Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2951

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
AWB 09-3367 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek te verrichten naar het maatmanloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/3367 WAO

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer, als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M.M.A. Appelman,

en

de raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. Z. Seyban.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2008 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 7 september 2001 vastgesteld op 80 tot 100% (het primaire besluit I).

Bij besluit van 24 december 2008 heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 25 februari 2009 vastgesteld op 25 tot 35% (het primaire besluit II).

Bij besluit van 24 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten

1.1. Eiser was sinds 5 juli 1999 werkzaam als productiemedewerker bij het schoonmaakbedrijf Tanger VOF, totdat hij op 8 september 2000 uitviel vanwege allergie, hoofdpijn en duizeligheid.

1.2. Op 30 juni 2001 heeft eiser een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. In afwachting op een beslissing op deze aanvraag heeft verweerder aan eiser per 7 september 2001 een voorschot op een WAO-uitkering toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij het primaire besluit I heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 7 september 2001 vastgesteld op 80 tot 100%.

1.4. Bij het primaire besluit II heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 27 februari 2009 vastgesteld op 25 tot 35%.

1.5. Tegen beide besluiten heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.6. Bij bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft verweerder de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juni 2009 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 juni 2009 ten grondslag gelegd.

1.7. In beroep heeft eiser gesteld dat verweerder zijn beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een aantal medische stukken overgelegd. Eiser meent dat het medische onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest en verzoekt de rechtbank om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Verder heeft eiser gesteld dat hij vanwege zijn beperkingen de geduide functies niet kan verrichten. Tenslotte heeft eiser aangevoerd dat het (vervolg)dagloon onjuist is vastgesteld omdat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de maatgevende werkomvang van 28,6 per week.

2. Beoordeling van het beroep

Ten aanzien van de medische grondslag

2.1. De rechtbank overweegt ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit dat er geen reden is om te oordelen dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. De conclusies en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts berusten op eigen onderzoek en dossieronderzoek. Verder heeft de bezwaarverzekeringsarts bij zijn conclusie de informatie van de psychiater Tjia van 22 mei 2009 betrokken. Ook heeft de bezwaarverzekeringsarts adequaat gemotiveerd waarom met de beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in voldoende mate rekening wordt gehouden met de medische problemen van eiser. Met betrekking tot het medisch aspect ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van eiser heeft onderschat.

2.2. Evenmin ziet de rechtbank in de door eiser in beroep overgelegde medische stukken aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 15 juni 2010 voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat – los van de vraag of deze stukken zien op de medische situatie van eiser ten tijde in geding – deze medische stukken geen nieuwe licht werpen op de eerdere conclusies en bevindingen die aan het medisch onderzoek ten grondslag liggen.

2.3. Ter zitting heeft eiser zijn standpunt in de bezwaarfase, dat het onderzoek van de primaire verzekeringsarts D. Asfar onzorgvuldig is geweest, nader onderbouwd. Eiser constateert fouten in de rapportage van 8 juli 2008 van Afsar. Verder acht eiser het onzorgvuldig dat Asfar hem niet zelf heeft onderzocht maar de onderzoeksgegevens van de verzekeringsarts A.K. van Barneveld, heeft overgenomen. Ook betwist eiser de competentie van Asfar om de reden dat deze arts niet in het BIG register is ingeschreven.

De rechtbank overweegt dat uit de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BA9908) blijkt dat de gebreken in het onderzoek van de primaire verzekeringsarts in de bezwaarfase kunnen worden hersteld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiser gestelde gebreken hersteld door het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts (zie hierover de rechtsoverwegingen in 2.1.).

2.4. Ten aanzien van het verzoek van eiser een deskundige te benoemen overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 februari 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AO5188) de bestuursrechter in het algemeen slechts tot het benoemen van een deskundige overgaat, indien de gedingstukken dan wel de door betrokkene aangedragen gegevens reden geven voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet om te twijfelen aan het medisch onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts, is er dan ook geen aanleiding om een medisch deskundige te benoemen.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag

2.5. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de rechtbank van oordeel dat de

bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 22 juni 2009 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar heeft aangetoond dat de geselecteerde functies productiemedewerker (sbc-code 111172), inpakker (sbc-code 111190), productiemedewerker textiel (sbc-code 272043), sorteerder (sbc-code 111340), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en samensteller kunststof en rubberindustrie (sbc-code 271130), gelet op zijn medische beperkingen, geschikt worden geacht.

2.6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bezwaargronden ten onrechte niet heeft herkend dat eiser tevens de juistheid van het vastgestelde (vervolg)dagloon heeft betwist.

In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 juni 2009 noch in het bestreden besluit is op dit bezwaar ingegaan. De rechtbank acht het besluit op dit punt dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet van een draagkrachtige motivering voorzien.

In beroep heeft eiser zijn bezwaar tegen het vastgestelde (vervolg)dagloon gehandhaafd.

De bezwaararbeidskundige heeft in de rapportage van 13 oktober 2009 – aan de hand van een overzicht van de door eiser gewerkte uren over de periode van september 1999 tot september 2000 – onderbouwd dat de werkomvang en daarmee het (vervolg)dagloon juist is vastgesteld. Eiser heeft vervolgens kopieën van zijn loonstroken over de periode van september 1999 tot en met oktober 2000 overgelegd. Ter zitting heeft eiser de gegevens uit het overzicht van verweerder naast de gegevens uit zijn loonstroken gelegd en gesteld dat deze gegevens van elkaar afwijken. Ook heeft eiser op basis van de gegevens uit zijn loonstroken een berekening gemaakt op grond waarvan volgens eiser zou blijken dat het maatmanloon onjuist is vastgesteld. De gemachtigde van verweerder heeft de rechtbank verzocht haar in de gelegenheid te stellen om hier nader onderzoek naar te verrichten.

2.7. Overeenkomstig de op 1 januari 2010 in werking getreden Wet bestuurlijke lus Awb ziet de rechtbank in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding verweerder op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.8. De rechtbank zal verweerder daarom in de gelegenheid stellen het bestreden besluit van een nadere motivering te voorzien, waarbij verweerder, na een onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige op dit punt waarbij zonodig navraag wordt gedaan bij Tanger VOF, een gemotiveerd standpunt inneemt met betrekking tot de vraag of de door eiser overgelegde loonstroken en de gemaakte berekening in de pleitnota aanleiding vormen om de maatgevende werkomvang van 28,6 per week en daarmee het (vervolg)dagloon aan te passen.

2.9. De rechtbank zal in de einduitspraak beslissen over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het in overweging 2.6. genoemde gebrek te herstellen en de nadere motivering dan wel het vervangende besluit aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser toe te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. Vosse-Pirs, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2010.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak (artikel 18, derde lid van de Beroepswet).

Afschrift verzonden op:

D: C

SB