Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3052

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/1616 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening hangende beroep betrekking hebbende op bouwvergunning en vrijstelling 19 lid 1 voor bouwen vijf appartementengebouwen in de nieuwbouwwijk “Westwijk Zuid-Oost”. Het is niet aannemelijk geworden dat er op voorhand sprake is van beletselen, op grond waarvan het bouwplan niet gerealiseerd zou kunnen worden. De belangen die gebaat zijn bij voortzetting van de bouw wegen zwaarder dan het belang van verzoeker bij schorsing van de bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1616 WW44

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op 26 april 2010 in de zaak tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Vos,

en:

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amstelveen,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde verweerder].

Tevens heeft aan dit geding deelgenomen:

de besloten vennootschap Westwijk Zuidoost B.V., gevestigd te Amsterdam,

de vergunninghoudster,

gemachtigde: mrs. F.M.G.M. Leyendeckers en M. Reusch.

Zitting hebben:

mr. H.P. Kijlstra, voorzieningenrechter,

mr. F. Nales, griffier.

Beslissing

de voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder aan de vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase en een vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimteljjke Ordening (WRO) van het bestemmingsplan “Westwijk Zuid-Oost” verleend voor het oprichten van 5 appartementengebouwen in de wijk Westwijk Zuidoost, cluster 7, te Amstelveen (hierna: het bouwplan). Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 28 september 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 24 juni 2009 in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en onderhavig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft ook een inmiddels onherroepelijke bouwvergunning tweede fase verleend.

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) zal geen gebruik maken van de in artikel 8:86, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geboden bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Nader onderzoek is noodzakelijk met name naar de bevoegdheid van verweerder vrijstelling te verlenen in verband met de in het bestemmingsplan opgenomen uitwerkingsplicht en het daarmee samenhangende bouwverbod en het ontbreken van de voorgeschreven uitwerking. De rechter acht het tevens van belang dat het beroep van verzoeker met toepassing van artikel 8:52, van de Awb, reeds op 16 juni 2010 door de meervoudige kamer van deze rechtbank zal worden behandeld, zodat partijen op zeer korte termijn uitsluitsel zullen verkrijgen over het beroep.

De rechter is verder op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat er geen aanleiding is om vooruitlopend op de behandeling van de hoofdzaak de verzochte voorlopige voorziening te treffen.

Het is niet aannemelijk geworden dat er op voorhand sprake is van beletselen, op grond waarvan het bouwplan niet gerealiseerd zou kunnen worden. Naar het voorlopige oordeel van de rechter heeft verzoeker onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het ontwerpbestemmingsplan op een gebrekkige wijze bekend is gemaakt. Verder is naar het voorlopige oordeel van de rechter het bouwplan voorzien van een substantiële ruimtelijke onderbouwing, waarbij onder meer is verwezen naar een Nota van Uitgangspunten, een Programma van Eisen en een Beeldkwaliteitplan. Anders dan verzoeker is de rechter van oordeel dat het bouwplan niet zonder meer in strijd is met de Nota van Uitgangspunten, nu in hoofdstuk 6 van de Nota van Uitgangspunten expliciet is aangegeven dat aan de oost-rand van het gebied hoogbouw zal worden toegelaten, uitkijkend over de Bovenkerkerpolder. Verder blijkt uit de ter zitting getoonde bouwplantekeningen, schetsen en ontwerpen en plankaart, afdoende dat het bouwplan in overeenstemming is met de maximale hoogte zoals opgenomen in de desbetreffende bestemmingsplanvoorschriften. De belangenafweging waarop verweerder de vrijstelling heeft gebaseerd acht de rechter niet bij voorbaat onredelijk. Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder door middel van de “bezonningsstudie Westwijk Zuid-Oost, cluster 7”, afdoende aangetoond dat de schaduwwerking van het bouwplan op het perceel van verzoeker gering zal zijn. Daarnaast heeft verzoeker onvoldoende onderbouwd dat er een verkeersonveilige situatie ontstaat. Verder kan verzoeker geen recht op vrij uitzicht ontlenen aan het feit dat hij tot op heden een vrij uitzicht had.

Vergunninghoudster heeft onbetwist een zwaarwegend (financieel) belang bij het voortzetten van de bouw. Zij heeft gewezen op de aan haar verstrekte subsidie, waarbij als voorwaarde is geteld dat vóór 1 juli 2010 moet worden gestart met de bouw. Ook heeft zij gewezen op de belangen van de kopers van de appartementen, die bij vertraging van de start van de bouw worden geconfronteerd met verlopende hypotheekoffertes en overige kosten.

Onder deze omstandigheden, dienen, nu niet is gebleken van een forse inbreuk van de bouw op de belangen van verzoeker, de belangen die gebaat zijn bij voortzetting van de bouw zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker bij schorsing van de bouwvergunning.

De rechter wijst het verzoek dan ook af.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Waarvan proces-verbaal,

de griffier, de voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op:

D: B

SB