Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2674

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
28-07-2010
Zaaknummer
10/68, 10/879, 10/1063, 10/1065, 10/1515, 10/1031, 10/261, 10/1125 EA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand aan chonisch zieken en gehandicapten in Amsterdam. De rechtbank oordeelt dat het college in elk individueel geval (aanvullend) maatwerk had moeten verrichten. Dit vloeit uit de wet voort. De Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg) kunnen daar geen verandering in brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/68, 10/879, 10/1063, 10/1065, 10/1515, 10/1031, 10/261, 10/1125, 10/1234, 10/1231, 10/1233, 10/1232, 10/1229, 10/1230, 10/596, 10/687, 10/853, 10/1449 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5] en [eiser 6],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. M.A. van Hoof,

[eiser 7], [eiser 8], [eiser 9], [eiser 10] en [eiser 11], [eiser 12], [eiser 13], [eiser 14], [eiser 15], [eiser 16], [eiser 17], [eiser 18] en [eiser 19],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. M.F. Vermaat,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. R.H. Lo Fo Sang, mr. D.A. Ahmed, mr. M. Mulders en [gemachtigde 4 verweerder].

Procesverloop

AWB 10/68 WWB [eiser 1]

Bij besluit van 9 september 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 60,- per maand.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 26 november 2009 (het bestreden besluit) deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand verhoogd tot € 80,- per maand.

AWB 10/879 WWB [eiser 2]

Bij besluit van 8 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 80,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 240,08.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 februari 2010 (het bestreden besluit) deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder aan eiseres over de periode van 1 december 2009 tot 1 december 2010 tevens bijzondere bijstand voor zwemkosten op geleide van bonnen toegekend.

AWB 10/1063 WWB [eiser 3]

Bij besluit van 8 december 2009 heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 40,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 305,64.

Bij besluit van 18 januari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het besluit van 8 december 2009 gedeeltelijk herzien en het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand met ingang van 1 januari 2010 (lees: 1 december 2009) verhoogd tot € 60,- per maand.

Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 19 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1065 WWB [eiser 4]

Bij besluit van 18 januari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 20,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 117,84.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 februari 2010 (het bestreden besluit) deels gegrond verklaard. Het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand is € 20,- per maand gebleven.

AWB 10/1515 WWB [eiser 5]

Bij besluit van 29 januari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 februari 2010 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 60,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 44,18.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 26 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1231 WWB [eiser 6]

Bij besluit van 16 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 december 2009 geen bijzondere bijstand meer krijgt. Wel heeft verweerder een eenmalig afbouwbedrag van € 298,68 toegekend.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 27 januari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/261 WWB [eiser 7]

Bij besluit van 24 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 80,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 719,56.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 7 januari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1125 WWB [eiser 8]

Bij besluit van 3 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 100,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 41,82.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 9 maart 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1234 WWB [eiser 9]

Bij besluit van 8 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 140,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 120,14.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 19 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1231 WWB [eiser 10] en [eiser 11]

Bij besluit van 20 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan [persoon 1] ten behoeve van haar zoon [zoon persoon 1] met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 80,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 495,96.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Hangende het beroep is [persoon 1] overleden. Bij beschikking van deze rechtbank van 24 november 2009 zijn [eiser 10] en [eiser 11] benoemd tot bewindvoerders en mentoren van [zoon persoon 1] voornoemd.

AWB 10/1233 WWB [eiser 12]

Bij besluit van 8 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 80,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 173,10.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1232 WWB [eiser 13]

Bij besluit van 14 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 40,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 259,76.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 24 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1229 WWB [eiser 14]

Bij besluit van 10 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 60,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 237,74.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 23 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1230 WWB [eiser 15]

Bij besluit van 10 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 10 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 100,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 121,86.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 16 februari 2010 (het bestreden besluit) deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand verhoogd tot € 120,- per maand en het eenmalig afbouwbedrag met € 40,- verlaagd tot € 81,86.

AWB 10/596 WWB [eiser 16]

Bij besluit van 20 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 100,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 425,74.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 januari 2010 (het bestreden besluit) deels gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand verhoogd tot € 120,- per maand.

AWB 10/687 WWB [eiser 17]

Bij besluit van 20 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 november 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 80,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 379,04.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 4 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/853 WWB [eiser 18]

Bij besluit van 21 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 100,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 157,74.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 15 februari 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

AWB 10/1449 WWB [eiser 19]

Bij besluit van 21 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres met ingang van 1 december 2009 bijzondere bijstand toegekend ter hoogte van € 100,- per maand. Daarnaast heeft verweerder tot 1 januari 2011 een compensatiebedrag van € 40,- per maand toegekend en een eenmalig afbouwbedrag van € 51,50.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 23 maart 2010 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

In alle zaken

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 2 juni 2010. Eiser [eiser 6] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De overige eisers zijn niet in persoon verschenen, maar hebben zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eisers ontvingen ieder voor zich bijzondere bijstand voor de (meer)kosten in verband met chronische ziekte of handicap. Grondslag voor deze toekenningen vormde artikel 3.4, eerste lid, van de Beleidsregels Wet werk en bijstand. In dat artikellid was de Regeling chronisch zieken en gehandicapten neergelegd. De bijzondere bijstand was indertijd toegekend voor onbepaalde tijd dan wel tot een datum gelegen na de hier aan de orde zijnde toekenningen.

1.2. In april 2009 zijn de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (hierna: Atcg) in werking getreden. De oude Regeling voor chronisch zieken en gehandicapten is per die datum vervallen.

1.3. Bij brief van 2 november 2009 heeft verweerder eisers geïnformeerd dat lopende toekenningen van bijzondere bijstand op grond van de Regeling voor chronisch zieken en gehandicapten ambtshalve zullen worden herbeoordeeld in verband met de invoering van de Atcg en dat eisers daarover een apart besluit krijgen. Verweerder heeft deze herbeoordelingen gefaseerd uitgevoerd. Vanaf 1 november 2009 zijn iedere maand lopende toekenningen omgezet na toetsing aan de Atcg. De hoogste lopende toekenningen van bijzondere bijstand in de kosten in verband met chronische ziekte of handicap zijn het eerst herbeoordeeld. De laagste toekenningen van bijzondere bijstand in de kosten in verband met chronische ziekte of handicap zijn het laatst herbeoordeeld. Als gevolg van deze ambtshalve herbeoordelingen ontvangen eisers thans aanzienlijk lagere bedragen aan bijzondere bijstand voor de (meer)kosten die hun ziekte en/of handicap met zich brengen dan voorheen. Eiser [eiser 6] ontvangt sedert de herbeoordeling geen bijzondere bijstand meer.

2. Omvang van het geding

2.1. De rechtbank stelt voorop dat de primaire besluiten in de plaats zijn getreden van de besluiten tot toekenning van bijzondere bijstand in kosten in verband met chronische ziekte of handicap op grond van de (vervallen) Regeling chronisch zieken en gehandicapten. Dit betekent dat de primaire besluiten niet alleen zien op alle expliciet in de primaire besluiten opgenomen kosten, maar ook op alle niet genoemde kosten waarvoor voorheen wel bijzondere bijstand was toegekend. Ten aanzien van laatstgenoemde kosten strekken de primaire besluiten immers tot (impliciete) beëindiging ervan. Ook die kosten vallen dus binnen de kaders van dit geding. Dit hebben de gemachtigden van verweerder ter zitting bevestigd. Ter beoordeling staan derhalve zowel de beëindiging als de toekenning (tot een lager bedrag) van bijzondere bijstand voor alle eerder op grond van de Regeling chronisch zieken en gehandicapten toegekende kosten in verband met chronische ziekte of handicap.

3. Toetsingskader

3.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand heeft voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

3.2. In het op 1 januari 2009 in werking getreden artikel 35, vierde lid, van de WWB is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, bijzondere bijstand ook kan worden verleend aan een persoon behorend tot de categorie chronisch zieken of gehandicapten, met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind, die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

3.3. Blijkens de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 35, vierde lid, van de WWB ligt aan categoriale bijzondere bijstand de gedachte ten grondslag dat wanneer bepaalde kosten kunnen worden gerelateerd aan het behoren tot een bepaalde groep of categorie van personen, hiermee de aannemelijkheid alsmede de hoogte van deze bepaalde kosten van elk individu uit de desbetreffende categorie personen kan worden vastgesteld, ongeacht of, en zo ja in welke mate, de desbetreffende kosten in het individuele geval daadwerkelijk noodzakelijk en feitelijk gemaakt zijn. In de MvT ligt voorts besloten dat de gemeente die bij de verlening van bijzondere bijstand gebruik maakt van de mogelijkheid beleidsregels te maken ten aanzien van een bepaalde - op een minimum inkomen aangewezen - specifieke groep personen of huishoudens, deze doelgroep en de in aanmerking te nemen kosten van deze doelgroep zorgvuldig in haar beleidsregels beschrijft, zodat de gemeente de tot die doelgroep behorende personen met behulp van gegevens uit het uitkeringsbestand actief kan benaderen en hen op de hoogte kan stellen van de mogelijkheid om gebruik te maken van individuele bijzondere bijstand voor bepaalde gemaakte of te maken noodzakelijke kosten. Behoort men tot deze door de gemeente gespecificeerde groep, dan staat immers vast dat bepaalde kosten ook gemaakt worden. Het feit dat de betrokkene tot de doelgroep van de categoriale bijzondere bijstand behoort, impliceert dat de desbetreffende kosten aannemelijk zijn. Als sluitstuk geldt de individuele bijzondere bijstand. Categoriale bijzondere bijstand kan de gemeente nimmer van de verplichting tot maatwerk ontheffen. Dat betekent dat de gemeente ook dient na te gaan of de categoriale verstrekking in het individuele geval toereikend is gelet op de daadwerkelijke kosten (Kamerstukken II 2007/08, 31 441, nr. 3, p. 2 en 10).

3.4. Verweerder heeft in de inwerkingtreding van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) per 1 januari 2009 aanleiding gezien om zijn beleid met betrekking tot chronisch zieken en gehandicapten aan te passen. De Wtcg heeft de buitengewone uitgavenregeling in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) vervangen, die met ingang van 1 januari 2009 is komen te vervallen. Op grond van de Wtcg ontvangen chronisch zieken en gehandicapten een algemene forfaitaire tegemoetkoming van minimaal € 150,- en maximaal € 500,- per jaar voor de (meer)kosten die samenhangen met ziekte of handicap. De tegemoetkoming wordt achteraf, voor het einde van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, uitbetaald. Via de belastingdienst blijven slechts nog enkele specifieke zorgkosten, zoals bedoeld in afdeling 6.5 van de Wet IB 2001, aftrekbaar (de fiscale regeling).

3.5. De Atcg is blijkens de toelichting daarop bedoeld voor chronisch zieken en gehandicapten met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. Onder het toepassingsbereik van de Atcg vallen chronisch zieken en gehandicapten die inwoners zijn van de gemeente Amsterdam en die blijkens een medische verklaring zodanig chronisch ziek zijn en/of fysieke of psychische beperkingen ondervinden dat zij noodgedwongen extra kosten maken (artikel 1.1, onder b). Het Atcg-beleid komt er in essentie op neer dat verweerder aan de doelgroep een forfaitaire vergoeding verstrekt in aanvulling op een eventuele tegemoetkoming op grond van de Wtcg (artikelen 2.1 en 3.2) voor minimaal één en maximaal acht van de volgende modules: maaltijdvergoeding, wettelijke eigen bijdragen, (tele)communicatie, energie, bewassing, kledingslijtage, dieet en pedicure/manicure (artikel 3.1). Aan elke module is een forfaitaire vergoeding van € 20,- per maand gekoppeld. De samenstelling van de totale forfaitaire vergoeding wordt vastgesteld na het inwinnen van advies van een medisch deskundige over de modules die in een individueel geval noodzakelijk worden geacht, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 3.4 van de Atcg (artikel 3.3). In artikel 3.4 staat dat als de forfaitaire vergoeding bestemd is voor een bepaalde groep chronisch zieken of gehandicapten, de samenstelling van de totale forfaitaire vergoeding in overleg met een representatieve vertegenwoordigende organisatie en medisch deskundigen tot stand kan komen. Chronisch zieken en gehandicapten die aantoonbaar meer noodzakelijke kosten maken dan waarin de forfaitaire vergoedingen van deze regeling voorzien en die alle voor hen beschikbare voorzieningen op rijksniveau (zoals tegemoetkomingen op grond van de Wtcg) volledig hebben benut, kunnen onder de voorwaarden die vermeld zijn in de Beleidsregels Wet werk en bijstand een bijzondere bijstandsaanvraag indienen (artikel 6.1).

3.6. In het (nieuwe) artikel 3.4, eerste lid, van de Beleidsregels Wet werk en bijstand, zoals dat ten tijde hier van belang luidde, is bepaald dat de chronisch zieke of gehandicapte in staat wordt gesteld om achteraf (cursivering rechtbank) tot uiterlijk 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin noodzakelijke kosten zijn gemaakt, bijzondere bijstand aan te vragen voor de kosten die niet of onvoldoende worden vergoed door andere voorzieningen, waaronder de gemeentelijke forfaitaire vergoeding van de Atcg, de algemene tegemoetkoming van de Wtcg of de fiscale regeling. Een aanvraag achteraf kan alleen betrekking hebben op de kostensoorten die zijn opgenomen in de Atcg.

3.7. In artikel 9.4.5.2 van de Werkvoorschriften WWB, zoals die ten tijde hier van belang golden, heeft verweerder ten aanzien van bepaalde patiëntgroepen vastgesteld voor welke vaste vergoedingen zij in aanmerking komen. Chronisch zieken die onder de groep nierpatiënten vallen komen in aanmerking voor de modules maaltijdvergoeding, wettelijke eigen bijdragen, (tele)communicatie, energie, bewassing, kledingslijtage en dieet. Rolstoelgebruikers komen in aanmerking voor de modules energie, bewassing, kledingslijtage en wettelijke eigen bijdragen. Reumapatiënten komen in aanmerking voor de modules maaltijdvergoeding, wettelijke eigen bijdragen, (tele)communicatie en energie en sikkelcelpatiënten komen in aanmerking voor de modules energie en bewassing.

4. Grondslag Atcg

4.1. Ter zitting hebben de gemachtigden van verweerder zich op het standpunt gesteld dat de Atcg moet worden geduid als beleid dat is gebaseerd artikel 35, vierde lid, van de WWB. In artikel 35, vierde lid, van de WWB wordt gesproken over een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten. Anders gezegd: de wetgever heeft een bevoegdheid voor colleges geschapen om binnen de kring van chronisch zieken en gehandicapten een of meer groepen of categorieën aan te wijzen die voor categoriale bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komen. Zo’n groep dient, aldus de MvT (zie rechtsoverweging 3.3), zorgvuldig te worden beschreven. Een dergelijke beschrijving heeft verweerder alleen gegeven voor de in artikel 9.4.5.2 van de Werkvoorschriften WWB opgenomen patiëntgroepen, te weten nierpatiënten, rolstoelgebruikers, reumapatiënten en sikkelcelpatiënten. Alleen ten aanzien van hen geldt dat verweerder ingevolge artikel 3.4 van de Atcg een forfaitaire vergoeding toekent zonder dat wordt nagegaan of de betreffende kosten in de individuele gevallen daadwerkelijk noodzakelijk zijn. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat de Atcg categoriaal bijstandsbeleid bevat dan ook uitsluitend voor zover het gaat om artikel 3.4 van de Atcg.

Het feit dat ten aanzien van deze patiëntgroepen sprake is van een categoriale vorm van bijstandsverlening, ontslaat verweerder, zo blijkt ook uit de MvT, echter niet van zijn verplichting tot maatwerk. Dit houdt in dat verweerder voor personen die tot zo’n patiëntgroep behoren tevens zal moeten nagaan of 1) in het individuele geval buiten de toegekende modules ook andere kostensoorten noodzakelijk zijn en 2) of de aan de toegekende modules gekoppelde forfaitaire bedragen in het individuele geval wel toereikend zijn. Verweerder dient dus telkens na te gaan of categoriale bijstandsverlening in het individuele geval toereikend is gelet op de daadwerkelijk noodzakelijke kosten.

4.2. Voor de overige chronisch zieken en gehandicapten die op grond van de definitiebepaling onder het bereik van de Atcg vallen (maar dus niet onder de in artikel 3.4 van de Atcg en artikel 9.4.5.2 van de Werkvoorschriften WWB opgenomen patiëntgroepen vallen), is de Atcg niet aan te merken als categoriaal bijstandsbeleid in de zin van artikel 35, vierde lid, van de WWB. Dit volgt reeds uit het feit dat - anders dan artikel 35, vierde lid, van de WWB voorschrijft - elk voorliggend geval een aparte beoordeling vergt of en zo ja voor welke module(s) betrokkene in aanmerking komt. Een dergelijke beoordeling leidt vervolgens tot toekenning van bijzondere bijstand variërend van € 0,- tot € 160,-. Het enkele feit dat een forfaitair bedrag per module wordt toegekend maakt niet dat sprake is van categoriale bijstandsverlening in de zin van artikel 35, vierde lid, van de WWB.

4.3. Hetgeen in rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2 is overwogen betekent dus dat verweerder in alle gevallen (aanvullend) maatwerk dient te leveren. Dat individuele maatwerk vindt zijn grondslag in artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld te worden of de kosten zich voordoen, vervolgens of de kosten noodzakelijk zijn en daarna of de kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Het aspect van de reserverings(on)mogelijkheden moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden (zie onder meer de uitspraak van 27 februari 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ- nummer: BA0163).

4.5. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB heeft het betrokken bestuursorgaan bij de beantwoording van de vraag of aan de wettelijke voorwaarden voor verlening van bijzondere bijstand is voldaan, uitsluitend ten aanzien van de draagkracht beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan komt het bevoegde bestuursorgaan gelet op de tekst van artikel 35, eerste lid, van de WWB geen beoordelingsvrijheid toe. De bestuursrechter dient zich daarover dan ook ten volle een eigen oordeel te vormen en is niet gebonden aan beleids(regels) van het bestuursorgaan (zie onder meer de uitspraak van 28 juli 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl op LJ-nummer: BJ4436).

5. Beoordeling ten gronde

5.1. Verweerder heeft zich bij de ambtshalve herbeoordelingen in alle zaken beperkt tot die kostensoorten die vallen onder de modules in de Atcg. Kostensoorten waarvoor eisers onder de oude Regeling chronisch zieken en gehandicapten wel bijzondere bijstand ontvingen maar die niet vallen onder één van de acht modules van de Atcg heeft verweerder reeds om die reden (impliciet) afgewezen en niet in zijn herbeoordeling betrokken. Voorts is verweerder bij de bepaling van de hoogte van de bijzondere bijstand uitgegaan van een vast bedrag van € 20,- per module, zonder dat daarnaast is nagegaan of deze forfaitaire vergoedingen in de individuele gevallen toereikend zijn gelet op de daadwerkelijke noodzakelijke kosten van eisers. Verweerder heeft aldus nagelaten om (aanvullend) maatwerk te leveren. Dit betekent dan ook dat alle in geding zijnde toekenningen in strijd zijn met artikel 35, eerste lid, van de WWB.

5.2. De stelling van verweerder dat eisers voor de kosten die onder de Atcg niet meer worden vergoed een aparte aanvraag om individuele bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen indienen, leidt niet tot een ander oordeel. Er is hier immers sprake van ambtshalve herbeoordelingen van lopende toekenningen. Dit betekent dat verweerder had moeten beoordelen of alle tot dan toe gehonoreerde kosten al dan niet in aanmerking komen voor voortgezette bijzondere bijstandsverlening. Verweerder heeft dat ten onrechte nagelaten.

5.3. Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat de Wtcg en de fiscale regelingen als voorliggende voorzieningen moeten worden beschouwd voor kosten die niet onder de Atcg kunnen worden gebracht, is rechtbank van oordeel dat dit standpunt ontoereikend respectievelijk onjuist is. Immers, gelet op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB, gelezen in samenhang met artikel 35, eerste lid, van de WWB, bestaat pas dan geen recht op bijstand als de voorliggende voorziening naar haar aard en doel voor de belanghebbende toereikend en passend wordt geacht te zijn. Een toekenning op grond van de Wtcg betreft een tegemoetkoming en kan reeds daarom niet als een toereikende en passende voorziening worden beschouwd. Naar de letter betekent tegemoetkoming een gedeeltelijke vergoeding. Hoewel deze tegemoetkoming gelet op artikel 31, tweede lid, aanhef en onder t, van de WWB niet tot de middelen wordt gerekend, komt verweerder beoordelingsvrijheid toe om bij de bepaling van de draagkracht met deze tegemoetkoming rekening te houden. Voor wat betreft de fiscale regeling geldt, zo blijkt uit de verzamelbrief van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 februari 2009, kenmerk RUA/RB/2009/684, dat betrokkenen een keuzemogelijkheid hebben om zorgkosten ofwel via fiscale aftrek ofwel via bijzondere bijstand gecompenseerd te krijgen. Het bestaan van deze keuzemogelijkheid duidt erop dat belastingaftrek niet als een voorliggende voorziening kan worden beschouwd. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, kan betrokkene dus niet worden verplicht de kosten (eerst) via de belastingdienst te verhalen alvorens bijzondere bijstand aan te vragen.

5.4. De mogelijkheid die verweerder met artikel 6.1 van de Atcg heeft gecreëerd om achteraf, nadat de noodzakelijke kosten zijn gemaakt, bijzondere bijstand aan te vragen voor kosten die niet of onvoldoende worden vergoed door de Wtcg, de fiscale aftrek en de tegemoetkoming op grond van de Atcg, heft de strijdigheid met artikel 35, eerste lid, van de WWB niet op. Als achteraf bijzondere bijstand wordt toegekend dan is die toekenning in feite te laat. De WWB is immers een sociaal vangnet voor diegenen die niet over middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Door van betrokkenen te verlangen dat zij achteraf bijzondere bijstand aanvragen, handelt verweerder in strijd met de wet.

5.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat de bestreden besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd. De beroepen zijn daarom gegrond en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd wegens strijd met de WWB en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

6. Finale geschillenbeslechting

6.1. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door alle bezwaren van eisers gegrond te verklaren en de primaire besluiten in alle zaken te herroepen. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat eisers behoren tot een kwetsbare groep in de samenleving, die door verweerders handelswijze wordt geconfronteerd met een enorme achteruitgang in inkomen. Dat heeft in voorkomende gevallen, zo is ter zitting onbetwist gesteld, rechtstreeks negatieve invloed op de gezondheid van eisers. Uit de door de gemachtigden van eisers naar voren gebrachte concrete voorbeelden is bovendien genoegzaam gebleken dat nog altijd geen inhoudelijke beoordeling plaatsvindt van aanvragen om bijzondere bijstand naast en/of in aanvulling op de aan eisers toegekende forfaitaire vergoedingen. Dit blijkt ook uit paragraaf 9.4.5.2 van verweerders Werkvoorschriften WWB, waarin nog immer is opgenomen dat periodieke kostensoorten die niet in de gemeentelijke tegemoetkoming zijn opgenomen en niet worden genoemd in Hoofdstuk 9 van de Werkvoorschriften niet worden vergoed en het ook niet de bedoeling is dat soort kosten aan de GGD voor te leggen. Maatwerk blijft dus nog altijd achterwege. Van de organisatorische en uitvoeringstechnische problemen waar dit volgens verweerder aan te wijten is, mogen eisers niet de dupe worden.

6.2. Het voorgaande betekent dat de bijzondere bijstandsuitkeringen herleven, zoals die aan eisers onder de Regeling chronisch zieken en gehandicapten zijn verleend. Verweerder kan deze uitkeringen verrekenen met de bedragen die hij reeds op grond van de Atcg heeft verstrekt.

7. Proceskostenveroordeling

7.1. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder in alle zaken te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van hun beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. De hoogte van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

In de zaken van eisers [eiser 1] (10/68), [eiser 2] (10/879), [eiser 3] (10/1063), [eiser 4] (10/1065), [eiser 5] (10/1515), [eiser 7] (10/261), [eiser 8] (10/1125), [eiser 9] (10/1234), [eiser 10] en [eiser 11] (10/1231), [eiser 12] (10/1233), [eiser 13] (10/1232), [eiser 14] (10/1229), [eiser 15] (10/1230), [eiser 16] (10/596), [eiser 17] (10/687), [eiser 18] (10/853) en [eiser 19] (10/1449) stelt de rechtbank deze kosten vast op € 874,- per beroep. Daarbij zijn 2 punten toegekend voor het indienen van het beroep en het verschijnen ter zitting, is wegingsfactor 1 gehanteerd en geldt per punt een tarief van € 437,-.

In de zaak van [eiser 6] (10/1031) stelt de rechtbank deze kosten vast op € 437,-, waarbij 1 punt is toegekend voor het verschijnen ter zitting, per punt een tarief van € 437,- geldt en wegingsfactor 1 is gehanteerd.

Aangezien alle eisers op basis van een toevoeging hebben geprocedeerd, dient verweerder de proceskosten te betalen aan de griffier van de rechtbank.

7.2. Een aantal eisers heeft tevens in zijn bezwaarschrift verzocht om vergoeding van de proceskosten die in het kader van de bezwaarprocedure zijn gemaakt. Nu de primaire besluiten wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid worden herroepen, komen de kosten die deze eisers in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs hebben moeten maken op de voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking. In de zaken van eisers [eiser 2] (10/879), [eiser 3] (10/1063) en [eiser 8] (10/1125) veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van deze proceskosten, die op grond van het Bpb worden begroot op € 874,- per zaak. Daarbij zijn 2 punten toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en het verschijnen op de hoorzitting, geldt per punt een tarief van € 437,- en is wegingsfactor 1 gehanteerd. Verweerder dient deze proceskosten te betalen aan eisers.

8. Schadevergoeding

8.1. Eisers [eiser 7] (10/261), [eiser 8] (10/1125), [eiser 9] (10/1234), [eiser 10] en [eiser 11] (10/1231), [eiser 12] (10/1233), [eiser 13] (10/1232), [eiser 14] (10/1229), [eiser 15] (10/1230), [eiser 16] (10/596), [eiser 17] (10/687), [eiser 18] (10/853) en [eiser 19] (10/1449) hebben de rechtbank in bezwaar dan wel in beroep verzocht verweerder met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot betaling van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente. Nu in voorgaande rechtsoverwegingen de onrechtmatigheid van de bestreden besluiten is komen vast te staan en de beroepen gegrond zullen worden verklaard, ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van deze eisers toe te wijzen. Daarbij bepaalt de rechtbank dat verweerder de wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek vergoedt over het verschil tussen de uitkeringen van bijzondere bijstand die zullen herleven vanaf het moment dat deze ten onrechte zijn beëindigd tot het moment dat verweerder weer overgegaan is tot betaling van deze bijzondere bijstandsuitkeringen en de bedragen die op grond van de Atcg reeds zijn verstrekt.

9. Griffierecht

9.1. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb dient verweerder voorts het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep in alle zaken gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten in alle zaken;

- verklaart de bezwaren van alle eisers tegen de primaire besluiten gegrond;

- herroept deze primaire besluiten;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder aan alle eisers het griffierecht van € 41,- (zegge: eenenveertig euro) per ingediend beroep vergoedt, te betalen aan eisers;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten die eisers [eiser 1] (10/68), [eiser 2] (10/879), [eiser 3] (10/1063), [eiser 4] (10/1065), [eiser 5] (10/1515), [eiser 7] (10/261), [eiser 8] (10/1125), [eiser 9] (10/1234), [eiser 10] en [eiser 11] (10/1231), [eiser 12] (10/1233), [eiser 13] (10/1232), [eiser 14] (10/1229), [eiser 15] (10/1230), [eiser 16] (10/596), [eiser 17] (10/687), [eiser 18] (10/853) en [eiser 19] (10/1449) in verband met de behandeling van de beroepen hebben moeten maken tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro) per beroep, telkens te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten die eiser [eiser 6] (10/1231) in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken tot een bedrag van € 437,- (zegge: vierhonderd zevenendertig euro), te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten die eisers [eiser 2] (10/879), [eiser 3] (10/1063) en [eiser 8] (10/1125) in verband met de behandeling van het bezwaar hebben moeten maken tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro) per zaak, te betalen aan eisers.

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de schade van eisers [eiser 7] (10/261), [eiser 8] (10/1125), [eiser 9] (10/1234), [eiser 10] en [eiser 11] (10/1231), [eiser 12] (10/1233), [eiser 13] (10/1232), [eiser 14] (10/1229), [eiser 15] (10/1230), [eiser 16] (10/596), [eiser 17] (10/687), [eiser 18] (10/853) en [eiser 19] (10/1449), op de wijze zoals in rechtsoverweging 8.1. is weergegeven.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter, en mrs. G.M. Beunk en R. Raat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.

de griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB