Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN3011

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
02-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/1671 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Bouwvergunning eerste fase, vrijstelling 19, eerste lid, WRO en ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, van de Bouwverordening. Gelet op r.o. 2.10, van de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2008 (LJN: BG5334), moet artikel 2.5.30. van de Bouwverordening wijken voor hetgeen met de vrijstelling mogelijk maakt, zodat de bij het bestreden besluit verleende ontheffing overbodig is. Belangenafweging. Geen aanleiding voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1671 WW44

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen:

de naamloze vennootschap Ahoy Rotterdam N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. C.M.M. van Mil,

en:

het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. G. Koop,

Tevens heeft aan dit geding deelgenomen:

de stichting Stichting Amsterdam Music Dome,

gevestigd te Delft,

de vergunninghoudster,

gemachtigde: mr. A. Th. Meijer.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2009 heeft verweerder aan de vergunninghoudster een bouwvergunning eerste fase met bijbehorende vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij beslissing op bezwaar van 3 februari 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en onderhavig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 april 2010. Verzoekster is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. Namens verweerder is tevens verschenen mr. E.J.M.J.J. Houben (medewerker van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht, te Amsterdam) en [naam 1] (projectleider bij verweerder). Namens de vergunninghoudster is verschenen [naam 2] (kantoorgenoot van mr. A. Th Meijer). Namens de vergunninghoudster is tevens verschenen [naam 3] (bestuurslid).

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. Bij aanvraag van 14 december 2007 heeft [naam 3] namens de vergunninghoudster verzocht om een reguliere bouwvergunning eerste fase voor het oprichten van een bijeenkomstengebouw genaamd “Ziggo Dome” (hierna: Ziggo Dome) op een terrein gelegen aan onder andere de arena Boulevard te Amsterdam (hierna: het bouwplan).

1.2. Bij besluit van 8 juni 2009 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning verleend. Verweerder heeft daarbij tevens een vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 8 juni 2009 gehandhaafd, onder verlening van een ontheffing van het bepaalde in artikel 2.5.30, van de Bouwverordening Amsterdam 2003 (hierna: de Bouwverordening) op grond van artikel 2.5.30, vijfde lid, van de Bouwverordening.

1.4. Verzoekster heeft aangevoerd dat de ontheffing van artikel 2.5.30, vijfde lid, van de Bouwverordening, ten onrechte is verleend. Er is een ontheffing nodig van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening, terwijl deze niet kan worden verleend. De ruimtelijke onderbouwing is niet afdoende, onder meer omdat verweerder de verkeersbewegingen onvoldoende heeft onderzocht en verweerder niet heeft aangetoond dat wordt voldaan aan de parkeernormen, aldus verzoekster.

1.5. De vergunninghoudster heeft - onder meer - betwist dat verzoekster belanghebbende is bij de verleende bouwvergunning van 8 juni 2009 met bijbehorende vrijstelling. Verder heeft de vergunninghoudster betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft, nu de gronden van verzoekster zien op het gebruik van het bouwwerk en niet op de bouwvergunning. Tenslotte heeft de vergunninghoudster gesteld dat zij een groot (financieel) belang heeft bij voortzetting van de bouw.

2. Beoordeling van het geschil

2.1. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter (hierna: de rechter), heeft verweerder verzoekster terecht belanghebbend geacht bij de bouwvergunning van 8 juni 2009 met bijbehorende vrijstelling. Naar het voorlopige oordeel van de rechter heeft verzoekster afdoende aangetoond dat zij opereert in hetzelfde marktsegment als waarin de vergunninghoudster zal gaan opereren, waarbij het bezoekersaantal en de grootte van het bouwwerk vergelijkbaar is. Daarbij heeft verzoekster afdoende toegelicht, dat te zijner tijd in Ziggo Dome gelijksoortige muziekoptredens zullen plaatsvinden, ook al zal de aard van de muziek in Ahoy en Ziggo Dome niet steeds hetzelfde zijn.

2.2. De rechter zal de vraag of verzoekster een spoedeisend belang heeft betrekken bij de vraag of – gelet op de betrokken belangen – aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen.

2.3. Bij uitspraak van 26 november 2008, gepubliceerd op de website: www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: BG5334, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in rechtsoverweging 2.10. onder meer het volgende bepaald:

“Het belang bij aanwezigheid van voldoende parkeerruimte is op genoegzame wijze meegewogen bij het besluit van 11 maart 2008. Daarmee heeft dat belang voldoende regeling gevonden. Onder die omstandigheid brengt een redelijke toepassing van artikel 9 van de Woningwet mee dat het bepaalde in artikel 2.5.30. van de Bouwverordening moet wijken voor hetgeen met de vrijstelling mogelijk wordt gemaakt. In zoverre faalt het betoog van [appellanten] dat het college heeft verzuimd krachtens het vierde lid van laatstgenoemde artikel ontheffing te verlenen”.

2.3.1. Ter zitting hebben verweerder en vergunninghoudster gewezen op voornoemde uitspraak en zich daarbij op het standpunt gesteld dat gelet op bovengenoemd citaat, artikel 2.5.30. van de Bouwverordening moet wijken voor hetgeen met de vrijstelling mogelijk maakt, zodat de bij het bestreden besluit verleende ontheffing overbodig is. De rechter deelt dit standpunt. Gelet hierop is de vraag, of verweerder in redelijkheid ontheffing heeft verleend op grond van artikel 5.2.30, vijfde lid, van de Bouwverordening, niet meer relevant. Tevens is de vraag, of het hier een gebied betreft waarin verweerder ontheffing had moeten verlenen van artikel 5.2.30, eerste lid, van de Bouwverordening, niet aan de orde.

2.3.2. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat het primaire besluit van 8 juni 2009 is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing van 11 juni 2008, welke rust op gedegen onderzoek, onder meer neergelegd in de MER van april 2008 en de daaraan mede ten grondslag liggende onderzoek van bureau [bureau], adviseurs verkeer en vervoer, van 7 maart 2008. De enkele stelling van verzoekster, dat bovengenoemde ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is en dat de onderzoeksrapportage van 7 maart 2008 onzorgvuldig tot stand is gekomen, acht de rechter onvoldoende.

2.3.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verzoekster bij de rechter onvoldoende twijfels doen rijzen over de rechtmatigheid van het primaire besluit van 8 juni 2009 en het bestreden besluit.

2.4. Naar het voorlopige oordeel van de rechter heeft verzoekster voorts een gering belang bij het treffen van de thans gevraagde voorlopige voorziening. De door verzoekster aangevoerde belangen zien immers met name op de ingebruikname van het bouwwerk, waarbij de vergunninghoudster onbetwist heeft gesteld dat de ingebruikname van het bouwwerk eerst in december 2011 zal plaatsvinden. Gelet hierop kan niet worden ingezien waarom de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Daartegenover staat, dat de vergunninghoudster onbetwist een groot (financieel) belang heeft bij de voortzetting van de bouw. Onder deze omstandigheden ziet de rechter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

3. Conclusie

3.1. De rechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Voor het vergoeden van proceskosten of griffierecht ziet de rechter geen aanleiding.

Beslissing

De rechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. F. Nales, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2010.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB