Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2955

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-07-2010
Datum publicatie
03-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/3842 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ7424
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU6348, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering stukken inzake Bibob-procedure te verstrekken aan derde. Benadeling. Persoonlijke levenssfeer. Stukken voor intern beraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/3842 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

La Vie en Rose B.V. en La Vie en Proost B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

gemachtigde: mr. R. Ridder,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. A. ter Laak.

1. Procesverloop

Op 14 januari 2008 hebben eiseressen bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit en verweerder tevens verzocht om de gemaakte proceskosten in bezwaar te vergoeden.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder het verzoek van eiseressen om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.

Eiseressen hebben op 27 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Bij beslissing op bezwaar van 22 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder (1) het bezwaar van 14 januari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, (2) het bezwaar van 27 februari 2008, voor zover dit bezwaar ziet op het niet tijdig beslissen op het verzoek om de stukken te verstrekken inzake de onderhandelingen en overeenkomsten tussen de gemeente en N.V. Stadsgoed niet-ontvankelijk verklaard, (3) het bezwaar van 27 februari 2008 voor het overige ongegrond verklaard en (4) geweigerd aan eiseressen de gemaakte proceskosten te vergoeden. Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 29 januari 2009 hebben eiseressen de rechtbank Amsterdam toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 maart 2010. Eiseressen hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. D. Op de Hoek (kantoorgenoot van mr. R. Ridder).

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Nadat beide partijen de rechtbank toestemming hebben gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen als bedoeld in artikel 8:57, van de Awb, is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. …

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. en d. …

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. …

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge art. 11, eerste lid van de Wob wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2. Bij brief van 27 december 2007 hebben eiseressen verweerder verzocht om alle documenten te verstrekken inzake:

1. het financieel onderzoek naar [persoon 1] en al zijn vennootschappen, waaronder [vennootschappen]. Bekend is dat zich onder deze stukken in elk geval bevinden een financieel onderzoek afkomstig van [persoon 1] en voornoemde rechtspersonen en een financieel onderzoek afkomstig van de gemeente Amsterdam, danwel het stadsdeel. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de bezwaarprocedure rond de op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) ingetrokken exploitatievergunningen van [persoon 1]; en

2. de documenten die zien op de onderhandelingen en de uiteindelijk gesloten overeenkomst tussen [persoon 1] en de naamloze vennootschap N.V. Stadsgoed (hierna: N.V. Stadsgoed) over de aankoop van een aantal prostitutiepanden.

Bij brief van 10 januari 2008 hebben eiseressen hun verzoek herhaald en aangevuld, in die zin dat het verzoek zich tevens uitstrekt over de gesloten overeenkomst tussen de gemeente en N.V. Stadsgoed, althans Woningbedrijf Het Oosten en/of andere dochtervennootschappen.

3. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft verweerder geweigerd de onder (1) genoemde documenten te verstrekken met een beroep op artikel 10, eerste lid, onder c, van de Wob (bedrijfsgegevens die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld). Verweerder heeft de onder (2) genoemde documenten geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob (onevenredige benadeling van betrokkenen).

4. In het thans bestreden besluit heeft verweerder de weigering tot het verstrekken van de documenten gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, e en g van de Wob, in dier voege dat de documenten onder (1) thans moeten worden geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e (bescherming persoonlijke levenssfeer) en artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g (onevenredige benadeling). De documenten onder (2) moeten worden geweigerd (a) (overeenkomst [persoon 1] met NV Stadsgoed) op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g (onevenredige benadeling) en (b) (overeenkomst gemeente met NV Stadsgoed) op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b (financiële belangen van de gemeente) en g (onevenredige benadeling).

In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de stukken die zien op de onderhandelingen en de overeenkomsten tussen de gemeente en NV Stadsgoed terecht zijn geweigerd wegens artikel 11, eerste lid, van de Wob (documenten bestemd voor intern beraad met persoonlijke beleidsopvattingen), waarbij geen gebruik is gemaakt van artikel 11, tweede lid, van de Wob.

5. Ter zitting heeft verweerder een afschrift van de inventarislijst van de niet openbaar gemaakte stukken, genummerd 1 tot en met 21, overhandigd aan eiseressen. Na de zitting heeft verweerder voorts de op die inventarislijst genoemde stukken met nummers 17, 20 en 21 aan eiseressen verstrekt, omdat deze stukken al openbaar gemaakt waren, behoudens de bij stuk 17 gevoegde bijlagen 1 en 3, die als stuk 16 respectievelijk als bijlage bij stuk 18 van de inventarislijst naar de rechtbank zijn gezonden. Het geschil ziet mitsdien op de overige stukken, die alle in hun geheel niet door verweerder openbaar zijn gemaakt.

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 24 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG8305 dient het recht op openbaarmaking op grond van de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Bij de in het kader van artikel 10, tweede lid, van de Wob te verrichten belangenafweging worden enkel het algemene of publieke belang bij openbaarmaking en de door de uitzonderingsgronden te beschermen belangen betrokken. De vraag of een ander dan het openbaarheidsbelang zich voordoet, dient door de rechter integraal te worden beoordeeld. De rechterlijke toetsing van het bestuurlijk oordeel over de vraag of het openbaarheidsbelang meer of minder zwaar weegt dan de andere in de Wob genoemde belangen, wijkt niet af van de redelijkheidstoetsing overeenkomstig artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Bij die toetsing dient het uitgangspunt van de Wob - openbaarheid is regel - zwaar te wegen.

7. De rechtbank heeft kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte stukken.

8.1. Het verzoek van eiseressen heeft allereerst betrekking op de stukken, die door aan [persoon 1] gelieerde vennootschappen aan de gemeente zijn overgelegd in het kader van een Bibobprocedure over de intrekking van vergunningen van aan [persoon 1] gelieerde vennootschappen. In die procedure hebben deze vennootschappen ten betoge van hun stelling dat geen sprake was van een criminele herkomst van gelden van de vennootschappen onderzoeken laten doen door een financieel adviesbureau. De op de inventarislijst onder 1, 2 en 3 genoemde rapporten van financiële onderzoeksbureaus hebben betrekking op het onderzoek naar de administratie van deze vennootschappen.

8.2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat deze stukken informatie bevatten die tot personen herleidbaar is. [persoon 1] was bestuurder van de vennootschappen waar het financieel onderzoek betrekking op had en zal met die vennootschappen worden geïdentificeerd. Hierdoor wordt het belang van [persoon 1] onevenredig geschaad. Ook in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dient vertrekking van die stukken achterwege te blijven, omdat verstrekking van de stukken inzake het financieel onderzoek naar de vennootschappen erop neerkomt dat er informatie wordt verstrekt over [persoon 1] zelf, nu [persoon 1] met zijn vennootschappen wordt vereenzelvigd. Ook wordt [persoon 1] onevenredig benadeeld bij openbaarmaking van die stukken, aldus verweerder. Uit de gevraagde informatie kan allerlei informatie over de financiële handel en wandel van [persoon 1] worden afgeleid. Bovendien heeft [persoon 1] uitdrukkelijk geweigerd de stukken aan eiseressen beschikbaar te doen stellen, aldus verweerder.

8.3. Eiseressen stellen in beroep dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer niet betrekking heeft op vennootschappen. Verder is onduidelijk om welke personen het gaat en of de persoonlijke levenssfeer wordt aangetast en of die aantasting onevenredig is. Ten onrechte heeft verweerder niet persoonsgegevens weggelakt en de rest verstrekt, aldus eiseressen.

8.4. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer verder strekt dan het niet verstrekken van persoonsgegevens. De stukken hebben betrekking op de financiële handel en wandel van [persoon 1], zodat zijn persoonlijke levenssfeer wordt aangetast.

8.5. De rechtbank is, na kennisneming van de stukken, met verweerder van oordeel dat de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] als natuurlijk persoon in het geding is bij het verstrekken van de financiële onderzoeksrapporten over de aan [persoon 1] gelieerde vennootschappen. In het kader van die onderzoeken is [persoon 1] in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat bij de aan hem gelieerde vennootschappen geen sprake was van gelden met criminele herkomst. De financiële onderzoeken die [persoon 1] heeft doen opstellen hebben niet alleen betrekking op de vennootschappen, maar ook op de persoon [persoon 1] en op zijn financiële situatie. Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat [persoon 1] bij het openbaarmaken van deze rapporten wordt benadeeld. Aan eiseressen kan worden toegegeven dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het openbaarheidsbelang niet prevaleert boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] en het belang van het voorkómen van onevenredige benadeling van [persoon 1]. Ter zitting heeft verweerder erop gewezen dat het hier gaat om stukken die [persoon 1] heeft overgelegd in een procedure waarin hij in beroep kwam tegen de intrekking van exploitatievergunningen met een beroep op de Wet Bibob. [persoon 1] zag zich in die procedure genoodzaakt volledige openheid te geven aan de gemeente over zijn financiële situatie en die van alle vennootschappen waarbij hij betrokken was. Verweerder heeft voorts aangegeven dat [persoon 1] bezwaar heeft tegen openbaarmaking van de onderzoeksrapporten. Hoewel artikel 28, eerste lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur (Wet Bibob), dat bepaalt dat een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, verplicht is tot geheimhouding daarvan, volgens de wetsgeschiedenis alleen betrekking heeft op het advies van het Bureau Bibob, is de strekking van deze bepaling uit de wet Bibob wel dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene stringent dient te worden beschermd. Bij dat uitgangspunt past naar het oordeel van de rechtbank niet dat stukken, die [persoon 1] in die procedure overlegt aan de gemeente in het kader van zijn bewijslast, vervolgens door middel van een verzoek van een derde openbaar dienen te worden gemaakt. De rechtbank is, gelet op deze context, die eiseressen bekend was, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de belangen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [persoon 1] en het voorkómen van onevenredige benadeling van [persoon 1] en zijn vennootschappen in dit geval zwaarder dienen te wegen dan het belang van openbaarheid, zodat het verzoek in zoverre terecht is afgewezen.

9.1. De stukken 4, 5, 7, 13, 14, en 16 van de inventarislijst betreffen notities, memo’s, e-mails en verslagen van gesprekken tussen ambtenaren enerzijds en de burgemeester en/of wethouder anderzijds.

De stukken 6, 9, 10, 11, 15 en 19 bestaan uit brieven, e-mails en een gespreksverslag gewisseld tussen de gemeente en NV Stadsgoed. Al deze documenten hebben betrekking op de inhoud van de tussen [persoon 1] en NV Stadsgoed en de tussen de gemeente en NV Stadsgoed te sluiten overeenkomsten en de daarin op te nemen voorwaarden.

Stuk 18 van de inventarislijst is de Planschaderegeling ten behoeve van NV Stadsgoed betreffende de aankoop van de panden. Stuk19 van de inventarislijst betreft een brief van de gemeente Amsterdam aan NV Stadsgoed over de kwalitatieve verplichtingen en de aankoopbijdrage van het [naam]-team.

9.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de gemeente benadeeld wordt indien inzicht wordt gegeven in de bedragen waarvoor de panden door NV Stadsgoed verworven zijn en waarvoor de gemeente een garantie heeft afgegeven. Weliswaar is het totaalbedrag dat is betaald voor alle panden gezamenlijk openbaar, maar de prijs per pand is niet bekend. Naast onevenredige benadeling van de gemeente zal openbaarmaking tevens de financiële belangen van de gemeente en NV Stadsgoed schaden. Met het openbaar maken van de stukken inzicht wordt gegeven in de prijs van de panden waarvoor de gemeente een garantie heeft afgegeven. Daardoor is er een patroon te ontdekken in de soort panden waarin de gemeente geïnteresseerd is (geweest). Indien de interventie van de gemeente per pand inzichtelijk wordt, brengt dit een ongewenst prijsopdrijvend effect teweeg.

Openbaarmaking zal tevens de financiële belangen van de gemeente schaden, nu het coalitieproject 1012, in het kader waarvan panden worden aangekocht door de gemeente, nog niet is voltooid. De onderhandelingspositie van de gemeente en NV Stadsgoed kan bij openbaarmaking van de stukken over de onderhandelingen worden geschaad.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts aangegeven dat een deel van de documenten, voorzover bestaande uit stukken gewisseld tussen ambtenaren, is opgesteld ten behoeve van intern beraad en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten. Verder is er een zodanige verwevenheid tussen feiten en opvattingen dat de stukken niet gedeeltelijk openbaar kunnen worden gemaakt.

9.3. Eiseressen stellen in beroep dat de aankoopprijs van de panden al algemeen bekend is, zodat er nu geen reden meer is om deze stukken niet langer te verstrekken. Niet is in te zien waarom de gemeente of NV Stadsgoed onevenredig worden benadeeld als de prijs per raam bekend zou worden. De financiële gegevens over de aankoop van de panden zijn al gedeeltelijk openbaar zijn en het patroon is wel duidelijk. Niet aangetoond is volgens eiseressen dat sprake zal zijn van een ongewenst prijsopdrijvend effect, zoals verweerder stelt.

9.4. Zoals deze rechtbank eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 3 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG6553) mag de gemeente, die in vertrouwelijkheid met private partijen onderhandelingen voert of daarbij betrokken is, terughoudend zijn in het openbaar maken van de daarop betrekking hebbende informatie. Indien niet is uitgesloten dat door openbaarmaking van de betreffende stukken de positie van de gemeente zodanig zal worden beïnvloed dat haar financiële belangen in ernstige mate zullen worden geschaad en de wederpartijen van de gemeente onevenredig zullen worden bevoordeeld, kan niet staande worden gehouden dat verweerder zich bij de afweging van de betrokken belangen ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarmaking van in stukken vervatte informatie niet opweegt tegen de belangen waarop verweerder zich heeft beroepen. Er zijn gevallen denkbaar waarin openbaarmaking van de gegevens de onderhandelingspositie van de gemeente zozeer kan schaden dat de economische en/of financiële belangen van de gemeente geacht moeten worden zwaarder te wegen dan het belang van openbaarmaking.

In het kader van het coalitieproject 1012 verleent de gemeente Amsterdam steun aan pandenaankopen op de Wallen door het verlenen van financiële bijdragen aan NV Stadsgoed. Deze tracht door middel van het aankopen van pand deze panden een andere bestemming te geven, die beter past bij de huidige visie omtrent de inrichting van de binnenstad. De gemeente voert daartoe een actieve aankoopstrategie in de binnenstad.

9.5. De rechtbank acht het, na kennisneming van deze stukken, waarschijnlijk dat als deze stukken openbaar worden gemaakt, dit tot gevolg kan hebben dat de verkopers van potentieel interessante panden of derden inzicht krijgen in de aankoopstrategie van de gemeente en NV Stadsgoed. De vrees van verweerder dat dit tot benadeling van de gemeente kan leiden en tot een prijsopdrijvend effect is naar het oordeel van de rechtbank niet ongegrond. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de gemeente en NV Stadsgoed onevenredig kunnen worden benadeeld bij openbaarmaking, nu deze stukken inzicht bieden in de wijze waarop de gemeente te werk gaat bij de aankoop van panden in het kader van het project 1012. Weliswaar is de transactie met [persoon 1] afgerond, de aankoop en/of sluiting van panden met door de gemeente niet gewenste activiteiten in het kader van het project 1012 is nog niet afgerond. Voor wat betreft de tussen de gemeente en NV Stadsgoed te sluiten overeenkomst, is het financiële belang van de gemeente in het geding, nu de gemeente onder bepaalde voorwaarden een garantie aan NV Stadsgoed heeft verstrekt ten behoeve van de transactie met [persoon 1]. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder het economische en financiële belang van de gemeente en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de gemeente en N.V. Stadsgoed heeft kunnen laten prevaleren boven het algemene belang van openbaarmaking. Deze beroepsgrond slaagt mitsdien niet.

9.6. Voor wat betreft de e-mails en interne memo’s is daarnaast tevens sprake van documenten bestemd voor intern beraad, die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, zodat openbaarmaking van die stukken ook om deze reden geweigerd mocht worden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat gedeeltelijke openbaarmaking van deze stukken niet zinvol is.

10. Stuk 8 op de inventarislijst bestaat uit een advies van de advocaat van de gemeente aan burgemeester en wethouders betreffende de conceptovereenkomst.

Voor dit stuk geldt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat sprake is van onevenredige benadeling van de gemeente indien dit openbaar dient te worden gemaakt, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven onder rechtsoverwegingen 9.4 en 9.5 is gesteld.

Zoals onder meer is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2002, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AE5453 kunnen ook documenten afkomstig van derden die niet tot de kring van de overheid behoren, worden aangemerkt als documenten die zijn opgemaakt ten behoeve van intern beraad. Het oogmerk waarmee ze zijn opgemaakt is dan bepalend. Nu het advies van de advocaat betrekking heeft op de te sluiten overeenkomst is de rechtbank, met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AR8014 van oordeel dat dit stuk is opgesteld ten behoeve van intern beraad. De rechtbank is voorts van oordeel dat gedeeltelijke openbaarmaking van dit stuk niet zinvol is.

11. Nu verweerder na het instellen van het beroep de inventarislijst en de stukken 17, 20 en 21 openbaar heeft gemaakt is het bestreden besluit voor wat betreft deze stukken niet deugdelijk gemotiveerd en zal het in zoverre worden vernietigd. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit, zodat verweerder geen nieuwe beslissing op bezwaar behoeft te nemen. Voor wat betreft de overige stukken is het beroep ongegrond.

12. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseressen betaalde griffierecht te vergoeden en zal verweerder veroordelen in de kosten die eiseressen voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 644,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting maal € 322,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de weigering de inventarislijst en de stukken 17, 20 en 21 openbaar te maken;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht van

€ 288,- (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) te betalen aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. S.I.A.C. Angenent en W.J.A.M. van Brussel, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. F. Nales, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2010.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB