed consent”.

3.15. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraken van de CRvB van 24 november 2009, LJN: BK4057, BK4059, BK4060, BK4063 en BK4064) houdt toestemming op basis van “informed consent” in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Blijkens het rapport van bevindingen heeft verweerder verzoeker er enkel op gewezen dat het niet meewerken aan een huisbezoek mogelijk gevolgen heeft voor zijn bijstandsuitkering. Hiermee is niet voldaan aan de eisen die gesteld zijn aan een toestemming op basis van “informed consent”.

3.16. Gelet op het voorgaande was verweerder, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, evenmin bevoegd de bijstandsuitkering van verzoeker op deze grond met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 17 november 2009 in te trekken.

3.17. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande, alle belangen in aanmerking nemende, aanleiding om het bestreden besluit te schorsen in afwachting van de beslissing van verweerder op het bezwaar van verzoeker.

3.18. Nu de voorlopige voorziening wordt toegewezen ziet de rechter aanleiding verweerder op hierna te melden wijze te veroordelen in de proceskosten van verzoeker.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 14 december 2009 tot zes weken nadat verweerder een beslissing op het bezwaar van verzoeker heeft genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaald dat de gemeente Amsterdam aan verzoeker het griffierecht van € 41,- (zegge: een en veertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2010.

de griffier de voorzieningenrechter

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB