Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3055

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/4422 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WW en TW. Herziening, terugvordering en boeteoplegging wegens niet melden van werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4422 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. A.A. Bouwman,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft verweerder eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) over de periode van 29 mei 2008 (de rechtbank begrijpt: 19 mei 2008) tot en met 22 juni 2008 herzien en de over deze periode te veel betaalde uitkering en toeslag tot een bedrag van € 508,20 bruto van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft verweerder eiser een boete van € 52,- opgelegd.

Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen deze besluiten ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2010. Eiser en verweerder zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Bij besluit van 6 februari 2007 heeft verweerder eiser met ingang van 2 januari 2007 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een gemiddeld arbeidspatroon van 33,47 uur per week. Daarnaast heeft verweerder bij besluit van 16 februari 2007 aan eiser een toeslag ingevolge de TW toegekend.

1.2 Naar aanleiding van een melding heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkering. In het kader van dat onderzoek zijn gegevensbestanden geraadpleegd, is eiser gehoord en is een verklaring afgelegd door de voormalige werkgever van eiser, [naam 1] (hierna: [naam 1]). De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een inspectierapport van 5 maart 2009 en in een onderzoeksrapport werknemersfraude van 3 april 2009. In laatstgenoemd rapport wordt geconcludeerd dat eiser tijdens de uitkeringsperiode werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten heeft genoten zonder hiervan melding te hebben gemaakt aan verweerder.

1.3 Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 20 mei 2009 eisers WW-uitkering en toeslag over de periode van 29 mei 2008 (lees: 19 mei 2008) tot en met 22 juni 2008 herzien en de over deze periode te veel betaalde uitkering en toeslag tot een bedrag van € 508,20 bruto van eiser teruggevorderd. Daarnaast heeft verweerder eiser bij besluit van 4 juni 2009 een boete opgelegd van € 52,- vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en deze besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser in de maanden mei en juni 2008 werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf Daily Fashion BV van [naam 1] en netto inkomsten van in totaal € 1.453,48 heeft genoten, zonder hiervan melding te doen.

1.4 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij in de bedoelde periode geen werkzaamheden heeft verricht voor het bedrijf van [naam 1]. Volgens eiser betreft de betaling van [naam 1] aan hem de aflossing van een oude schuld. De verklaring van [naam 1] dat eiser voor hem heeft gewerkt is volgens eiser ongeloofwaardig. Bovendien heeft [naam 1] verklaard dat eiser niet meer voor hem wilde werken nadat eiser aan zijn opleiding was begonnen. De opleiding was begonnen op 14 juni 2008. Dit betekent dat eiser de eerste 13 dagen van juni 2008 99 uur zou hebben gewerkt, terwijl eiser altijd maximaal 80 uur per maand heeft gewerkt voor [naam 1]. Verder had eiser de zorg voor zijn zoon, zodat hij geen tijd had om zoveel te werken.

2. Beoordeling van het geschil

2.1. Blijkens het onderzoeksrapport werknemersfraude van 3 april 2009 heeft [naam 1] op 2 april 2008 verklaard dat eiser bij hem in dienst is geweest als stikker en eiser in mei en juni 2008 respectievelijk 80 uur en 99 uur bij hem heeft gewerkt. Verder heeft [naam 1] verklaard dat eiser nooit een vriend van hem is geweest en dat hij absoluut nooit € 1.500,- van eiser heeft geleend. [naam 1] zou geleend geld ook niet via de loonadministratie terugbetalen omdat dat hem veel meer zou kosten. [naam 1] heeft daarbij salarisstroken van Daily Fashion BV overgelegd, waaruit blijkt dat eiser in mei 2008 80 uur heeft gewerkt over 10 dagen tegen een netto salaris van € 649,60 en eiser in juni 2008 99 uur heeft gewerkt over 12 dagen tegen een netto salaris van € 803,88.

2.2. Gelet hierop en het feit dat eiser heeft erkend dat hij in mei en juni 2008 in totaal € 1.453, 48 van [naam 1] heeft ontvangen, moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat eiser in mei en juni 2008 respectievelijk 80 uur en 99 uur heeft gewerkt bij Daily Fashion BV en daarvoor salaris heeft ontvangen. De enkele stelling van eiser dat de verklaring van [naam 1] ongeloofwaardig is leidt niet tot een ander oordeel, te meer daar de verklaring wordt ondersteund door de loonspecificaties en eisers eigen verklaring dat hij in de betreffende maanden € 1.453,48 van [naam 1] heeft ontvangen. De stelling van eiser dat deze betaling de aflossing van een oude schuld van € 1.500,- zou betreffen acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het door eiser ontvangen bedrag niet overeenkomt met de beweerde schuld en dat het niet logisch is dat de werkgever een privéschuld via de loonadministratie zou terugbetalen, aangezien daarbij loonheffing en premies moeten worden afgedragen. Verder is van belang dat eiser de door hem gestelde schuld niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd. Dat eisers opleiding tot buschauffeur en/of de zorg voor zijn zoon, die in de betreffende periode 17 jaar was, in de weg zouden hebben gestaan aan het verrichten van werkzaamheden bij Daily Fashion BV is de rechtbank ten slotte niet gebleken.

2.3. Vast staat dat eiser geen mededeling heeft gedaan aan verweerder van zijn werkzaamheden in mei en juni 2008 en de daarmee verworven inkomsten, zodat eiser de ingevolge artikel 25 van de WW en artikel 12 van de TW op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Nu als gevolg hiervan de WW-uitkering en toeslag tot een te hoog bedrag zijn verleend, was verweerder ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW gehouden de uitkering en de toeslag te herzien. Voorts was verweerder op grond van artikel 36, eerste lid, van de WW en artikel 20, eerste lid, van de TW gehouden de onverschuldigd betaalde WW-uitkering en toeslag van eiser terug te vorderen. De rechtbank acht geen dringende redenen aanwezig op grond waarvan verweerder van herziening of terugvordering had kunnen afzien. Tegen de hoogte van de terugvordering heeft eiser geen gronden aangevoerd.

2.4. Ingevolge artikel 27a van de WW en artikel 14a van de TW, voor zover hier van belang, legt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een boete op van ten hoogste € 2.269,-- indien de betrokkene de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 25 van de WW en artikel 12 van de TW, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

2.5. In het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) zijn nadere regels gesteld onder meer met betrekking tot artikel 27a van de WW en artikel 14a, eerste en tweede lid, van de TW. In de artikelen 2, eerste lid, en 3, eerste lid, van het Boetebesluit, zoals dat ten tijde van belang luidde, is bepaald dat de boete wordt vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52,- wordt vastgesteld. Indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven, wordt de boete die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

2.6. Indien is voldaan aan de in artikel 27a van de WW en artikel 14a van de TW gestelde voorwaarden voor het opleggen van een boete, dan moet verweerder - zoals thans ook is vastgelegd in artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet zo nodig rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van verweerder met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

2.7. Zoals de rechtbank hiervoor onder 3.3 heeft overwogen, heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden en is hem als gevolg daarvan tot een te hoog bedrag aan werkloosheidsuitkering en toeslag verleend. Zoals de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraken van 11 maart 2009 en 27 mei 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder de nummer LJN BH7780 respectievelijk LJN BM5914) heeft overwogen, is het in verband met het bestraffende karakter van een sanctie als hier aan de orde essentieel dat de betrokkene niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt valt te maken van deze onjuiste informatieverstrekking. Dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. Eiser heeft geen enkele omstandigheid aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat hem geen of in mindere mate een verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht. Van dringende redenen op grond waarvan verweerder van het opleggen van een boete had kunnen afzien is evenmin gebleken. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 27a, eerste lid, van de WW en artikel 14a, eerste lid, van de TW gehouden was eiser een boete op te leggen. Gelet op de ernst van de aan de orde zijnde overtreding en de omstandigheden van eiser, acht de rechtbank de opgelegde boete van € 52,- evenredig.

2.8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB