Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2426

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
AWB 09/1613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen heeft eiseres de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid een motorvoertuig te besturen en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst tot de dag waarop over de geldigheid van het rijbewijs wordt beslist. Eiseres komt tegen dit besluit in beroep.

De rechtbank stelt vast dat het rijbewijs van eiseres inmiddels ongeldig is verklaard. Tegen het besluit daartoe is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

Dit betekent dat het met het beroep beoogde doel, namelijk opheffing van schorsing van het rijbewijs, niet meer mogelijk is. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank niet in hoe eiseres door het beroep in een gunstiger positie kan geraken. Eiseres heeft evenmin belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit tot schorsing van de geldigheid van haar rijbewijs.

Beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1613

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,

verweerder,

gemachtigde mr. J.J. Kwant.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2009 heeft verweerder eiseres de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar haar geschiktheid om een motorvoertuig te besturen en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst tot de dag waarop het besluit over de geldigheid van het rijbewijs wordt genomen.

Bij besluit van 2 april 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2010. Eiseres is met bericht van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Toetsingskader

1.1. Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de WVW 1994) doen de bij algemene regel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

1.2. Ingevolge artikel 131, eerste lid, voor zover hier van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling genomen.

1.3. Op grond van artikel 7 van de Regeling in verbinding met artikel 5, onder c, van de Regeling schorst het CBR de geldigheid van het rijbewijs als er duidelijke aanwijzingen zijn dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel wordt bevestigd door een medisch deskundige.

2. Overwegingen van de rechtbank

2.1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van een vermoeden dat eiseres niet langer beschikt over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen en dat eiseres zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar haar geschiktheid daartoe.

2.2. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiseres geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

2.3. De rechtbank stelt vast dat het rijbewijs van eiseres bij besluit van 25 februari 2009 ongeldig is verklaard. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

2.4. Dit betekent dat eiseres hetgeen zij met haar beroep beoogde te bereiken, namelijk dat de schorsing van haar rijbewijs zou worden opgeheven, niet meer mogelijk is. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank niet in hoe eiseres door het beroep in een gunstiger positie kan geraken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betekent dit dat eiseres geen belang meer heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2008, LJN BD6092). Eiseres heeft evenmin belang bij een beoordeling van het beroep tegen het besluit tot schorsing van de geldigheid van haar rijbewijs.

2.5. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, rechter, in aanwezigheid van mr. A.P.M. van Dullemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2010.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB