Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2433

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
AWB 10-854 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen onweerlegbaar rechtsvermoeden. Ten onrechte niet beslist op verzoek tot hervatten van de bijstandsuitkering na opstellen kostgangersovereenkomst. Door niet op het verzoek te beslissen, de uitspraak van de bodemrechter af te wachten en eiser nu tegen te werpen dat uit de bodemuitspraak een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding volgt, handelt verweerder niet zoals van een behoorlijk bestuurder mag worden verwacht en in strijd met de bedoeling van de voorzieningenrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/854 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van 12 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft deze zaak behandeld op 27 mei 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Veerkamp. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser had een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij een schriftelijke “Verklaring hoofdbewoner” van 10 januari 2006 heeft eiser gemeld dat met ingang van 1 december 2005 zijn broer [broer eiser] bij hem inwonend is op het adres [adres]. Eiser heeft verweerder vervolgens door middel van het formulier ‘Inlichtingenformulier nieuw adres’ op 1 augustus 2006 medegedeeld dat hij met ingang van 4 juli 2006 samen met zijn broer op het adres [adres] woont.

1.2 Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn bijstand met ingang van 4 juli 2006 ongewijzigd wordt voortgezet. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft verweerder eiser wederom medegedeeld dat zijn bijstand met ingang van 21 september 2007 ongewijzigd wordt voortgezet.

1.3. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft verweerder de uitkering van ingang van

1 oktober 2008 ingetrokken omdat eiser met ingang van 1 januari 2006 is gaan samenwonen met zijn broer. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar heeft verweerder bij besluit van

1 december 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

1.4. Bij uitspraak van 1 april 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de volgende voorlopige voorziening getroffen. Eiser dient gedurende drie maanden na 1 april 2009 in de gelegenheid te worden gesteld zijn woonsituatie aan te passen. Gedurende deze periode dient verweerder eiser voorschotten te verstrekken naar de voor hem geldende norm. De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen dat kan worden gezegd dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter heeft echter vastgesteld dat verweerder vanwege de melding van eiser sinds begin 2006 op de hoogte was van het feit dat de broer van eiser bij hem inwoont. De rechter heeft voorts vastgesteld dat eiser na deze melding tweemaal een besluit van verweerder heeft ontvangen waarin hem is medegedeeld dat zijn uitkering ongewijzigd wordt voortgezet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mocht eiser er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat de reeds sinds begin 2006 bestaande situatie niet rauwelijks tot intrekking van zijn uitkering zou leiden. Mede met het oog de omstandigheid dat eiser op grond artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB gedurende twee jaar na de intrekking van de uitkering het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding kan worden tegengeworpen, heeft de voorzieningenrechter in dit kader geoordeeld dat het in deze specifieke situatie op de weg van verweerder had gelegen eiser de gelegenheid te bieden zijn situatie aan te passen aan die van (bijvoorbeeld) een commerciële (kostgangers)relatie. De toezegging van verweerder dat de uitkering niet over het verleden zal worden teruggevorderd, omdat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, heeft de voorzieningenrechter in dit verband niet voldoende geacht.

1.5. Bij brief van 12 mei 2009 - waarin wordt verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2009 en de gelegenheid die daarbij aan eiser werd geboden om zijn woonsituatie aan te passen - is namens eiser aan verweerder een overeenkomst d.d. 29 april 2009 tussen eiser en zijn broer overgelegd. In deze overeenkomst wordt overwogen dat tussen eiser en zijn broer uitsluitend een commerciële relatie bestaat en wordt vastgelegd dat de broer aan eiser huur betaalt en zij elk een zelfstandige huishouding voeren. In de brief wordt aangegeven dat “de uitkering van cliënt kan worden hersteld met inachtneming van de commerciële relatie”. Verweerder heeft op dit verzoek niet gereageerd.

1.6. Bij uitspraak van 25 september 2009 heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 1 december 2008 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en zelf voorzien in de zaak door te bepalen dat eiser met ingang van 1 januari 2009 geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.

De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat (naar de rechtbank begrijpt: op

6 oktober 2008) sprake was van een gezamenlijke huishouding. De tussen eiser en zijn broer gesloten overeenkomst biedt volgens deze uitspraak geen grond voor het oordeel dat op

6 oktober 2008 - een datum gelegen vóór de voorlopige voorziening en de overeenkomst van 29 april 2009 - geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank in deze uitspraak van oordeel dat eiser er op mocht vertrouwen dat zijn uitkering niet rauwelijks zou worden ingetrokken op grond van zijn huisvestingssituatie. Verweerder heeft niet in redelijkheid met ingang van 1 oktober 2008 van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik kunnen maken. De rechtbank acht het in dit verband evenals de voorzieningenrechter redelijk als verweerder eiser kenbaar had gemaakt dat zijn uitkering na een termijn van drie maanden zou worden beëindigd, zodat eiser de gelegenheid had gekregen om zijn huisvestingssituatie aan te passen.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt de aanvraag ondertekend en bevat deze tenminste:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de dagtekening;

c. een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.

2.2 Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

2.3 Op grond van het tweede lid van artikel 4:13 van de Awb is de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

2.4 Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

2.5 Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.6 Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij (…) in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

3. Standpunten van partijen

3.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven geen reden te zien opnieuw een standpunt bij een primair besluit te bepalen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van

25 september 2009 het besluit van 1 december 2008 vernietigd en bepaald dat eiser met ingang van 1 januari 2009 geen recht meer had op bijstand. De rechtbank heeft bij haar oordeel de overeenkomst van 29 april 2009 en het verzoek van 12 mei 2009 meegenomen. Naar de mening van verweerder is het bezwaar niet-ontvankelijk. Verweerder ziet geen aanleiding eiser uit te nodigen voor een hoorzitting.

3.2. In beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder diende zich allereerst uit te laten over de vraag of al dan niet tijdig op de aanvraag is beslist. Met de huidige handelwijze van verweerder komt er nimmer een inhoudelijke behandeling van de aanvraag, hetgeen onjuist is. Eiser mist op deze wijze een instantie. Ook het feit dat eiser niet is gehoord is onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 september 2009 slechts overwogen dat de overeenkomst geen grond biedt voor het oordeel dat op 6 oktober 2008 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank heeft niet beslist op de aanvraag van 12 mei 2009, aldus eiser. Het had op de weg van verweerder gelegen een inhoudelijke beslissing op de aanvraag te nemen en wellicht zelf actief met eiser samen te werken om de situatie aan te passen, in het licht van de kritiek die de voorzieningenrechter op de handelwijze van verweerder heeft geuit.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Bij brief van 12 mei 2009 heeft de gemachtigde verzocht de uitkering van eiser te herstellen met inachtneming van de bijgevoegde overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verzoek te worden beschouwd als een aanvraag als bedoeld in artikel 4:2 van de Awb. Immers, de gegevens van de aanvrager zijn duidelijk en er wordt een beschikking gevraagd. De stelling van verweerder dat in de uitspraak van deze rechtbank van 25 september 2009 al een beslissing is genomen over het recht van eiser op bijstand per

12 mei 2009, deelt de rechtbank niet. Uit deze uitspraak volgt dat de door eiser en zijn broer opgestelde overeenkomst geen grond biedt voor het oordeel dat op 6 oktober 2008 geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. De periode vanaf 12 mei 2009 is dan ook nog niet beoordeeld. Verweerder heeft tegen deze achtergrond ten onrechte geen beslissing genomen op het verzoek van eiser van 12 mei 2009. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn inmiddels ruimschoots is verstreken. Hieruit volgt dat verweerder ook het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

4.2. Daarbij overweegt de rechtbank ten aanzien van de inhoud het volgende. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB volgt dat met de zinsnede ‘voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt’ wordt bedoeld de situatie waarin het college van burgemeester en wethouders in de twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een (bevestigend) oordeel heeft gegeven over de vraag of de bijstandsaanvrager en diens partner een gezamenlijke huishouding vormen. Deze situatie kan zich naar oordeel van de rechtbank voordoen doordat aan belanghebbende eerder bijstand volgens de gehuwdennorm is verleend, maar ook doordat een aanvraag om bijstand is afgewezen dan wel een bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken vanwege het vaststellen van het bestaan van een gezamenlijke huishouding.

4.3. Ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 april 2009 was van een dergelijk onweerlegbaar rechtsvermoeden geen sprake. Immers, het besluit waarbij eiser en zijn broer voor de bijstandsverlening als gehuwd zijn aangemerkt (het primaire besluit van 21 oktober 2008) was destijds nog niet onherroepelijk, nu daartegen nog een procedure bij de rechtbank liep (thans in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep). Daarbij was het de bedoeling van de voorzieningenrechter dat verweerder eiser in deze zeer specifieke situatie de gelegenheid zou bieden zijn situatie aan te passen aan die van (bijvoorbeeld) een commerciële (kostgangers)relatie, juist teneinde te voorkomen dat aan eiser het onweerlegbaar rechtsvermoeden bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB zou kunnen worden tegengeworpen.

4.4. Eiser heeft hiertoe een overeenkomst opgesteld, deze bij brief van 12 mei 2009 aan verweerder gestuurd en daarbij verzocht om herstel van zijn bijstandsuitkering. Verweerder heeft verzuimd te beoordelen of de situatie op 12 mei 2009 voldeed aan die van een commerciële kostgangersrelatie, zodat de bijstandsuitkering van eiser zou kunnen worden hervat. Door niet op het verzoek te beslissen, de uitspraak van de bodemrechter af te wachten en eiser nu tegen te werpen dat uit de bodemuitspraak een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding volgt, handelt verweerder niet zoals van een behoorlijk bestuurder mag worden verwacht en in strijd met de bedoeling van de voorzieningenrechter.

4.5. De beoordeling van de woonsituatie na 12 mei 2009 zal alsnog moeten plaatsvinden. Niet is uitgesloten dat ook de feitelijke situatie is gewijzigd. De rechtbank merkt daarbij op dat ook handelingen als voor een ander koken en de was doen in een commerciële relatie kunnen passen, mits daarvoor een vergoeding wordt betaald.

4.6. Tegen de achtergrond van het voorgaande zal het bestreden besluit worden vernietigd en het beroep gegrond worden verklaard. De rechtbank zal verweerder opdragen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van eiser van 12 mei 2009. De rechtbank ziet af van het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb in de vorm van het verstrekken van voorschotten, nu partijen hierover ter zitting niet zijn gehoord en de rechtbank er bovendien van uit gaat dat de situatie van eiser ten spoedigste door verweerder zal worden beoordeeld.

4.7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser begroot op € 874,-. Verweerder zal tevens het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 41,- aan hem dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een beslissing neemt op het verzoek van eiser van 12 mei 2009 met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,- (zegge: achthonderd en vierenzeventig euro) te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 41,- (zegge: eenenveertig euro) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. Leijen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB