Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2378

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2010
Datum publicatie
26-07-2010
Zaaknummer
13-660310-10 (zaak A), 13-410901-09 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) en 06-470051-09 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal vergezeld van geweld. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/660310-10 (zaak A), 13/410901-09 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd) en 06/470051-09 (TUL)

Datum uitspraak: 16 juli 2010

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1990,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring “De Weg” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2010.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

Zaak A

hij op of omstreeks 23 maart 2010 te Hilversum, op of aan de openbare weg, de Schering, in elk geval op of aan een openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een wit-roze (boodschappen)tas met inhoud (onder meer een portemonnee inhoudende een geldbedrag van ongeveer 15 euro en/of een aantal folders en/of een broodje en/of een mes en/of een plamuurmes) en/of een witte plastic tas inhoudende een hoeveelheid groente en/of fruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1918), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 1] te voet (door het centrum van Hilversum) heeft/hebben gevolgd en/of op die [slachtoffer 1] is/zijn afgerend en/of die [slachtoffer 1] (van achteren) (met kracht) heeft/hebben geduwd, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of de tassen uit de hand van die [slachtoffer 1] heeft/hebben getrokken, welk feit voor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een polsfractuur, ten gevolge heeft gehad;

Zaak B

hij op of omstreeks 22 oktober 2009 te Hilversum [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn (rechter)hand op de keel van die [slachtoffer 2] gezet en/of gehouden en/of een of meermalen met een (scherp geslepen) potlood (in de linkerhand) een of meer stekende bewegingen in de richting van de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] gemaakt en/of een (scherp geslepen) potlood in de richting van de nek en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] gehouden en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd : "ik kan dit potlood ook in je nek steken" en/of "ik heb geen mes nodig om je te steken want ik gebruik net zo lief een potlood" en/of "ik steek je in je nek", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A:

op 23 maart 2010 te Hilversum, op de openbare weg, de Schering, tezamen en in vereniging

met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een wit-roze boodschappentas met inhoud (onder meer een portemonnee inhoudende een geldbedrag van ongeveer 15 euro en een aantal folders en een broodje en een mes en een plamuurmes) en een witte plastic tas inhoudende een hoeveelheid groente en fruit, toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1918), welke diefstal werd vergezeld van

geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat verdachte en/of zijn mededader die [slachtoffer 1] te voet door het

centrum van Hilversum hebben gevolgd en op die [slachtoffer 1] zijn afgerend en de tassen uit de hand van die [slachtoffer 1] heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen, welk feit voor die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een polsfractuur, ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van zaak B:

op 22 oktober 2009 te Hilversum [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn hand op de keel van die [slachtoffer 2] gezet en gehouden en met een potlood stekende bewegingen in de richting van de nek en het lichaam van die [slachtoffer 2] gemaakt en daarbij voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking toegevoegd : "ik kan dit potlood ook in je nek steken" en "ik heb geen mes nodig om je te steken want ik gebruik net zo lief een potlood" en "ik steek je in je nek".

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.2 Nadere overwegingen van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A - medeplegen

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit. Hij is niet als medepleger betrokken geweest bij de straatroof, omdat verdachte geen uitvoeringshandelingen heeft gepleegd en er (mitsdien) geen sprake zou zijn van nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte].

Beoordeling:

Uit de processtukken alsmede uit de verklaringen van verdachte ter terechtzitting blijkt dat verdachte met zijn medeverdachte is meegelopen nadat hij van zijn medeverdachte had vernomen dat deze voornemens was de vrouw te beroven. Zij hebben samen het slachtoffer tot twee keer toe achtervolgd. Verdachte is achter de medeverdachte aan blijven lopen, ook toen deze achter het slachtoffer de hoek om liep. Verdachte is nadat zijn medeverdachte de tassen van het slachtoffer had weggerukt waarbij zij ten val was gekomen, samen met de medeverdachte weggerend met de buit. Dit gebeurde nadat verdachte enige tijd lang naar het slachtoffer dat op de grond lag, heeft gekeken en hij zich mitsdien rekenschap heeft gegeven van hetgeen was gebeurd. Vervolgens heeft verdachte de buit samen met medeverdachte gedeeld, waarbij hij een actieve rol heeft gespeeld. Hij heeft immers het geldbedrag uit de portemonnaie van het slachtoffer genomen en daarvan een deel aan zijn medeverdachte afgestaan. Onder deze omstandigheden en naar die uiterlijke verschijningsvorm is sprake van nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van de handelwijze van zijn mededader. Ook heeft hij deze er niet van weerhouden het feit te plegen. Het gegeven dat verdachte niet (zeker) wist of de medeverdachte de vrouw daadwerkelijk zou gaan beroven, omdat het ook “bluffen” zou kunnen zijn, zoals hij heeft verklaard, doet daar niet aan af. Verdachte had kunnen weten en had er rekening mee moeten houden dat [medeverdachte] de daad bij het woord zou voegen en de tassen uit handen van het slachtoffer zou trekken. Dat verdachte vervolgens is geschrokken, omdat [medeverdachte] het tóch deed en de vrouw op grond terecht kwam, doet daaraan niet af. Verdachte heeft willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] de vrouw zou beroven zodat tenminste in voorwaardelijke zin zijn opzet daarop gericht was. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van zaak A - zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Een gebroken pols zal vanwege het doorgaans tijdelijke karakter van het letsel in veel gevallen niet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel, maar onder omstandigheden kan een dergelijke breuk zwaar lichamelijk letsel opleveren. De zwaarte van het letsel ligt in het onderhavige geval besloten in het feit dat sprake is van een breuk in combinatie met de leeftijd van het slachtoffer (91 jaar), de lange en de moeizame herstelperiode van botbreuken bij slachtoffers van die leeftijd. Uit een proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2010 met daarin de weergave van een telefoongesprek van de verbalisant met het slachtoffer blijkt dat zij drie maanden na het voorval en na een kennelijk noodzakelijk geachte operatie nog steeds last heeft van haar pols en rechterknie en dat die polsfunctie hoogstwaarschijnlijk nooit volledig zal herstellen.

Ten aanzien van zaak B - opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte vrijgesproken dient te worden omdat zijn opzet, ook in voorwaardelijke vorm, op de bedreiging ontbrak, aangezien verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte weet weliswaar zelf niet meer wat hij precies tegen het slachtoffer heeft gezegd, maar zijn uitlatingen in combinatie met de bewegingen die hij met het potlood in zijn hand heeft gemaakt, zoals hij die ter terechtzitting heeft gedemonstreerd, waren dusdanig bedreigend dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zich bedreigd zou voelen zodat tenminste in voorwaardelijke zin zijn opzet daarop gericht was. Daaraan staat niet in de weg dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was. Bovendien erkent verdachte dat hij heel erg boos was op het slachtoffer. Verdachte moet hebben beseft dat die boosheid ook op het slachtoffer is overgekomen.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft ten aanzien van zaak B aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat verdachte machteloos was, er iets bij hem knapte, er een blindheid opspeelde en dat deze gemoedstoestand het strafbare gedrag van verdachte zou kunnen verklaren. De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank gaat uit van de conclusies zoals vermeld in het Pro Justitia psychiatrisch onderzoek van 23 juni 2010 en het psychologisch onderzoek van 30 mei 2010. Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een autistoforme stoornis. Verdachte is beperkt in zijn oordeels- en keuzevermogen. Op grond van de invloed van de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens op zijn uiteindelijke gewelddadige impulsen kan hij naar de mening van onderzoekers voor de ten laste gelegde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf en maatregel

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest.

Tevens heeft zij toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] gevorderd, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarvoor verdachte hoofdelijk aansprakelijk is.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat het in beslag genomen potlood verbeurd verklaard dient te worden.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan een straatroof gepleegd op een weerloze, hoogbejaarde (91-jarige) vrouw. Zij is als gevolg van een ruk aan haar weggenomen tassen hard op de grond terecht gekomen en heeft naast een polsfractuur, verwondingen in het gezicht en aan de knie opgelopen. De fysieke en psychische gevolgen van het handelen van verdachte en zijn mededader op het slachtoffer blijken onder andere uit een nagezonden proces-verbaal van bevindingen van 28 juni 2010. Niet alleen heeft [slachtoffer 1] aanzienlijk lichamelijk letsel opgelopen, waar zij naar alle waarschijnlijkheid blijvend last van zal ondervinden, ook zijn haar veiligheidsgevoelens aangetast. Ze is schrikachtiger geworden, terwijl zij daar voorheen geen last van had. De impact op het slachtoffer is derhalve groot geweest en de rechtbank rekent verdachte zijn laffe daad zeer aan.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan bedreiging van een van zijn groepsleiders bij de zorginstelling Ascensio. Het slachtoffer voelde zich erg bedreigd en was in de veronderstelling dat verdachte hem ook echt iets aan zou doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte ook ter terechtzitting geen blijk gegeven van enig inzicht in het onjuiste van zijn handelen met betrekking tot dit feit.

Blijkens een verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 1 juli 2010 is verdachte eerder wegens een vermogensdelict veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden wederom delicten, waaronder een vermogensdelict met geweld, te plegen. De rechtbank heeft dit gegeven in het nadeel van verdachte betrokken bij het oordeel over de op te leggen straf.

De rechtbank ziet aanleiding, anders dan de officier van justitie, een aanzienlijk deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan verbonden na te noemen bijzondere voorwaarden. Het voorwaardelijk deel strekt er mede toe verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportages van 30 mei 2010 en 23 juni 2010. In laatstgenoemde rapportages wordt de noodzaak benadrukt dat verdachte gezien de directe samenhang van zijn stoornis en zijn criminele gedrag nader wordt gediagnosticeerd en behandeld in bijvoorbeeld Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) Roozenburg. Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van InForsa opgesteld door [naam 1], waarin wordt geconcludeerd dat het recidive- en gevaarrisico hoog is en opname in de forensische kliniek Roozenburg van GGZ Altrecht noodzakelijk is. De Reclassering is van mening dat het maatschappelijk onverantwoord is om verdachte extramuraal te behandelen, maar ziet geen mogelijkheden om in het drangkader van reclasseringstoezicht te komen tot noodzakelijk gedragsbeperking en gedragsbeïnvloeding ten behoeve van het terugdringen van de recidivekans. Reclassering InForsa adviseert de rechtbank derhalve om een onvoorwaar¬delijke straf op te leggen en in het kader van trajectre-integratie te onderzoeken of opname in voornoemde kliniek in het kader van een Penitentiair Programma kan worden gerealiseerd. De rechtbank heeft acht geslagen op het advies van InForsa, maar ziet aanleiding om van het advies af te wijken, nu de rechtbank, net als de Pro Justitia rapporteurs, ervan overtuigd is dat verdachte zo snel en zo veel mogelijk begeleid en behandeld dient te worden in de kliniek Roozenburg en dat reclasseringstoezicht wel degelijk wenselijk en mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting ten gunste van verdachte af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur zoals door de officier van justitie geëist, nu daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen ander strafdoel wordt gediend dan speciale preventie, welk doel naar het oordeel van de rechtbank in de op te leggen straf reeds voldoende wordt vormgegeven. De rechtbank heeft voorts in het voordeel van verdachte meegewogen diens jeugdige leeftijd. De rechtbank houdt daarbij ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name zijn psychische gesteldheid, die hem verminderd toerekeningsvatbaar maakt.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel zaak A

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.673,47 (zestienhonderdendrieënzeventig euro en zevenenveertig eurocent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Alle door de benadeelde opgebrachte kostenposten komen voor vergoeding in aanmerking, behoudens de volledige kosten die benadeelde heeft gevorderd voor maaltijdbezorging van € 585,-. De rechtbank plaats bij die kosten de kanttekening dat benadeelde, indien zij geen schade had geleden als gevolg van het bewezen geachte feit, ook kosten had moeten maken om zich in warme maaltijden te voorzien. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om het door de benadeelde gevorderde bedrag te matigen. De rechtbank waardeert deze zelf te maken kosten op 5 euro per dag en dus op 35 euro per week. Nu benadeelde voor de maaltijdbezorging gedurende 13 weken 10 euro meer per week heeft uitgegeven dan normaal schat de rechtbank de totale schade op € 130,- in plaats van de gevorderde € 585,-.

Daarnaast heeft de benadeelde partij aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 1.673,47 vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander is betaald.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, te weten € 455,- is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij zaak B

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak B bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 10,- (tien euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Daarnaast heeft de benadeelde partij aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over het totaalbedrag van € 10,-, in ieder geval vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven potlood, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het in zaak B bewezen geachte is begaan.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 11 november 2009 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 06/470051-09, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 1 april 2009 van de politierechter van de rechtbank Zutphen, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet echter, gezien de op te leggen vrijheidsbenemende straf, geen aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. De vordering zal worden afgewezen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.1 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van zaak B

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 8 maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen, als veroordeelde tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- verdachte dient zich onmiddellijk aansluitend aan zijn detentie te laten opnemen bij Altrecht, locatie Roozenburg, alwaar diagnostiek en behandeling plaats zal vinden;

- verdachte stelt zich en blijft onder toezicht van de Reclassering Nederland InForsa en gedraagt zich naar de aanwijzingen van die instelling, zolang die instelling dat nodig oordeelt, daaronder begrepen dat de Reclassering verdachte in het kader van voornoemde opname zal (laten) begeleiden en ondersteunen en ook dat hij zich nadien laat begeleiden door Reclassering Nederland InForsa, zolang deze instelling dat nodig acht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 1.673,47 (zestienhonderdendrieënzeventig euro en zevenenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2010 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen de som van € 1.673,47 (zestienhonderdendrieënzeventig euro en zevenenveertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander is betaald.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 10,- (tien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 oktober 2009 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart verbeurd:

1 1.00 STK Schrijfgerei Kl:Blauw

-

(37908)

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf opgelegd bij voornoemd vonnis d.d. 1 april 2009.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, voorzitter,

mrs. A.W.H. Vink en B.C. Langendoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Tanoglu, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2010.