Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3025

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/4172 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (WOB) om openbaarmaking van informatie over de besluitvorming met betrekking tot de aanschaf van de Joint Strike Fighter (JSF).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4172 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen:

Vereniging Katholieke Radio Omroep (KRO),

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.A.J. van Dijk,

tegen:

de minister van Economische Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.R. Stein.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de door eiseres tegen de besluiten van 4 juni 2008 (hierna: deelbesluit 1) en 23 juni 2008 (hierna: deelbesluit 2) gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 december 2008 heeft eiseres toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2010.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en voorts door [naam 1] en [naam 2].

Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en door [naam 3] en

[naam 4]

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Op 6 februari 2008 heeft eiseres op grond van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob) verweerder verzocht om informatie over de besluitvorming met betrekking tot de aanschaf van de Joint Strike Fighter (JSF) (hierna: het verzoek).

1.2. Verweerder heeft naar aanleiding van een archiefonderzoek bij deelbesluiten 1 en 2 besloten dat een deel van de informatie aan eiseres wordt verstrekt en dat haar verzoek voor het overige wordt afgewezen.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de daartegen door eiseres gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft eiseres een aantal in de bezwarenprocedure nader gespecificeerde documenten alsnog verstrekt. Verweerder heeft met een beroep op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, b, e en g, en artikel 11, eerste en tweede lid, van de Wob de openbaarmaking van een deel van de gevraagde documenten geheel geweigerd. Het gaat met betrekking tot deelbesluit 1 om de documenten met de nummers 1, 2, 3, 14, 17, 19, 26, 27, 41, 49, 53, 55, 60, 61, 64, 67, 68, 71, 75, 79, 87, 88, 91, 101 en 102. Met betrekking tot deelbesluit 2 gaat het om de documenten met de nummers 6, 7, 13, 14, 16, 21, 25, 26, 28, 29, 38, 43, 50, 52, 75, 85, 93, 96, 98, 99, 113 en 114.

2. Juridisch kader

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wob wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. document: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat;

b. bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan;

c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.

2.2. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

2.3. Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

2.4. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob, voor zover thans van belang, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege, voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2.5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Ingevolge het tweede lid kan met het oog op een goede democratische bestuursvoering over persoonlijke beleidsopvattingen informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.

Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Eiseres heeft zowel in bezwaar als in beroep aangevoerd dat haar bezwaren tegen de door verweerder genoemde weigeringsgronden gelden voor alle niet openbaar gemaakte documenten en alle weggelakte passages in de aan haar verstrekte documenten. Eiseres is van mening dat de stukken ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt, dan wel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de genoemde beperkingsgronden aan openbaarmaking in de weg staan. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen belang bij openbaarmaking van de stukken zwaarder dient te wegen dan de door verweerder gestelde belangen.

3.2. De rechtbank overweegt dat ter terechtzitting is gebleken dat de documenten 87 en 88 van deelbesluit I niet langer in geschil zijn. Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennis genomen van de betrokken stukken. De rechtbank heeft vervolgens per geheimgehouden document beoordeeld of de door verweerder aan de weigering om de documenten openbaar te maken ten grondslag gelegde gronden zich voordoen en of de weigering van openbaarmaking gerechtvaardigd is.

3.3. Verweerder heeft aan de weigering van openbaarmaking van alle documenten de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat de namen en telefoonnummers van de verschillende betrokkenen uit de betreffende documenten zijn weggelaten en dat ook de namen en contactgegevens van de verschillende betrokken ambtenaren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob niet openbaar zijn gemaakt.

3.4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) onder andere de uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr. 200608032/1, te vinden op www.raadvanstate.nl, geldt als uitgangspunt dat wanneer de informatie uitsluitend het beroepshalve functioneren van een bestuurder of ambtenaar betreft, in beginsel geen beroep kan worden gedaan op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, omdat de persoonlijke levenssfeer van de ambtenaar slechts in beperkte mate in het geding is. Dit ligt anders indien het betreft het openbaar maken van namen van de ambtenaren. Namen zijn immers persoonsgegevens en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan zich tegen het openbaar maken daarvan verzetten. Voorts is van belang dat het hier niet gaat om het opgeven van een naam aan een individuele burger die met een ambtenaar in contact treedt, maar om openbaarmaking van de naam in de zin van de Wob. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2008, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJ-nummer: BD3114.

3.5. Gezien op het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van openbaarheid van deze gegevens in dit geval niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren.

3.6. De rechtbank zal vervolgens per document bezien of verweerder de openbaarmaking van dat document geheel of gedeeltelijk heeft kunnen weigeren.

Ten aanzien van deelbesluit 1: de documenten met de nummers 1, 2, 3, 14, 17, 19, 26, 27, 41, 49, 53, 55, 60, 61, 64, 67, 68, 71, 75, 79, 87, 88, 91, 101 en 102, waarvan gehele of gedeeltelijke openbaarmaking is geweigerd.

3.7. Verweerder heeft aan de weigering van openbaarmaking van de documenten 1, 2, 3, 17, 19 en 55 van deelbesluit 1 de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat de informatie bedrijfs- en fabricagegegevens bevat, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld. Verder zijn in deze documenten gegevens opgenomen met betrekking tot de financiële bedrijfsvoering. Volgens verweerder gaat het om informatie waaruit wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van producten of de kring van afnemers of leveranciers.

Na kennisneming van deze stukken stelt de rechtbank vast dat verweerder de betreffende documenten, behoudens document 2 (definitieve versie, aanhef en eerste alinea) terecht heeft geweigerd. Deze gegevens kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden gerekend tot de concurrentiegevoelige informatie die inzicht geeft in de bedrijfsvoering en ontwikkeling van de JSF.

3.8. Openbaarmaking van document 2 van deelbesluit I is in zijn geheel geweigerd op grond van de weigeringsgronden genoemd in artikel 10, eerste lid aanhef en onder c van de Wob en artikel 10, tweede lid aanhef en onder g van Wob. Ten aanzien van de aanhef en eerste alinea van het overgelegde document 2 (de definitieve aanbiedingsbrief van de Letter of Intent, gedateerd 9 oktober 2006) is de rechtbank van oordeel dat het hier geen bedrijfs- of fabricagegegevens betreft, zodat voor de weigering van openbaarmaking van dit onderdeel van het document artikel 10, eerste lid aanhef en onder c van de Wob niet als motivering kan dienen. Ook onevenredige benadeling in de zin van artikel 10, tweede lid aanhef en onder g van de Wob acht de rechtbank niet aanwezig, zodat het bestreden besluit ten aanzien van dit onderdeel (aanhef en eerste alinea van de definitieve aanbiedingsbrief) niet in stand kan blijven.

3.9. Aan de weigering van openbaarmaking van (onderdelen van) de documenten met 14 en 79, (van deelbesluit 1) heeft verweerder artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag gelegd. Ook aan de weigering van de volledige openbaarmaking van de documenten 53, 61, en 64 is dit ten grondslag gelegd. De weigering van de openbaarmaking van laatstgenoemde documenten is mede gebaseerd op artikel 11, eerste lid van de Wob. Door verweerder is naar voren gebracht dat hij bij zijn oordeel heeft meegewogen de verslechtering van de concurrentiepositie van de betrokken ondernemingen, waaronder de producent van de JSF, de toeleveranciers en de overheid. Openbaarmaking van die documenten zou de positie van betrokkenen onevenredig kunnen benadelen.

3.10. Gelet op de hierboven genoemde afweging, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de in rechtsoverweging 3.9. genoemde documenten in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel van derden zwaarder dienen te wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de weigering van openbaarmaking van deze documenten op deze grond gerechtvaardigd is. Daarbij merkt de rechtbank op, onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 3.12. wordt overwogen, dat verweerder de weigering van de openbaarmaking van de documenten 53, 61 en 64 eveneens heeft kunnen baseren op artikel 11, eerste lid van de Wob, nu het hier notities voor intern beraad betreft waarin (overwegend) persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren zijn vermeld.

3.11. Verweerder heeft aan de weigering van openbaarmaking van de documenten 75 en 102 (van deelbesluit 1) de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wob ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat de openbaarmaking van de documenten de economische en financiële belangen van de Staat kunnen schaden. Na kennisneming van de betreffende documenten acht de rechtbank de weigering van verweerder om die documenten openbaar te maken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob, niet onredelijk. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet ondenkbaar dat financiële belangen worden geschaad indien documenten waarover nog wordt onderhandeld, openbaar worden. De weigering van openbaarmaking van de documenten 75 en 102 is ook gebaseerd op artikel 11, eerste lid van de Wob. Hierover wordt door de rechtbank onder 3.12. overwogen.

3.12. Aan de weigering van (gedeeltelijke) openbaarmaking van documenten met nummers 1, 3, 26, 27, 41, 49, 53, 60, 61, 64, 67, 68, 71, 75, 91, 101 en 102 (van deelbesluit 1) heeft verweerder artikel 11, eerste lid, van de Wob (mede) ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat deze documenten zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat deze persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Na kennisneming van deze stukken stelt de rechtbank vast dat verweerder de betreffende documenten terecht heeft aangemerkt als documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de documenten overwegend persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, waarover verweerder op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob geen informatie behoeft te verstrekken en dat de feitelijke gegevens die hierin zijn opgenomen zozeer zijn verweven met de persoonlijke beleidsopvattingen, dat verweerder openbaarmaking hiervan eveneens met een beroep op artikel 11, eerste lid, van de Wob achterwege heeft mogen laten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 oktober 2009 in zaak nr. 200900112/1/H3) is de beslissing om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken aan het bestuursorgaan. Indien het op basis van zijn discretionaire bevoegdheid, met het oog op een goede en democratische bestuursvoering, genomen besluit om over persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken, mag het dit slechts in tot personen herleidbare vorm doen indien de betrokkene daarmee heeft ingestemd. Dat neemt evenwel niet weg dat het bestuursorgaan, dat verantwoordelijk is voor de betrokken bestuursvoering, bevoegd is om, los van de bereidheid van betrokkenen om in te stemmen met openbaarmaking, de informatie niet te verschaffen (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 38). In dit geval kan niet worden geoordeeld dat de verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van gebruikmaking van zijn in artikel 11, tweede lid, van de Wob neergelegde bevoegdheid.

3.13. Dit betekent dat het bestreden besluit ten aanzien van de weigering van openbaarmaking van (onderdelen van) de documenten van deelbesluit I stand houdt, behalve ten aanzien hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aanhef en de eerste alinea van document 2.

Ten aanzien van deelbesluit 2: de documenten met de nummers 6, 7, 13, 14, 16, 21, 25, 26, 28, 29, 38, 43, 50, 52, 75, 85, 93, 96, 98, 99, 113 en 114. , waarvan gehele of gedeeltelijke openbaarmaking is geweigerd.

3.14. Verweerder heeft aan de weigering van openbaarmaking van de documenten 6 en 7 (van deelbesluit 2) de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, artikel 10 tweede lid aanhef en onder a, artikel tweede lid aanhef en onder b en het bepaalde onder artikel 10, tweede lid aanhef en onder g ten grondslag gelegd. Hoewel in het bestreden besluit als grondslag artikel 10, tweede lid aanhef onder c van de Wob is genoemd, begrijpt de rechtbank uit de bewoordingen van het bestreden besluit dat er sprake is van een kennelijke verschrijving, omdat verweerder heeft bedoeld artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob (mede) ten grondslag te leggen aan de weigering om deze documenten openbaar te maken.

Gelet op de inhoud van de stukken is de rechtbank van oordeel dat de documenten 6 en 7 in redelijkheid geweigerd konden worden op grond van het bepaalde in artikel 10, tweede lid aanheft en onder b, van de Wob. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.11. ten aanzien van deze weigeringsgrond is overwogen .

3.15. Verweerder heeft aan de weigering van openbaarmaking van (onderdelen van) de documenten 6, 7, 13, 21 (en daarvan de paragraaf onder 6) en 43 de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wob ten grondslag gelegd. Verweerder heeft aangevoerd dat openbaarmaking van de documenten de betrekkingen met de Amerikaanse overheid kunnen schaden. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 34) is het voor de toepassing van deze bepaling niet noodzakelijk dat men een verslechtering van de goede betrekkingen als zodanig met andere landen of met internationale organisaties voorziet. Voldoende is dat men als gevolg van het verschaffen van informatie op grond van de wet, voorziet dat het internationale contact op bepaalde punten stroever zal gaan lopen, met als gevolg bijvoorbeeld dat het onderhouden van diplomatieke betrekkingen, of het voeren van bilateraal overleg met landen of internationale organisaties, moeilijker zal gaan dan voorheen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer:BL41311) In dat licht toetsend, ziet de rechtbank ten aanzien deze documenten dat het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties ten aanzien van deze documenten aan de orde is, zodat verweerder ook op die grond openbaarmaking van (passages van) deze documenten heeft kunnen weigeren .

3.16. Openbaarmaking van document 16 (nota ten behoeve van gesprek met staatsecretaris [ ] van 2 juni 2004) van deelbesluit II is door verweerder gedeeltelijk geweigerd op de grond van artikel 10, eerste lid onder c De rechtbank begrijpt dit aldus dat de weigering op grond van artikel van artikel 10, eerste lid onder c, de bijlage bij de nota betreft met het kopje “commercieel vertrouwelijk”. De rechtbank is van oordeel dat de openbaarmaking van de bijlage bij de nota terecht op deze grond is geweigerd. Ten aanzien van de weggelakte passages van de nota zelf, die op grond van artikel 11 eerste lid van de Wob niet openbaar zijn gemaakt, neemt de rechtbank in het navolgende een beslissing.

3.17. Aan de weigering van openbaarmaking van (onderdelen van) de documenten met de nummers 16, 26, 28, 29, 38, 50, 52, 75, 85, 113 en 114 (van deelbesluit 2), heeft verweerder artikel 11, eerste lid, van de Wob ten grondslag gelegd. Na kennisneming van de stukken en onder verwijzing van hetgeen hiervoor onder 3.12. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder openbaarmaking van (passages van) deze documenten heeft kunnen weigeren. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.7. is overwogen geldt dit ook voor de weigering om op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, de documenten 85 en 96 te verstrekken.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan de weigering van (volledige) openbaarmaking van de documenten met nummers 6, 7, 38, 50, 52, 75, 98 en 99 (van deelbesluit 2), artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob ten grondslag heeft kunnen leggen.

3.18. Het vorenstaande houdt in dat de weigering van (volledige) openbaarmaking van de documenten in deelbesluit 2 berust op goede gronden.

Overige beroepsgronden

3.19. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan aan artikel 10 EVRM geen afdwingbare aanspraak op overheidsinformatie worden ontleend.

3.20. Verder heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4 van de Awb, vanwege een onevenredige, dan wel willekeurige belangenafweging. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

3.21. Het recht op openbaarmaking op grond van de Wob dient uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Daarom kan ten aanzien van de openbaarmaking geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de persoon of de oogmerken van de verzoeker. Bij de in het kader van de Wob te verrichten belangenafweging worden slechts het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden beschermde belangen betrokken en niet het belang dat eiseres stelt te hebben bij openbaarmaking ervan, ook al is dit voor haar van groot gewicht. De vraag of een door de weigeringsgronden beschermd belang aanwezig is, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig het tweede lid van artikel 3:4 van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob

- openbaarheid is regel - zwaar te wegen. De grief van eiseres slaagt niet.

3.22. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseres gegrond verklaren en het bestreden besluit deels vernietigen, voor zover het bezwaar tegen de weigering van openbaarmaking van document 2 van deelbesluit in zijn geheel ongegrond is verklaard.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat verweerder de aanhef en eerste alinea van document 2 van deelbesluit I (de definitieve aanbiedingsbrief gedateerd 9 oktober 2006) – al dan niet ontdaan van telefoonnummers en namen van ambtenaren – openbaar maakt.

3.23. De rechtbank ziet geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Wel ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de weigering van openbaarmaking van het document met nummer 2 van deelbesluit 1 (aanhef en eerste alinea) is gehandhaafd;

- bepaalt dat verweerder de aanhef en eerste alinea van het document met nummer 2 van deelbesluit 1 openbaar maakt op de wijze die is voorzien in rechtsoverweging 3.22;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Economische Zaken) het griffiegeld ad € 288,00 (zegge: tweehonderd achtentachtig euro) aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mrs. M. de Rooij en

A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van J.J.M. Tol, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2010.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB