Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2430

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
AWB 10-557 HOREC
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wanneer behoren softdrugs tot de handelsvoorraad van een coffeeshop?

Vaste gedragslijn niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. Door de specifieke aard van het gedoogbeleid strekt het rechtszekerheidsbeginsel niet zover dat de burgemeester in zijn beleid een concreet afstandscriterium dient op te nemen, temeer omdat naast afstand ook het element tijd (bevoorrading binnen vijf minuten) van belang is bij de vaststelling of softdrugs ‘nagenoeg direct beschikbaar voor verkoop’ zijn en dus tot de handelsvoorraad van een coffeeshop behoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/557 HOREC

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Arabica Lounge B.V.

wonende te Diemen,

eiseres,

gemachtigde mr. M. Veldman,

en

de burgemeester van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigden mr. A. Buijs en R. Groen.

Procesverloop

Bij primair besluit van 3 september 2009 heeft verweerder eiseres geschrapt van de lijst van inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd, onder gelijktijdige intrekking van de exploitatievergunning voor een week.

Bij besluit van 26 januari 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie het tegen het primaire besluit gerichte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2010.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M. Veldman. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. A. Buijs en R. Groen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres exploiteert de coffeeshop Arabica Lounge (hierna: Arabica Lounge) op het adres Amstelstraat 45 te Amsterdam. Aan haar is op 17 september 2008 een exploitatievergunning verleend voor het exploiteren van Arabica Lounge als een alcoholvrij horecabedrijf. Tevens is haar een gedoogverklaring afgegeven, inhoudende dat in de coffeeshop de verkoop van softdrugs wordt gedoogd volgens de daarvoor geldende gedoogrichtlijnen.

1.2. Bij een politiecontrole op 17 september 2008 werd in strijd met de gedoogrichtlijnen in Arabica Lounge een minderjarige aangetroffen. Hierop heeft verweerder bij brief van 29 oktober 2008 eiseres bericht dat de coffeeshop één van de gedoogvoorwaarden niet heeft nageleefd.

1.3. Blijkens zich in het dossier bevindende processen-verbaal van de politie van 10 juni 2009 en laboratoriumrapporten van 17 juni 2009 heeft de politie op 10 juni 2009, respectievelijk om 0.10 uur en 0.20 uur, twee personen aangehouden in de nabijheid van Arabica Lounge op verdenking van handel in drugs, [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]). [persoon 1] had een plastic tasje bij zich met daarin 138,3 gram hasj en 41 gram hennep. In de auto van [persoon 1], met kenteken [kenteken], waarin [persoon 2] zat, werden 284 gram hennep, 377 gram hasj, 47 hasjsigaretten en 14 hennepsigaretten aangetroffen. Verbalisanten hadden op het moment van aanhouding al waargenomen dat [persoon 1] tussen zijn auto en Arabica Lounge heen en weer had gelopen.

1.4. [persoon 1] heeft op 12 juni 2009 bij de politie, voor zover relevant, de volgende verklaring afgelegd:

“Ik ben in loondienst bij coffeeshop Arabica Lounge. Ik ben bedrijfsleider. Ik doe de voorraad bijvullen (…). De drugs die jullie hebben aangetroffen waren voor de coffeeshop en niet voor de handel. (…)

Ik was aan het werk. Ik zou de bijvulling doen van de coffeeshop. (…) [persoon 2] zat op mij te wachten bij mijn auto. [persoon 2] heeft er niets mee te maken en weet er niks van. (…)

Wat zat er in de achterbak van jouw auto (…)?

Gewoon een beetje voorraad voor de coffeeshop. Ik heb de coffeeshop bevoorraad en wat er in de achterbak van mijn auto is aangetroffen en wat er over was en waarmee ik de coffeeshop kan bevoorraden voor misschien enkele dagen erna. (…) Je mag namelijk in totaal maar 500 gram in de coffeeshop aanwezig hebben. Ik vul dan aan als dat nodig is. Dat lag dus in mijn auto. (…) In totaal, de voorraad van de coffeeshop en de softdrugs in mijn auto is niet meer dan 500 gram.”

1.5. [persoon 2] heeft op 12 juni 2009 bij de politie, voor zover relevant, de volgende verklaring afgelegd:

“(…) Ik werk in een hotel in het centrum van Amsterdam. Ik werk daar al drie (3) jaar. (…)

In de kofferbak zat blijkbaar drugs, tenminste dat denk ik, want ik heb het niet gezien. Ik wist niet dat er drugs in de kofferbak van de auto van [persoon 1] zaten. (…) Als ik had geweten dat er drugs in de auto van [persoon 1] zaten dan had ik hier helemaal niet in gaan zitten en was ik wel met het openbaar vervoer naar huis gegaan. Ik wil hier niets mee te maken hebben.”

1.6. Bij brief van 12 augustus 2009 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om de exploitatievergunning en de gedoogverklaring voor de periode van één week in te trekken, omdat eiseres op 10 juni 2009 een handelsvoorraad heeft gehad van meer dan 500 gram in de directe nabijheid van de coffeeshop. Eiseres heeft daartegen bij brieven van 18 augustus 2009 en 27 augustus 2009 haar zienswijze ingediend.

1.7. Op 9 november 2009 heeft [persoon 2] ten overstaan van een notaris een verklaring afgelegd die, voor zover relevant, luidt als volgt:

“(…) Omdat ik destijds ook in een coffeeshop werkte elders in Amsterdam droeg ik een hoeveelheid hasj en hennep bij me ter bevoorrading van de coffeeshop waar ik werkte. Deze voorraad had ik in de kofferbak van de auto gelegd waarbij ik later werd aangehouden en waarin ik op [persoon 1] wachtte. Deze auto is van [persoon 1]. (…) Ik had een paar onsjes hasj en een paar onsjes weed bij me. (…)”

2. Juridisch kader

2.1. In artikel 3.8, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 van de gemeente Amsterdam (hierna: de APV) is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf te exploiteren.

2.2. Ingevolge artikel 3.24, aanhef en onder b, van de APV kan de burgemeester de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

2.3. De wijze waarop van deze bevoegdheid bij overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gebruik wordt gemaakt is neergelegd in het gemeentelijke coffeeshopbeleid. Onderdeel van dit beleid is een stappenplan waarbij in opeenvolgende stappen handhavend wordt opgetreden bij overtreding van de gedoogcriteria. Deze criteria houden onder meer in dat geen verkoop plaatsvindt aan minderjarigen en dat de coffeeshop geen handelsvoorraad heeft van meer dan 500 gram in of in de directe nabijheid van de coffeeshop.

2.4. In het besluit van de burgemeester van 8 juni 1999 (Gemeenteblad 1999, nr. 58, publicatiedatum 9 juli 1999) inhoudende de evaluatie van het coffeeshopbeleid, is onder punt 3 vastgesteld dat onder de handelsvoorraad van een coffeeshop integraal dienen te worden gerekend alle voorraden softdrugs die nagenoeg direct beschikbaar zijn voor de verkoop vanuit de coffeeshop. De ruimte waarin de voorraad softdrugs zich bevindt hoeft niet of niet geheel toegankelijk te zijn voor het publiek.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat met de op 29 oktober 2008 gegeven waarschuwing de eerste stap uit het onder 2.3. genoemde stappenplan ten aanzien van eiseres is toegepast. Bij het bestreden besluit is stap 2 van dit stappenplan toegepast, waarbij bij een tweede overtreding van de gedoogvoorwaarden binnen drie jaar voor één week de exploitatievergunning wordt ingetrokken en de inrichting wordt geschrapt van de lijst van inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de voorwaarde omtrent de maximale handelsvoorraad is overtreden met de bevoorrading door [persoon 1] in de nacht van 9 op 10 juni 2009.

Ten aanzien van het te hanteren criterium

3.2. Allereerst ligt de vraag voor of – zoals door eiseres is aangevoerd – in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door verweerder geen duidelijk criterium wordt gehanteerd ten aanzien van wat tot de handelsvoorraad van een coffeeshop wordt gerekend. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat het begrip ‘nagenoeg direct beschikbaar’ onvoldoende kenbaar maakt waaraan belanghebbenden zich hebben te houden. Het begrip moet nader gedefinieerd worden, meer in het bijzonder door een objectief afstandscriterium te hanteren. Eerder hebben rechtbanken ook in deze zin overwogen, aldus eiseres.

3.3. Volgens verweerder dient het criterium ‘nagenoeg direct beschikbaar voor verkoop’ te worden uitgelegd aan de hand van de elementen tijd en afstand, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien. De tijd die het kost om een coffeeshop te bevoorraden, de afstand tussen de voorraadplek en de coffeeshop en de concrete omstandigheden van het geval bepalen of sprake is van overschrijding van de toegestane handelsvoorraad. Er is sprake van softdrugs die nagenoeg direct beschikbaar zijn voor de verkoop vanuit de coffeeshop, indien de coffeeshop binnen een tijdsbestek van vijf minuten kan worden bevoorraad. Daarbij is bewust afgezien van de door eiseres betoogde vastlegging in een beleidsregel van een concreet afstandscriterium. Het gedogen van detailhandel in softdrugs in coffeeshops met een maximale handelsvoorraad van 500 gram wordt doorkruist, indien in beleidsregels een concreet afstandscriterium wordt vastgelegd, omdat coffeeshops zich dan alsnog ongelimiteerd kunnen bevoorraden, door hun voorraad softdrugs eenvoudigweg net voorbij het vastgestelde afstandscriterium op te slaan.

3.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij invulling van het criterium ‘nagenoeg direct beschikbaar voor verkoop’ een vaste gedragslijn volgt, waarbij op grond van de elementen tijd en afstand en de concrete omstandigheden van het geval wordt gemotiveerd waarom aangetroffen softdrugs tot de handelsvoorraad van een coffeeshop worden gerekend. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er sprake is van ‘behorend tot de handelsvoorraad’ als de coffeeshop binnen een tijdsbestek van vijf minuten kan worden bevoorraad. De rechtbank acht deze door verweerder gehanteerde gedragslijn niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist. Het gedoogbeleid voor detailhandel in softdrugs houdt immers in dat restrictief en onder voorwaarden wordt afgezien van handhavend optreden tegen een strafbare gedraging. Daarbij past dat verweerder de vrijheid toekomt om van de omstandigheden van het geval te laten afhangen of sprake is van een situatie die gedoogd kan worden of niet. De specifieke aard van het gedoogbeleid brengt naar het oordeel van de rechtbank dan ook mee dat het rechtszekerheidsbeginsel niet zover strekt dat verweerder dient over te gaan tot het vaststellen van een in een beleidsregel neergelegd, concreet afstandscriterium, temeer daar naast afstand ook het element tijd van belang is bij de vaststelling of er sprake is van ‘behorend tot de handelsvoorraad’.

3.5. Op grond van het vorenoverwogene heeft verweerder daarom van het onder 3.3. genoemde criterium mogen uitgaan bij beoordeling van de vraag of de handelsvoorraad van Arabica Lounge in de nacht van 9 op 10 juni 2009 meer dan 500 gram heeft bedragen. De vraag is vervolgens of verweerder dit criterium in het onderhavige geval juist heeft toegepast.

3.6. Eiseres betwist dit en stelt zich daartoe allereerst op het standpunt dat op grond van de bevindingen van de politie onduidelijk is wat de precieze afstand was tussen de auto van [persoon 1], waarin een gedeelte van de softdrugs is aangetroffen, en Arabica Lounge. Ten tweede voert zij aan dat op grond van de herziene verklaring van [persoon 2] niet volgehouden kan worden dat alle door de politie aangetroffen drugs van [persoon 1] waren. Nu [persoon 2] verklaard heeft dat een paar ons van de aangetroffen drugs van hem waren, is de onder [persoon 1] aangetroffen hoeveelheid minder dan 500 gram. Nu de politie geen onderzoek heeft gedaan naar de in de coffeeshop aanwezige voorraad, leidt dit tot de conclusie dat niet vastgesteld kan worden dat de handelsvoorraad van Arabica Lounge meer dan 500 gram heeft bedragen.

Ten aanzien van de locatie van de auto van [persoon 1]

3.7. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2009, opgemaakt door [persoon 3], hoofdagent van de politie Amsterdam-Amstelland en één van de op 9 juni 2009 ter plaatse aanwezige verbalisanten, blijkt dat de auto van [persoon 1] stond geparkeerd ter hoogte van perceel Amstel 216, op een afstand van een kleine 200 meter van Arabica Lounge.

3.8. Eiseres heeft de juistheid van hetgeen in dit proces-verbaal is neergelegd niet betwist. Ook overigens heeft zij niet betwist dat de auto van [persoon 1] geparkeerd stond op een dusdanige afstand van Arabica Lounge dat vanaf die locatie op korte termijn de coffeeshop kon worden bevoorraad. Dat daarvan sprake was, blijkt voorts uit de waarnemingen van de politieagenten en uit de verklaring van [persoon 1] zelf. Verweerder heeft deze omstandigheid daarom aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen. Daaraan doet niet af dat in een eerder proces-verbaal abusievelijk een andere locatie van de auto vermeld stond.

Ten aanzien van de aangetroffen softdrugs

3.9. [persoon 1] heeft op 12 juni 2009 tegenover de politie verklaard dat hij in de betrokken auto een voorraad softdrugs bewaarde ter bevoorrading van Arabica Lounge, dat hij Arabica Lounge heeft bevoorraad in de periode van 9 juni 2009 en 10 juni 2009 en dat hij dat ook de dagen daarna kon doen met het restant van de voorraad softdrugs in de auto. De rechtbank acht deze verklaring eenduidig en in overeenstemming met de functie van [persoon 1] als bedrijfsleider van Arabica Lounge. [persoon 2] heeft op 12 juni 2009 tegenover de politie - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij niet wist dat er drugs in de kofferbak van de auto van [persoon 1] zaten en dat hij er niets mee te maken wilde hebben. Met zijn verklaring van 9 november 2009 is hij van die verklaring teruggekomen.

Naar vaste rechtspraak mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegen een politieagent afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de verklaring van [persoon 1] tijdens zijn verhoor over de rol van [persoon 2] in grote lijnen overeenkomt met de verklaring die [persoon 2] aanvankelijk tegenover de politie heeft afgelegd.

3.10. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat alle aangetroffen softdrugs in bezit waren van [persoon 1]. Uit de verklaring van [persoon 1] blijkt dat deze dienden ter bevoorrading van Arabica Lounge en dat hij als bedrijfsleider voor deze bevoorrading zorg droeg. Hieruit volgt dat verweerder onder toepassing van meergenoemd criterium op goede gronden die softdrugs tot de handelsvoorraad van Arabica Lounge heeft kunnen rekenen. Nu de aangetroffen hoeveelheid meer was dan 500 gram staat vast dat de maximaal toegestane handelsvoorraad voor Arabica Lounge in de nacht van 9 op 10 juni 2009 is overschreden. Daarmee kwam eiseres in overtreding met één van de gedoogvoorwaarden. Verweerder heeft dan ook op goede gronden stap 2 uit het stappenplan toegepast. De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder in redelijkheid tot de onderhavige intrekking op grond van artikel 3.24, aanhef en onder b, van de APV heeft kunnen overgaan. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder hiervan behoorde af te zien, is de rechtbank niet gebleken.

3.11. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo voorzitter en mrs. B.E. Mildner en C.H. Rombouts, in tegenwoordigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2010.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB