Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2106

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
13/846006-08 (PROMIS)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU9239, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Amsterdam Port Services (APS) is schuldig bevonden aan overtreding van de Wet Milieubeheer. Het gaat dan om het terugpompen van het gevaarlijke afval in de Probo Koala. Maar verdachte mocht vertrouwen op de door de gemeente gegeven toestemming om het afval terug te pompen en wordt daarom ontslagen van rechtsvervolging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 174
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 261
Wetboek van Strafvordering 359a
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 1a
Wet op de economische delicten 2
Wet op de economische delicten 6
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.2d
Wet milieubeheer 10.1
Wet milieubeheer 10.32
Wet milieubeheer 10.37
Wet milieubeheer 10.60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010, 87 met annotatie van Douma
NBSTRAF 2010/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/846006-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 23 juli 2010

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

AMSTERDAM PORT SERVICES B.V. (APS),

gevestigd aan de Petroleumhavenweg 48, 1041 AC te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

1.1. De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 juni 2008, 2 juli 2008, 2 en 10 april 2009, 28 oktober 2009,

6 november 2009, 10 en 16 maart 2010 (regiezittingen) en de terechtzittingen van

1, 2, 3, 16, 21 en 24 juni 2010 en 1, 2 en 9 juli 2010 (inhoudelijke behandeling).

1.2.1. Op de terechtzitting van 26 juni 2008 heeft Protein Kissee s.a. te Abidjan, Ivoorkust zich gevoegd als benadeelde partij met betrekking tot de door haar, ten gevolge van het aan APS ten laste gelegde, geleden schade en wel tot een bedrag van

€ 5.504.421,-.

1.2.2. De rechtbank heeft op dezelfde terechtzitting overwogen dat zonder nader onderzoek reeds toen kon worden vastgesteld dat Protein Kissee s.a. niet rechtstreeks schade is toegebracht door hetgeen aan APS is ten laste gelegd (artikel 333 Sv) en beslist dat zij kennelijk niet ontvankelijk is in haar vordering.

1.3.1. Het Openbaar Ministerie werd vertegenwoordigd door mrs. L.W. Boogert,

H.P. Dankmeijer, M.J. Dontje, R.S. Mackor en C.A. Zijlstra. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van het Openbaar Ministerie.

1.3.2. Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van elk ten laste gelegde feit een bewijsmiddelenoverzicht aan de stukken toegevoegd.

1.4. De rechtbank heeft acht geslagen op hetgeen door [naam 1] en

[naam 2], vertegenwoordigers van APS en haar raadslieden mrs. A.J.M. de Swart, V.A.M.G. van de Bilt, C.V. van Overbeeke en Th.J. Kelder, advocaten respectievelijk te Rotterdam en 's-Gravenhage, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan APS is - nadat ter terechtzitting van 1 juni 2010 de tenlastelegging is gewijzigd, ten laste gelegd - dat zij

1. op of omstreeks 5 juli 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan Trafigura Beheer B.V. en/of (de kapitein van) het schip Probo Koala, in elk geval aan een ander, heeft ontdaan van met het schip Main VII ingezamelde gevaarlijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen;

2. op of omstreeks 3 juli 2006 te Amsterdam al dan niet opzettelijk, binnen haar inrichting voor de be- en/of verwerking van afvalstoffen aan de Petroleumhavenweg, bedrijfsmatig, handelingen heeft verricht met betrekking tot afvalstoffen, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, immers heeft zij, verdachte, nadat gebleken was dat bij de be- en/of verwerking van afvalwater (in de DAF-installatie) een (hoge) emissie van zwavelwaterstof (H2S) en/of (ongebruikelijke) stank optrad, niet onmiddellijk onderzoek ingesteld naar de oorzaak van die emissie en/of stank, en/of die be- en/of verwerking van dat afvalwater niet onmiddellijk gestaakt.

3. Afkortingenlijst

De in dit vonnis voorkomende afkortingen hebben betrekking op het volgende:

ACS de landen van het continent Afrika, ten zuiden van de Sahara, het Caribische gebied en de Stille Oceaan

APS Amsterdam Port Services B.V.

AV AO/IC Acceptatie Verwerking Administratieve Organisatie en Interne Controle

B&W (het college van) Burgemeester en Wethouders

BMA Bulk Marine Agencies

CZV chemisch zuurstof verbruik

COD chemical oxygen demand: zie CZV

DAF Dissolved Air Flotation installatie

DMB Dienst Milieu en Bouwtoezicht gemeente Amsterdam

EU Europese Unie

EVOA Verordening (EEG) Nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en buiten de Europese Gemeenschap

EVOA (nieuw) Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen

EHRM Europees Hof voor de rechten van de Mens

EVRM Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

H2S Zwavelwaterstof

HOI Havenontvangstinstallatie

HOV Havenontvangstvoorziening

HR Hoge Raad

IBC Intermediate bulk container

IMT Interregionaal Milieu Team

KLPD Korps Landelijke Politiediensten

LAP Landelijk afvalbeheersplan

MARPOL Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals aangepast bij protocol van 1978

MSDS Material Safety Data Sheet

NFI Nederlands Forensisch Instituut

OM Openbaar Ministerie

ppm parts per million: delen per miljoen

PSC Port State Control

Trafigura Trafigura Beheer B.V.

Sr Wetboek van Strafrecht

Sv Wetboek van Strafvordering

V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat

VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

WED Wet op de economische delicten

Wm Wet milieubeheer

Wvvs Wet voorkoming verontreiniging door schepen

4. Voorvragen

4.1. Geldigheid van de dagvaarding

4.1.1. Het standpunt van de verdediging

4.1.1.1. De verdediging heeft bij pleidooi ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat deze op dat onderdeel innerlijk tegenstrijdig is en daartoe het volgende aangevoerd.

4.1.1.2. In de tenlastelegging worden de 'handelingen' in het kwalificatieve onderdeel "bedrijfsmatig handelingen heeft verricht" feitelijk nader ingevuld door het (i) niet onmiddellijk onderzoek instellen naar de oorzaak van de emissie en/of stank en/of (ii) het niet onmiddellijk staken van de be- en/of verwerking van het afvalwater. Het verrichten van handelingen wordt ingevuld door twee punten waarop APS nalatig zou zijn geweest.

4.1.1.3. Handelingen kunnen naar de mening van de verdediging niet bestaan uit nalaten. Deze innerlijke tegenstrijdigheid in de dagvaarding kan niet dienen als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting en moet leiden tot nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

4.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.1.2.1. Het OM heeft bij repliek naar voren gebracht dat het verweer moet worden verworpen omdat de verdediging uitgaat van een verkeerde lezing van artikel 10.1 lid 3 Wm. Het OM heeft ter onderbouwing van zijn stelling het volgende aangevoerd.

4.1.2.2. Artikel 10.1. Wm omvat verschillende zorgplichten met betrekking tot het omgaan met afvalstoffen. De zorgplicht van het eerste en tweede lid richten zich tot een ieder. Het eerste lid legt in het algemeen op een ieder (particulier en bedrijven) een gebod om zorgvuldig om te gaan met afvalstoffen. Het is daarbij niet relevant of de afvalstoffen zijn ontstaan bij die betrokkenen. De zorgplicht van het tweede lid richt zich in het bijzonder op degene bij wie afvalstoffen ontstaan. Ook hierbij kan het gaan om zowel particulieren als bedrijven. Het derde lid richt zich specifiek tot degene die beroepsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht. Het bevat het gebod dat geen risico's voor het milieu in het leven worden geroepen. Daarbij doet niet ter zake of die risico's zijn ontstaan door een handelen of een nalaten, aldus het OM.

4.1.3. Het oordeel van de rechtbank

4.1.3.1. Een dagvaarding is innerlijk tegenstrijdig en daarmee onduidelijk als in de daarin vervatte tenlastelegging twee mogelijkheden naast elkaar worden gepresenteerd die zich logischerwijs niet met elkaar laten verenigen.

4.1.3.2. Een dagvaarding die om bovengenoemde reden innerlijk tegenstrijdig is en daarom onbegrijpelijk, voldoet niet aan de eisen van artikel 261 Sv en is derhalve nietig.

4.1.3.3. Artikel 10.1 Wm luidde (van 8 mei 2002 tot en met 11 juli 2007) als volgt:

1. Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2. Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.

5. De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet of een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet of de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen.

4.1.3.4. APS wordt (in het kwalificatieve gedeelte van de tenlastelegging) verweten dat zij (bedrijfsmatig) handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht. In het tweede gedeelte van de tenlastelegging (de feitelijke omschrijving) staat ten eerste dat APS dit heeft gedaan door niet een onderzoek in stellen, hetgeen niet het verrichten is van een handeling met betrekking tot een afvalstof maar juist het nalaten daarvan.

4.1.3.5. Handelen of handelingen verrichten en nalaten of stilzitten zijn antoniemen van elkaar. Onder omstandigheden is denkbaar dat aan het woord handelingen een bredere dan taalkundige betekenis kan worden toegekend, maar dat kan niet het geval zijn bij een wettelijke regeling die in de leden 1 en 2 de begrippen handelen en nalaten naast elkaar gebruikt. In die omstandigheid kan in lid 3 van artikel 10.1 Wm met handelen niet ook nalaten worden bedoeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van de zinsnede dat APS "niet onmiddellijk onderzoek [heeft] ingesteld naar de oorzaak van die emissie en/of stank" wegens innerlijke tegenstrijdigheid omdat APS wordt verweten dat zij iets heeft gedaan door iets niet te doen.

4.1.3.6. In het tweede gedeelte van de feitelijke omschrijving van de tenlastelegging wordt APS verweten dat zij handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, doordat zij "nadat gebleken was dat bij de be- en/of verwerking van afvalwater (in de DAF-installatie) een (hoge) emissie van zwavelwaterstof (H2S) en/of (ongebruikelijke) stank optrad, die be- en/of verwerking van dat afvalwater niet onmiddellijk [heeft] gestaakt".

4.1.3.7. Niet staken is synoniem aan (blijven) werken. APS wordt aldus verweten dat zij is doorgegaan met het be- en/of verwerken van afvalwater nadat was gebleken dat bij de verwerking van dat afvalwater een (hoge) emissie van zwavelwaterstof (H2S) en/of (ongebruikelijke) stank optrad. De verdediging heeft de tenlastelegging ook zo begrepen. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake.

4.1.3.8. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wegens innerlijke tegenstrijdigheid nietig is voor zover het betreft de zinsnede "niet onmiddellijk onderzoek [heeft] ingesteld naar de oorzaak van die emissie en/of stank, en/of". Het verweer dat de dagvaarding ook nietig is ten aanzien van de zinsnede "die be- en/of verwerking van dat afvalwater niet onmiddellijk gestaakt" wordt verworpen.

4.2. Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde.

4.3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

4.3.1. Het standpunt van de verdediging

4.3.1.1. Primair heeft de verdediging van APS betoogd dat het OM niet-ontvankelijk is in zijn vervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde wegens schending van beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het terugpompen van de slops door APS pas heeft plaatsgevonden nadat de overheid daar toestemming voor heeft gegeven.

De Hoge Raad heeft in het eerste Menten-arrest (HR 29 mei 1978, NJ 1978, 358) uiteengezet dat er grenzen zijn aan de mogelijkheid om tot vervolging over te gaan als de overheid eerder de indruk heeft gewekt dat daarvan geen sprake zal zijn. Gerechtvaardigde verwachtingen omtrent vervolging kunnen in beginsel alleen worden gewekt door het overheidsorgaan dat verantwoordelijk is voor het strafvervolgingsbeleid: het Openbaar Ministerie. Onder bijzondere omstandigheden kan het volgens de Hoge Raad zo zijn dat handelingen van een ander overheids-orgaan dan het OM het recht tot strafvervolging doen vervallen. Of dit het geval is, moet worden bezien aan de hand van drie factoren:

- de instantie die de toestemming heeft gegeven;

- de concrete omstandigheden waaronder die toestemming is gegeven en

- de aard en inhoud van de toestemming.

4.3.1.2. De verdediging heeft hieromtrent - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De instantie die toestemming heeft gegeven voor het terugpompen van de stoffen betreft DMB. Deze instantie is verantwoordelijk voor handhaving, toezicht en vergunningverlening ingevolge de Wm en heeft nauwe banden met het OM. Het ligt dan ook in de rede dat justitiabelen grote waarde hechten aan concrete toezeggingen van DMB en dat zij ervan zullen uitgaan dat die toezeggingen mede het standpunt van het OM vertolken.

4.3.1.3. Voorts blijkt uit de concrete omstandigheden van deze zaak volgens de verdediging duidelijk hoe nauw de samenwerking bij het optreden tussen DMB (als toezichthouder), opsporingsambtenaren en het OM is geweest. Er was sprake van één gecoördineerd optreden door de overheid. Toen DMB op 4 juli 2006 toestemming verleende voor het terugpompen van de slops kon en mocht APS menen dat deze toestemming het standpunt vertegenwoordigde van de gezamenlijk optredende overheidsinstanties, inclusief het OM.

4.3.1.4. Wat betreft de aard en inhoud van de toestemming heeft de verdediging betoogd dat de door DMB gegeven toestemming tot terugpompen niet alleen zeer concreet en expliciet, maar ook voorafgaand aan het terugpompen is gegeven. In de literatuur wordt betoogd dat vooraf gegeven toestemming relatief snel moet worden geacht het OM te binden en ook wordt waarde gehecht aan de vraag of er voorwaarden zijn verbonden aan de toestemming. Van groot belang is dat APS haar handelen geheel op de toestemming van de overheid heeft afgestemd. Daarnaast waren er aan de toestemming twee voorwaarden verbonden: er moest een meting plaatsvinden door een onafhankelijk bedrijf zodat kon worden vastgesteld dat alle slops teruggepompt zouden worden en, indien dit niet het geval bleek te zijn, zou APS een 'vrijwillige dwangsom' verbeuren.

4.3.1.5. Op grond van het voorgaande komt de verdediging tot de conclusie dat het OM niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard, nu APS erop mocht vertrouwen dat zij niet strafbaar handelde door het teruggeven van de slops nadat DMB daarvoor toestemming had gegeven.

4.3.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.3.2.1. Het OM heeft gesteld dat het verweer inhoudende dat het OM bij APS het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat de teruggave van de slops niet tot enige strafrechtelijke vervolging zou leiden, geen hout snijdt. Het heeft daartoe aangevoerd dat door politie en OM geen enkele toezegging is gedaan. Integendeel; het IMT heeft APS herhaaldelijk en met klem aangegeven dat de slops niet naar de Probo Koala mochten worden teruggepompt.

4.3.2.2. DMB, de instantie die de toestemming gaf, is, anders dan de verdediging stelt, niet belast met de strafrechtelijke handhaving van artikel 10.37 Wm. Daarnaast zijn [naam 3] en [naam 4], de medewerkers van DMB met wie APS van doen had, geen (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Bovendien hebben zij in de avond van 4 juli opgetreden namens B&W als bevoegd gezag voor de inrichtingsvergunning, zoals blijkt uit de fax van 4 juli 2006, uit de conceptbrief met het verslag van het overleg en uit de brief van 12 juli 2006, alle afkomstig van DMB. Noch uit de stukken, noch uit de verhoren blijkt dat DMB of [naam 3] en [naam 4] hebben aangegeven dat zij optraden namens het OM of de politie.

4.3.2.3. Tot slot, zo heeft het OM aangevoerd, heeft APS zich gericht tot DMB in de rol als vertegenwoordiger van het bevoegd gezag voor haar inrichtingsvergunning. Op grond van deze argumenten is het OM van oordeel dat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen bij APS en dat het derhalve ontvankelijk is in zijn vervolging.

4.3.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.3.1. De rechtbank zet het verweer van de verdediging in de sleutel van artikel 359a, eerste lid Sv. Op grond van dat artikel kan een niet herstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in zijn vervolging. Om tot deze consequentie te komen moet het vormverzuim daarin bestaan dat de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort gedaan is.i Een vormverzuim kan bestaan uit schending van een beginsel van een behoorlijke procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel.

4.3.3.2. Het OM mag niet handelen naar willekeur. Het is - tenzij zwaarwichtigere belangen zich daartegen zouden verzetten - jegens de verdachte gebonden aan toezeggingen die bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt.ii

4.3.3.3. De hoofdregel luidt dat handelen of nalaten van een niet voor het straf-vorderingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan in het algemeen niet het recht tot strafvordering raakt, maar bijzondere omstandigheden kunnen tot een ander oordeel leiden.iii Een bijzondere omstandigheid zou kunnen liggen in een toezegging die is gedaan door een ander overheidsorgaan dan het OM, maar die toch aan het OM kan worden toegerekend.iv In het onderhavige geval rijst dan ook de vraag of de door DMB gegeven toestemming voor het terugpompen van de slops kan worden toegerekend aan het OM en, indien deze vraag positief wordt beantwoord, of daarmee sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.

4.3.3.4. In het milieurecht kan het voorkomen dat aan personen die in het kader van het bestuursrechtelijke handhavingtraject toezichthouder zijn, ook bevoegdheden tot opsporing van strafbaren feiten zijn toegekend. Wanneer personen met beide bevoegdheden in het kader van de toezichtuitoefening namens het bestuur, maar tevens als (bijzonder) opsporingsambtenaar, toezeggingen doen aan een (potentiële) overtreder, kan onduidelijkheid bestaan over de vraag of de daardoor opgewekte verwachtingen slechts aan het bestuur kunnen worden toegerekend of dat ook het OM daaraan is gebonden. In casu doet zich een dergelijke situatie niet voor. Immers, de personen van DMB die betrokken zijn geweest bij de gebeurtenissen bij APS, zijn geen van allen (buitengewoon) opsporingsambtenaar. Zij handelden uitsluitend in het kader van de bestuursrechtelijke handhaving van de vergunning. Er kan dus geen sprake zijn van onduidelijkheid in het kader van welke bevoegdheid zij hebben gehandeld.

4.3.3.5. De bij APS ontstane opvatting dat zij in alle opzichten correct handelde - en dus niet strafrechtelijk vervolgd zou worden - berust op een kennelijke misvatting, aangezien de toestemming gegeven is door de gemeente en strafvervolging uitsluitend geschiedt door het OM. Zeker een professioneel bedrijf als APS moet worden geacht het verschil tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving te kunnen onderkennen. De vraag of de door DMB gegeven toestemming moet worden toegerekend aan het OM dient dan ook ontkennend te worden beantwoord. Er is dus geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel en daarmee geen schending van een beginsel van behoorlijke procesorde. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het verweer verwerpt. Het OM is ontvankelijk in zijn vervolging.

4.4. Geen redenen voor schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De feiten en omstandigheden

Waar hierna wordt verwezen naar bewijsmiddelen betreft dit telkens processtukken, behorende bij het dossier tegen de verdacht[naam 5], APS, Gemeente Amsterdam, [[naam 6], [naam 7] en Trafigura. Waar in de hierna volgende voetnoten wordt verwezen naar de processtukken met rubrieknummer

'3', betreft dit telkens een proces-verbaal van verhoor getuige;

'4', betreft dit telkens een proces-verbaal van verhoor verdachte;

'5', betreft dit telkens een proces-verbaal van onderzoek of bevindingen;

'8', betreft dit telkens een proces-verbaal beslag;

'9', betreft dit telkens een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 onder 5 Sv;

tenzij dit in de voetnoot uitdrukkelijk anders is vermeld.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de gebruikte bewijsmiddelen zijn opgemaakt overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regels. Als het bewijsmiddel bestaat uit een verklaring die door een verdachte of getuige bij de rechter-commissaris wordt afgelegd, zal dit uitdrukkelijk worden vermeld.

Waar hierna wordt gesproken over [naam 5], APS, Gemeente Amsterdam, [naam 6], [naam 7] en Trafigura, wordt telkens bedoeld de hierboven genoemde medeverdachte met dezelfde naam.

5.1. Inleiding

5.1.1. De motortanker Probo Koala is een in 1989 in de vaart genomen schip gebouwd voor het vervoer van vaste en vloeibare stoffen en ook ingericht voor het vervoer van olieproducten van verschillende samenstelling.v Het schip behoorde in 2006 toe aan Prime Marine Management in Athene (Griekenland) en voer in charter voor Trafigura. Falcon Navigation, gevestigd te Athene (Griekenland) was belast met de dagelijkse leiding van schip en bemanning en kreeg opdrachten van daartoe bevoegden werkzaam bij Trafigura Ltd in Londen en Trafigura Beheer B.V.vi Vanaf 3 april 2006 tot 3 oktober 2006 was [naam 6] de kapitein van de Probo Koala. Hij was via een uitzendbureau voor zeelieden aangesteld.vii

5.1.2. Trafigura is een van de grootste onafhankelijke oliehandelaren ter wereld met een handelsvolume van ongeveer 2 miljoen barrels ruwe olie en olieproducten per dag. Daarnaast is Trafigura een wereldspeler als het gaat om het winnen en verhandelen van grondstoffen zoals ertsen en mineralen. Ook exploiteert Trafigura een aantal opslagfaciliteiten voor olieproducten.viii Trafigura heeft vanaf september 2005 van PMI Trading in Mexico afkomstige zware nafta aangekocht in Brownsville (VS).ix Deze nafta, die vervuild was met een hoog gehalte aan zwavelverbindingen (mercaptanen), kon door bewerking met caustic soda geschikt worden gemaakt als blendstock voor benzine. Eind december 2005 bleek deze nafta in grote hoeveelheden beschikbaar voor de markt.x Toen heeft Trafigura onderzoek gedaan naar geschikte locaties om de nafta te wassen met caustic soda. [naam 7] - werkzaam als benzineblender bij Trafigura - vervulde bij dat onderzoek een rol. Hij handelde in dezen voor Trafigura Ltd in Londen. De door hem verzonden e-mails werden door hem steeds als volgt ondertekend: "best regards, [naam 7], Trafigura Ltd, for and on behalf of Trafigura Beheer B.V."xi Uit door hem verricht onderzoek kwam in elk geval naar voren dat de wassingen konden plaatsvinden in La Skhirra (Tunesië) bij een daar gelegen raffinaderij van Tankmed. Uit het onderzoek dat [naam 7] deed bleek onder meer:

"Caustic washes are banned by most countries due to the hazardous nature of the waste (mercaptans, phenols, smell) and suppliers of caustic are unwilling to dispose of the waste since there are not many facilities remaining in the market."xii

5.1.3. In de periode tussen januari en maart 2006 vonden bij die raffinaderij twee wasoperaties plaats waarbij vanuit Brownsville afkomstige nafta, die per door Trafigura gecharterd schip (m/t Zadar en m/t Bow Prosper) naar Tunesië werd vervoerd, werd gewassen.xiii [naam 7] was degene die bij deze wasoperaties aan de raffinaderij de opdrachten gaf.xiv Tankmed berichtte [naam 7] dat er bij de tweede wasoperatie stankoverlast was ontstaan en dat er door de autoriteiten een onderzoek was opgestart. Nadien was Tankmed niet meer bereid om de wasoperatie uit te voeren en de lading waarmee de Probo Koala begin april 2006 naar de raffinaderij voer, werd daar ook niet gelost.xv

5.1.4. Ondertussen was Trafigura al aan het zoeken naar een mogelijkheid om op andere wijzen de ladingen te gaan wassen. Daarbij was het idee ontstaan deze wasoperaties aan boord van een schip uit te voeren dat over de daarvoor benodigde tanks en pompinstallaties beschikte.xvi De Probo Koala voldeed aan die eisen. Het uitvoeren van dit proces (het zogenaamde Merox-proces) had niet eerder aan boord van een schip plaatsgevonden. Bij dat proces, dat op raffinaderijen of op olievelden werd gedaan, worden de mercaptanen met caustic soda uit de naftafase of uit de benzinefase gewassen. De mercaptanen worden niet zozeer geoxideerd, als wel verwijderd.xvii Trafigura koos voor een strategische positie in de Middellandse Zee niet ver van Gibraltar. Enerzijds lag dat dichter bij Europa en de Baltische Staten waar veel van de te mengen ladingen vandaan kwamen en anderzijds dicht bij West Afrika, voor welke markt de met de blendstock te mengen ladingen uiteindelijk waren bestemd.

5.1.5. De eerste wassing aan boord van de Probo Koala vond plaats buitengaats ter hoogte van Malta in april 2006. In een e-mail van 7 september 2006 deed [naam 7] verslag van de wasoperaties die hadden plaatsgevonden aan boord van de Probo Koala. Voor wat betreft het gevolgde procede beschreef hij dat als volgt :

"(..) We performed a full STS operation to the Mt Probo Koala, (..) thereafter we added 50.000 litres ( 50cbms) of Caustic Soda ( MSDS attached) proportionately across all cargo tanks of Mt probo Koala ( using an injection pump/hoses to the upper level of the coker naphta from the top of the tank), thereafter circulated for 24hrs ( by transferring individual tank quantities to an empty tank to achieve the maximum inter-surface contact between Naphta and Caustic Soda ) and allowed the Naphta and Caustic to separate/settle and thereafter drained the "Used" caustic to the slop tanks.

In order to ensure that all of the caustic was stripped from the treated coker Naphta, we stripped more than the quantity of caustic added originally to each cargo tankk, to make best efforts that all caustic was stripped thus to ensure this may also stripped some of the treated naphta or any free water to the Slop Tanks. Thereafter (..) treated Naphta on board was used as a blendstock to make finished Gasoline."xviii

In een aantal e-mails is terug te vinden hoe de opdracht luidde die [naam 6] kreeg als het ging om het wassen van de aan boord genomen ladingen.xix

5.1.6. De hoeveelheid caustic soda die per lading moest worden toegevoegd, werd bepaald op 50 m3.xx Deze werd betrokken van de firma WRT, gevestigd te Amstelveen.xxi In totaal werd per bevoorradingschip op verschillende posities 200 ton caustic soda aan boord van de Probo Koala gebracht.xxii In de periode tussen april en eind juni 2006 is in elk geval 150 ton caustic soda voor de wassingen gebruikt. Op 26 juni 2006 kreeg [naam 6] opdracht om naar Amsterdam te varen.xxiii Op weg naar Amsterdam is aan boord van de Probo Koala op 27 juni 2006 het wassen van een lading nafta voortgezet waarbij 23 m3 caustic soda is gebruikt.xxiv

5.1.7. De uit Brownsville afkomstige ladingen werden steeds door middel van "ship to ship" (STS ofwel boord-boord) manoeuvres overgepompt naar de Probo Koala waarna de wasoperatie begon. Bij de wassingen die plaats vonden vanaf 12 april 2006xxv zijn aan boord van de Probo Koala in totaal ongeveer 544 m3 slops ontstaan.xxvi Die slops bestonden uit een complex mengsel van water met een extreme zuurgraad en een olieachtige vloeistof, beide verontreinigd met zeer specifieke componenten waaronder fenolen, disulfiden en mercaptanen. De waterlaag van de slops valt onder Euralcode 050111* (afval van brandstofzuivering met behulp van basen) en de olielaag onder Euralcode 130703* (overige brandstoffen inclusief mengsels).xxvii

5.1.8. Vanaf het moment dat Trafigura besloot het wasproces aan boord te laten plaatsvinden, is zij op zoek gegaan naar bedrijven die de slops konden verwerken. Een op Malta gevestigd bedrijf (Malta shipyards) bleek de slops niet te kunnen accepteren "due to the chemical content".xxviii Ook in Augusta (Italië) konden de aan boord ontstane slops niet worden afgegeven. Die mogelijkheid ontbrak eveneens in Gibraltar, omdat het vlampunt van de slops te laag bleek.xxix

5.1.9. Eind juni 2006 kreeg [naam 6] de opdracht van Trafigura (via Falcon Navigation) om op te stomen naar Paldiski (Estland) om daar benzinelading te lossen en benzine in te nemen voor de Nigeriaanse markt. Omdat Amsterdam op de route lag naar die havenstad, besloot Trafigura de haven van Amsterdam binnen te lopen om te bunkeren, een bemanningswissel uit te voeren en om de in de tanks aanwezige slops te lossen.xxx Daartoe werd contact opgenomen met APS als HOV van de gemeente Amsterdam. [naam 5] was directeur van dat bedrijf.

5.2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden

5.2.1. In juni 2006 heeft [naam 7] contact opgenomen met APS over de mogelijke afgifte van de slops aldaar.xxxi Naar aanleiding van eerdere telefoongesprekken met [naam 9] en [naam 8] van APS heeft [naam 7] op 20 juni 2006 een e-mail aan APS gestuurd met de volgende inhoud:

"Dear Mr [naam 8],

Following our telcon and to re-iterate we would like to dispose between 200-250 cbms os Gasoline Slops (Majority is Water, Gasoline, Caustic Soda).

This is currently stored in the slop tanks of our vessel, Mt Probo Koala which we would sil to the port of amsterdam and discharge.

Please confirm price and location/procedure of this operation

(..)."xxxii

5.2.2. [naam 9] van APS heeft in reactie op de aanvraag dezelfde dag twee offertes aan [naam 7] gemaild; één op basis van lossing direct aan de wal en één op basis van lossing in een lichter. Beide offertes vermeldden:

"With reference to your request, concerning the slopdisposal of abm. vessel, you herewith receive our offer als follows:

(...)

Product: Gasoline/caustic soda washings;

sediment < 1%; TOCl < 1000 ppm; COD < 2000 mg/l;

Quantity: Max. 250 cbm

(...)."xxxiii

5.2.3. Bij e-mail van 26 juni 2006 heeft [naam 7] aan APS laten weten dat de offerte werd geaccepteerd.xxxiv Uiteindelijk werd gekozen voor lossen van de slops in een lichter, zoals geadviseerd door Falcon Navigation.xxxv

5.2.4. Op 28 juni 2006 heeft Falcon Navigation het in Rotterdam gevestigde BMA aangesteld als scheepsagent voor de operatie in Amsterdam. Zij kreeg te horen dat de Probo Koala Amsterdam zou aandoen om brandstof te bunkeren, slops af te geven en 50 IBC's leeg van caustic soda te lossen.xxxvi Voor de afgifte van de 50 IBC's heeft APS op 30 juni 2006 op verzoek van BMAxxxvii offerte uitgebracht.xxxviii Van die offerte is uiteindelijk geen gebruik gemaakt.

5.2.5. Op 30 juni 2006 heeft BMA een 'Notification of ships waste and (remainders of) noxious substances' gefaxt aan de havenautoriteiten. Op dit formulier is ingevuld "1203 WATER" in de rubriek "Name of substance or UN number" en "554 m3" in de rubriek "Amount of waste to be delivered". Beide gegevens staan vermeld achter het vakje "Annex I Oily tank washings including cargo residue (specify name of substance or mixture)" in de rubriek "Type of waste".xxxix De gegevens zijn ingevuld door [naam 6], die het formulier per e-mail naar BMA heeft gestuurd.xl BMA heeft het formulier ondertekend 'as agents only'.xli

5.2.6. In de middag van 2 juli 2006 is de Probo Koala in Amsterdam gearriveerd. Zij is afgemeerd aan boei 4 in de Afrikahaven.xlii Om 19.30 uur is de lichter Main VII, een inzamelvaartuig van APS, langszij gekomen om de slops in te nemen. Om 20.00 uur is gestart met het overpompen. Om 22.00 uur was rond 250 m3 slops overgepompt in de Main VII, in tanks 1 en 3 stuurboord en 1 en 3 bakboord.xliii De Probo Koala wilde meer slops afgeven, maar op dat moment was de Main VII vol; haar andere tanks bevatten namelijk al eerder ingenomen ladingen. Afgesproken werd dat de Main VII eerst zou gaan lossen en daarna zou terugkomen om de rest van de slops van de Probo Koala in te nemen.xliv

5.2.7. Om 23.30 uur was de Main VII terug bij het terrein van APS.xlv [naam 10], operator bij APS, heeft kort daarna monsters genomen van de inhoud van de tanks van de Main VII.xlvi Deze monsters zijn direct gedeeltelijk geanalyseerd door [naam 8]. Uit een indicatieve meting bleek dat het CZV-gehalte van de slops uit de Probo Koala waarschijnlijk veel te hoog was voor APS om deze afvalstoffen te kunnen verwerken. Bovendien stonken ze.xlvii [naam 8] heeft daarom geen toestemming gegeven om de slops uit de Probo Koala te lossen op de installatie van APS.xlviii Hij heeft contact opgenomen met BMA om te vertellen dat de verwerkingskosten beduidend hoger zouden uitvallen, rond € 1000,- per ton.xlix [naam 8] heeft diezelfde nacht nog een e-mail met zijn bevindingen gestuurd aan zijn collega's [naam 11] en [naam 9].l In het lab van APS heeft hij een briefje achtergelaten voor de analist, die de door [naam 8] begonnen CZV-meting heeft voltooid.li De tanks van de Main VII met de Probo Koala-slops zijn afgesloten door middel van een ketting.lii

5.2.8. De volgende ochtend, 3 juli 2006, is er contact geweest tussen APS en BMA en tussen BMA en [naam 7]/Falcon Navigation over de verwerkingsprijs van de Probo Koala-slops.liii [naam 7] en APS zijn het over de prijs niet eens kunnen worden.liv Uiteindelijk werd aan BMA bericht:

"(...) We have instructed the slop barge to re-deliver the slop washings back to the vessel due to the high cost of delivery and processing at Amsterdam. Washings are to be kept onboard and shall be disposed off at next convenient opportunity."lv

5.2.9. In de loop van dezelfde ochtend hebben politie en brandweer zich gemeld op het terrein van APS naar aanleiding van meldingen van stank die bij APS vandaan zou komen. Op verzoek van [naam 5] kwam ook [naam 12], inspecteur van DMB, ter plaatse. Die waarschuwde op zijn beurt [naam 14] van het IMT.lvi Ook werd contact gezocht met de Havendienst Amsterdam.lvii Leden van het KLPD hebben een bezoek gebracht aan de Probo Koala, waar zij met [naam 6] hebben gesproken.lviii

5.2.10. [naam 5] wilde de slops terug laten pompen naar de Probo Koala.lix [naam 8] heeft bij de Havendienst een ontheffing aangevraagd voor de boord-boord overslag van 225 m3 waswater.lx De Havendienst heeft daarop contact opgenomen met het KLPD en met PSC. Die zagen geen reden waarom de ontheffing geweigerd zou moeten worden.lxi De ontheffing voor de boord-boord overslag is diezelfde dag verleend met de voorwaarde dat een dampretourleiding zou worden gebruikt. De ontheffing is om 20.28 uur naar APS en BMA gefaxt.lxii

5.2.11. In de avond van 3 juli 2006 hebben leden van het IMT monsters genomen van de inhoud van tanks 1 en 3 stuurboord en 1 en 3 bakboord van de Main VII, de tanks waarin zich de Probo Koala-slops bevonden.lxiii Ook [naam 12] was die avond weer op het terrein van APS aanwezig. Hij heeft aan [naam 5] meegedeeld dat de slops niet mochten worden teruggepompt in de Probo Koala.lxiv

5.2.12. Om 22.11 uur die avond is bij de Havendienst Amsterdam een fax binnengekomen van een anonieme afzender met de tekst:

"Graag wil ik U het volgende melden: het schip Probo Koala heeft 250 kuub 'slops' afgegeven aan de firma Aps. Deze slops zijn echter zwaar verontreinigt. APS nu gaat deze 'slops' weer teruggeven aan het schip minus 20 kuub zodat het schip hiervoor een ontvangstbewijs krijgt. De rederij vindt verwerking veel te duur. Er is aan boord nog een partij van 250 kuub zodat er straks een totale partij van 480 kuub zeer zwaar verontreinigde slops aan boord zijn. Ik vrees nu dat het schip, met het ontvangstbewijs voor 20 kuub in de hand, in de volgende haven zal verklaren dat de slops netjes zijn afgegeven in Amsterdam waarbij de 480 kuub tijdens de reis zijn 'verdwenen'. Ik verzoek u dringend om de scheepvaartinspectie in de volgende haven op de hoogte hiervan te brengen om te controleren of de slops nog aan boord zijn....

Ik doe U deze melding anoniem aangezien ik vrees voor mijn baan als bekend wordt dat ik dit heb gemeld. Ik vind het echter mijn plicht om U dit te melden..."lxv

5.2.13. De volgende dag, 4 juli 2006, hebben leden van het IMT monsters genomen van de sloptanks van de Probo Koala. Zij hebben bij die gelegenheid ook met [naam 6] gesproken.lxvi De monsters zijn, met de eerder bij APS genomen monsters, voor onderzoek opgestuurd naar het NFI.lxvii

5.2.14. APS heeft in het begin van de middag een fax aan DMB gestuurd waarin zij klaagde over het door DMB uitgevaardigde verbod op het terugpompen van de slops. APS drong in die fax aan op een spoedige oplossing, bij gebreke waarvan claims zouden kunnen volgen.lxviii Bij DMB zijn hierop de juristen aan het werk gezet met de vraag of APS de slops had geaccepteerd volgens haar vergunning. Ook heeft DMB contact gezocht met de VROM-inspectie en PSC. Geen der geraadpleegde instanties zag gronden om APS te verbieden de stoffen te retourneren dan wel mogelijkheden om de Probo Koala te verplichten haar slops af te geven. De juristen van DMB zijn tot de conclusie gekomen dat APS de slops niet had geaccepteerd.lxix

5.2.15. DMB heeft later in de middag nog een fax aan APS gestuurd waarin werd meegedeeld dat haar visie dat er niet was geaccepteerd vooralsnog niet werd gedeeld. In die fax is onder meer vermeld:

"(...) Naar verwachting zijn morgenmiddag (..) de analyseresultaten bekend van de door justitie genomen monsters die bij het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk worden onderzocht. In afwachting van dit resultaat mag u, gelet op het gestelde in artikel 10.37 Wet milieubeheer, deze slobs niet uit de inrichting afvoeren anders dan naar een erkende verwerker (...)."lxx

5.2.16. APS heeft beslag laten leggen op de bunkers van de Probo Koala.lxxi

5.2.17. In de avond van 4 juli 2006 zijn op verzoek van [naam 5] het sectorhoofd Milieutoezicht, [naam 4] en het hoofd Vergunningen, [naam 3], van DMB naar het terrein van APS gekomen voor een gesprek met [naam 5] en [naam 11].lxxii Na het gesprek waren [naam 4] en [naam 3] ervan overtuigd dat APS de slops niet had geaccepteerd. Hun conclusie was vervolgens dat het APS vrij stond de slops terug te pompen. [naam 4] heeft dit mondeling aan [naam 5] bevestigd, maar heeft daarbij wel de voorwaarden gesteld dat bij het terugpompen door een onafhankelijke derde moest worden gemeten of alle ingenomen slops ook weer zouden worden teruggegeven en dat APS € 125.000,- moest betalen als zou blijken dat er toch slops bij APS waren achtergebleven.lxxiii Deze afspraken zijn eerst vastgelegd in een conceptbrief maar pas bij brief van 12 juli 2006 officieel aan APS bevestigd. In die uiteindelijke brief is de 'dwangsom' van € 125.000,- niet teruggekomen. In die brief is onder meer vermeld:

"(...) Dit leidde tot de overall conclusie dat het niet aannemelijk te maken is dat er sprake is van acceptatie van de omstreden partij slop. Mijn medewerkers hebben u medegedeeld dat het verbod tot retourneren was opgeheven onder de voorwaarde dat (...)."lxxiv

5.2.18. Direct na de mondelinge mededeling van [naam 4] heeft APS Saybolt ingeschakeld om de tanks van de Main VII waarin de Probo Koala-slops zaten, te meten. Deze meting is verricht in de nacht van 4 op 5 juli 2006.lxxv Vroeg in de ochtend van 5 juli is het beslag op de bunkers van de Probo Koala opgeheven. Wegens problemen met het aansluiten van de dampretourleiding is pas aan het eind van de ochtend gestart met het terugpompen van de slops vanuit de Main VII naar de Probo Koala. Om 11.40 uur was de terugpompoperatie voltooid.lxxvi Uit het dossier blijkt niet dat (de gebruiker van de) Probo Koala viel onder de uitzonderingen genoemd in artikel 10.37 lid 2 Wm.

5.2.19. Het IMT en het OM raakten er in de loop van de ochtend van op de hoogte dat de slops werden teruggepompt, nadat twee agenten van het IMT rond 10 uur onverrichter zake waren teruggekeerd van hun opdracht de tanks van de Main VII te peilen, omdat het schip niet meer bij APS aan de kade lag.lxxvii

5.2.20. In de loop van de middag van 5 juli 2006 heeft de Probo Koala, met de slops weer aan boord, de haven van Amsterdam verlaten, richting Paldiski (Estland).lxxviii Op verzoek van PSC is in Estland door de havenautoriteiten aldaar gecontroleerd of de Probo Koala de slops nog steeds aan boord had. Dit bleek zo te zijn.lxxix

5.2.21. Vanuit Estland is de Probo Koala gevaren naar Lomé (Togo), waar zij op 30 juli 2006 is gearriveerd. Op 4 augustus 2006 is zij aangekomen in Lagos (Nigeria). Daar zijn twee mislukte pogingen gedaan de slops af te geven.lxxx In de middag van 17 augustus 2006 heeft de Probo Koala koers gezet richting Abidjan (Ivoorkust),lxxxi waar zij op 19 augustus 2006 is gearriveerd.lxxxii Daar zijn de slops gelost in vrachtwagens. Die hebben vervolgens hun lading op diverse plekken in en rond Abidjan achtergelaten.

6. Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

6.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

6.1.1. Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard en daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

6.1.2. In de ochtend van 3 juli 2006 werd bij APS de DAF opgestart en een monster genomen van de DAF-in. Uit het interne analyseformulier bleek dat het zwavel-waterstofgehalte meer dan 500 ppm bedroeg. Voorts vermeldde het formulier de opmerking "rare sterke geur". Het analyseformulier werd bij het werkoverleg van die ochtend gebruikt.

6.1.3. Er waren wel degelijk Probo Koala-slops richting de DAF gegaan, maar niemand heeft iets gedaan met die informatie terwijl er wel actie ondernomen had moeten worden. Pas toen de politie en de brandweer al een tijdje op het terrein aanwezig waren, meldde APS, bij monde van directeur [naam 5], dat er sprake was van het verwerken van "verkeerd spul". Hoewel [naam 5] ter plekke heeft verklaard dat de DAF direct na het opstarten, toen bleek van stank en/of emissie, is stilgelegd en hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de DAF om 10.00 uur is stilgelegd, blijkt volgens het OM uit politieonderzoek dat de feitelijke gang van zaken een andere is geweest. Kort gezegd komt het er op neer dat de DAF die ochtend 316 m3 afvalwater heeft verwerkt. De DAF verwerkt 65 à 70 m3 per uur, dus hij moet ruim 41/2 uur hebben aangestaan. [naam 10] heeft verklaard dat de DAF om 7 uur is opgestart. Uit deze gegevens volgt dat de DAF niet meteen na het opstarten, noch om 10 uur is stilgelegd.

6.1.4. Ondanks dat er stankproblemen werden waargenomen rond de DAF die gerelateerd werden aan de slops uit de Probo Koala en er een hoog H2S-gehalte werd gemeten, heeft APS geen actie ondernomen. Met het negeren van deze signalen werden ongewenste gevolgen voor de gezondheid en het milieu binnen en buiten de inrichting voor lief genomen. APS, onder leiding van [naam 5], heeft daarmee haar zorgplicht ten aanzien van gezondheid en milieu verzaakt.

6.2. Het standpunt van de verdediging

6.2.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat mocht het OM worden ontvangen in zijn vervolging, APS moet worden vrijgesproken van hetgeen haar onder 2 is ten laste gelegd.

6.2.2. Hiertoe heeft de verdediging - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat objectief bewijs voor (potentiële) nadelige milieugevolgen ontbreekt, dat pas later in de ochtend van 3 juli 2006 bleek dat vanuit de DAF emissie dan wel stank optrad en dat APS nadien tijdig heeft geacteerd, onder meer door de DAF stil te zetten.

6.2.3. Ten aanzien van het eerste argument - het ontbreken van bewijs voor (potentiële) nadelige milieugevolgen - heeft de verdediging betoogd dat de adviseur gevaarlijke stoffen van de brandweer te Amsterdam een H2S-waarde heeft gemeten van 3 ppm, hetgeen binnen de in de Wm-vergunning opgenomen voorschriften (maximaal 5 ppm) viel. Daarnaast was de H2S-meter van [naam 13], die alarm slaat bij een waarde groter dan 10 ppm, niet afgegaan toen [naam 13] op of rond de DAF liep, hetgeen een indicatie is dat de zwavelwaterstofwaarde buiten de DAF niet te hoog was. Voorts heeft de verdediging gewezen op de conclusie uit het concept NFI-rapport dat 'dit zou kunnen verklaren waarom APS-medewerkers op 3 juli niets of zo weinig hebben geroken dat ze geen actie hebben ondernomen', welke conclusie overigens op verzoek van opsporingsambtenaar [naam 14] uit de definitieve versie van het rapport is gehaald. Voorts bevinden zich in het dossier slechts verklaringen van getuigen over stank. Een objectieve vaststelling dat op 3 juli 2006 schade voor het milieu was of kon ontstaan, is niet mogelijk op basis van de zich in het dossier bevindende stukken. Ook heeft de verdediging betoogd dat het onwaarschijnlijk is dat de eventuele gezondheidsklachten van verbalisant [naam 14] en milieu-inspecteur [naam 12] zijn ontstaan door de gebeurtenissen op 3 juli 2006.

6.2.4. Ten aanzien van het tweede argument - dat pas later in de ochtend van 3 juli 2006 bleek dat vanuit de DAF emissie dan wel stank optrad - heeft de verdediging betoogd dat van enig nalaten geen sprake is geweest. Er zijn op 3 juli 2006 slechts twee stankklachten binnengekomen bij de politie. Aanvankelijk was die dag bij APS geen stank waarneembaar. Gezien de windrichting is dit ook aannemelijk; de uitstoot van de DAF waait bij oostenwind - die op 3 juli 2006 stond - van het terrein van APS af. Bovendien hoefde APS niet te veronderstellen dat de stankklachten werden veroorzaakt door de DAF, omdat de slops van de Probo Koala immers nog niet uit de Main VII aan wal waren gelost. De omstandigheid dat door medewerkers van APS verschillende verklaringen omtrent de (oorzaak van de) stank zijn afgelegd, onderschrijft dat zij aanvankelijk ook geen goede verklaring konden geven voor de stank en gissenderwijs hebben getracht om tot een verklaring te komen.

6.2.5. Ter onderbouwing van het laatste argument - dat APS wel onmiddellijk gehandeld heeft - is door de verdediging aangevoerd dat [naam 13], zodra hij wist dat sprake was van een hoge H2S-waarde, daarvan melding maakte tijdens het werkoverleg en de nodige maatregelen trof door chemicaliën toe te voegen ter voorkoming van stank. De stank was toen nog niet waarneembaar op het terrein van APS. Later, toen de stank wel waarneembaar was, werden diverse maatregelen genomen: de DAF werd uitgezet en er werd H2S-scavenger en hypochloriet toegepast.

6.2.6. De berekening van het OM dat er minstens 41/2 uur moet zijn 'gedaft' vindt geen steun in het dossier; niet duidelijk is wanneer precies de DAF is aangezet en hoeveel m3 er per uur is verwerkt. De 'avarage feed rate' van de DAF is weliswaar 72 m3/uur, maar, omdat het gaat om een gemiddelde, zou het kunnen dat er op 3 juli 2006 meer m3 per uur zijn verwerkt, aldus de verdediging.

6.2.7. De verdediging komt tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat APS, nadat gebleken was dat emissie of stank optrad, niet onmiddellijk onderzoek heeft ingesteld en/of de be- en/of verwerking van afvalwater niet onmiddellijk heeft gestaakt en dat APS van het haar onder 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

6.3.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

6.3.2. [naam 10] (operator bij APS) heeft verklaard dat hij in de nacht van 2 op 3 juli 2006 de tanks van de Main VII in tank 9 heeft gelost, uitgezonderd de tanks 1 bakboord en stuurboord en 3 bakboord en stuurboord. Dit betroffen de tanks waarin de slops van de Probo Koala opgeslagen waren.lxxxiii Deze tanks zijn direct na het laden met kettingen op slot gedaan door schipper [naam 15].lxxxiv

6.3.3. Op 3 juli 2006 tussen 9.00 uur en 10.00 uur kwamen er twee stankklachten binnen bij het servicepunt Subsidies, Handhaving en Vergunningen van de Provincie Noord-Holland die betrekking hadden op het Westelijk Havengebied te Amsterdam, zo blijkt uit gegevens van deze instantie.lxxxv

6.3.4. Vaststaat dat de DAF op het terrein van APS vroeg in de ochtend 3 juli 2006 is aangezet door [naam 10], zo volgt uit zijn verklaring.lxxxvi Uit het dagrapport van 3 juli 2006 blijkt dat er die dag 316 m3 vanuit tank 9 naar batchtank B2 is overgepompt. Voorts stond op het dagrapport 'H2S' vermeld.lxxxvii Uit analyse van het monster, genomen uit de eerste tank van de DAF, bleek dat het H2S-gehalte meer dan 500 ppm bedroeg.lxxxviii Dit was volgens [naam 13] (wachtchef) naar zijn zeggen zeer hoog en hij nam maatregelen door chemicaliën toe te voegen zodat de H2S niet meer te ruiken was.lxxxix Op een gegeven moment stond [naam 13] op de DAF en rook hij een geur die hij niet thuis kon brengen. Hij besloot de DAF direct uit te zetten.xc

6.3.5. Om 12.10 uur was [naam 16], de adviseur gevaarlijke stoffen van de brandweer, ter plaatse.xci Hij heeft verklaard dat toen hij benedenwinds aan kwam rijden, hij een lucht rook die hij kon thuisbrengen als een mercaptanenlucht. Deze lucht nam hij ook waar bij de DAF, die op dat moment volgens hem niet meer in bedrijf was.xcii [naam 17], bevelhebber bij de brandweer, heeft verklaard dat hij, toen hij op 3 juli 2006 op de plant van APS liep, geen geluiden heeft gehoord die erop wezen dat iets in bedrijf was. Wel kreeg hij het gevoel toen dat hij op het terrein van APS aankwam dat de installatie die de stank veroorzaakte nog in werking was.xciii [naam 5] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de DAF vroeg in de ochtend is opgestart en dat [naam 13] om een uur of tien tegen hem heeft gezegd dat het ging ruiken en dat hij de DAF ging stilzetten, of dat hij hem al had stilgezet en dat later aan hem heeft gemeld. De DAF werd naar zijn zeggen wel vaker uitgezet als het warm was en er een stank vanaf kwam die niet verantwoord was.xciv

6.3.6. De rechtbank is er door het onderzoek ter terechtzitting van overtuigd geraakt dat de slops die vanuit de Probo Koala in de Main VII gepompt zijn, niet in de DAF terechtgekomen zijn, afgezien van eventuele restanten uit de leidingen die bij het overpompen meegekomen zijn. [naam 5] heeft geopperd dat het heel wel mogelijk is dat de eventuele leidingrestanten van de slops van de Probo Koala tezamen met andere vloeistoffen in tank 9 gepompt zijn, waar zich reeds allerlei afvalstoffen in bevonden. Een deel hiervan kan in de DAF terechtgekomen zijn. Het is goed mogelijk dat daardoor de stankoverlast is ontstaan, aldus [naam 5]. Gelet op het feit dat praktisch evenveel is teruggepompt naar de Probo Koala als er in eerste instantie was afgeleverd, komt de redenering van [naam 5] de rechtbank waarschijnlijk voor. Ook het OM gaat er thans, nadat uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden, vanuit dat praktisch de gehele hoeveelheid afgeleverde afvalstoffen naar de Probo Koala is teruggepompt.

6.3.7. Dat er stank is ontstaan, staat vast. De verklaringen over de oorzaak daarvan lopen echter uiteen. De wachtchef bij APS, in dit geval [naam 13], had als taak het begeleiden van het waterzuiveringsproces binnen de inrichting van het begin tot het einde. Hieronder vallen onder meer de ontvangsttank (tank 9), de DAF en de batchtanks. Kortom, [naam 13] hield de kwaliteit van het afvalwater in de gaten tijdens het bewerkingsproces in de inrichting. Daartoe werden onder meer de ontvangsttanks en de DAF bemonsterd, zo heeft [naam 13] verklaard.xcv Dat [naam 13] ook op 3 juli 2006 het proces in de gaten hield, acht de rechtbank geloofwaardig. Hij had geen reden om dat niet te doen. Integendeel, slechte kwaliteit van het afvalwater zou juist betekenen dat de kosten van het waterzuiveringsproces zouden stijgen.

6.3.8. Gelet op de wijze van afsluiten van de tanks van de Main VII waarin de slops van de Probo Koala zich bevonden, het feit dat de wachtchef er niet op bedacht hoefde te zijn dat die slops in de DAF terecht zouden zijn gekomen, het gegeven dat [naam 13] een H2S-scavenger toevoegde op het moment dat hij zag dat het H2S-gehalte in de DAF veel te hoog was - hetgeen een gebruikelijke techniek in deze bedrijfstak is, wat ook niet is weersproken door het OM - en het feit dat [naam 13] de DAF heeft afgezet, is de rechtbank van oordeel dat er geen overtuigend bewijs is dat APS is doorgegaan met het be- of verwerken van het afvalwater, terwijl zij die be- en/of verwerking had moeten staken. Immers, niet is vast te stellen hoe laat de DAF precies is uitgezet. De mogelijkheid dat APS wel onmiddellijk de be- of verwerking heeft gestaakt, valt in redelijkheid niet uit te sluiten.

6.3.9. Op grond van het voorgaande kan eigenlijk onbesproken blijven of sprake was van (hoge) emissie van H2S. De rechtbank is niettemin van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat een objectieve meting heeft plaatsgevonden waaruit valt af te leiden dat de concentratie H2S die uit de DAF emitteerde hoger was dan gebruikelijk of toegestaan. Integendeel, de meting van [naam 16], waaruit blijkt dat sprake van een H2S-gehalte van 3 ppm, lijkt een contra-indicatie te zijn.xcvi

6.3.10. Samengevat is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat APS de be- en/of verwerking van het afvalwater niet onmiddellijk heeft gestaakt op het moment dat zij daar wel toe gehouden was. De rechtbank spreekt APS daarom vrij van hetgeen haar onder 2 is ten laste gelegd.

7. Waardering van het bewijs ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

7.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

7.1.1. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft het OM zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat APS houder was van en de feitelijke macht had over de slops van de Probo Koala op het moment van terugpompen naar de Probo Koala. Dit terwijl APS slechts gerechtigd was de slops af te geven aan een erkende verwerker. Het OM heeft zijn standpunt - zakelijk weergegeven - als volgt onderbouwd.

7.1.2. De voor APS geldende regels zijn te vinden in drie vergunningen:

* de inzamelvergunning;

* de aanwijzing havenontvangstvoorziening en

* de inrichtingsvergunning.

Het OM heeft - kort samengevat - gesteld dat het inzamelen en het verwerken als twee duidelijk te onderscheiden activiteiten moeten worden gezien. Bij APS-verwerker is slechts dan sprake van acceptatie als de afvalstoffen worden gelost in de inrichting. In onderhavige zaak is dat niet gebeurd. De slops zijn aan boord van de Main VII gebleven. APS-verwerker heeft de slops niet geaccepteerd. In de visie van het OM ligt dat anders voor APS-inzamelaar. Op grond van de inzamelvergunning van APS is APS-inzamelaar door de feitelijke inname van de slops van de Probo Koala in het inzamelschip de Main VII houder geworden van de slops. Met deze fysieke inzameling is de partij feitelijk geaccepteerd en daarom mocht APS slechts afgeven aan een erkende verwerker.

7.1.3. Artikel 10.37 Wm geldt uitsluitend voor gevaarlijk afval en voor bedrijfsafval. Het OM heeft aangevoerd dat de slops van de Probo Koala gevaarlijk afval in de zin van de Wm zijn. Dit blijkt uit de categorie van de Europese Afvalstoffenlijst (de zogenaamde Euralcode) waarmee de afvalstof aanvankelijk is aangeduid, alsook uit de categorie waaronder de afvalstof feitelijk had moeten worden geschaard.

7.1.4. In de visie van het OM kan APS zich niet verschuilen achter het feit dat de Gemeente Amsterdam (via DMB) toestemming heeft gegeven voor het terugpompen van de slops van de Main VII naar de Probo Koala. Van een professioneel afvalbedrijf als APS mag worden verwacht dat zij bekend is met de afvalregelgeving en haar eigen vergunningen kent en naleeft. Nu de vergunningen glashelder zijn - immers, op grond van de inzamelvergunning is sprake van acceptatie - had APS de afvalstoffen niet aan de Probo Koala mogen terugleveren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

7.2.1. Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging - kort samengevat - aangevoerd dat geen sprake is van acceptatie van de slops van de Probo Koala door APS. De verdediging wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2009, waarin geoordeeld is dat het moment van acceptatie in principe het moment is dat de afvalstof fysiek is aangeleverd op de inrichting en de gehele acceptatieprocedure is doorlopen.

7.2.2. In de onderhavige zaak zijn de slops niet fysiek op de inrichting van APS aangeleverd. Daarmee is niet voldaan aan het eerste criterium. Ook aan het tweede criterium, inhoudende dat de gehele acceptatieprocedure moet zijn doorlopen, is niet voldaan. De visie van het OM, namelijk dat het 'inzameldeel' van de acceptatieprocedure wel is doorlopen en dat APS-inzamelaar de afvalstof dus geaccepteerd heeft, is naar de mening van de verdediging onjuist. Volgens haar kan het inzameldeel van de acceptatieprocedure van APS niet los worden gezien van het verwerkingsdeel van die procedure, zoals door het OM gesteld. Het gaat er om dat de gehele acceptatieprocedure is doorlopen. Dat is in casu niet het geval, aangezien het verwerkingsdeel van de acceptatieprocedure niet is voltooid. Nu vaststaat dat APS de slops niet heeft geaccepteerd, is zij geen houder geworden van de slops en stond het haar vrij deze naar de Probo Koala terug te pompen.

7.2.3. Aan de hand van voornoemde uitspraak van de Raad van State kan de conclusie worden geformuleerd dat degene die de afvalstof teruglevert aan de ontdoener voordat hij die afvalstof heeft geaccepteerd, het verbod van artikel 10.37 lid 1 Wm niet overtreedt. Vrijspraak moet daarom volgen, aldus de verdediging.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

7.3.1. De redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank verwijst voor de redengevende feiten en omstandigheden naar de inhoud van rubriek 5.

7.3.2. De beoordeling van de bewijsmiddelen

7.3.2.1. Uit het feitenoverzicht in de rubriek 5 rubriek volgt dat vanuit de Probo Koala gevaarlijke afvalstoffen (de slops) zijn overgepompt in de Main VII, het inzamelvaartuig van APS, en dat later vanuit dat vaartuig die slops weer zijn teruggepompt naar de Probo Koala, terwijl de gebruiker van de Probo Koala niet viel onder de uitzonderingen genoemd in artikel 10.37 lid 2 Wm.

7.3.2.2. De rechtbank stelt voorop dat in het licht van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 2009 (LJN BJ6692) thans moet worden aanvaard dat bij teruglevering van afvalstoffen door de verwerker aan de ontdoener eerst sprake is van afgifte in de zin van artikel 10.37 Wm, indien de verwerker de afvalstoffen heeft geaccepteerd overeenkomstig de acceptatieprocedure uit de inrichtingsvergunning van de verwerker.

7.3.2.3. De rechtbank neemt als uitgangspunt dat op overeenkomstige wijze heeft te gelden dat indien een inzamelaar van gevaarlijke afvalstoffen deze aan de ontdoener teruglevert evenmin sprake is van afgifte zolang feitelijke acceptatie overeenkomstig de acceptatieprocedure in de inzamelvergunning niet heeft plaatsgevonden.

7.3.2.4. De acceptatieprocedure van de inzamelvergunning van APS is beschreven in bijlage 6 bij de aanvraag voor de inzamelvergunning.xcvii In die beschrijving wordt onderscheid gemaakt tussen een pre-acceptatie- en een acceptatiefase. De pre-acceptatiefase wordt erdoor gekenmerkt dat wordt ingezameld op basis van administratieve gegevens van de ontdoener en de productenlijst van APS. Er vindt in dit stadium geen analyse van monsters plaats. Ook in de acceptatiefase vindt geen analyse plaats van de ingezamelde afvalstof. Het acceptatiebeleid vermeldt met zoveel woorden: "De acceptatiefase start met de fysieke inzameling. Dan is de partij feitelijk al geaccepteerd. Teruglevering is niet meer mogelijk".

7.3.2.5. De verdediging heeft aangevoerd dat deze acceptatieprocedure een afwijking vormt van de randvoorwaarden uit de Richtlijn basis acceptatiebeleidxcviii die als Bijlage I bij de inzamelvergunning is gevoegd (hierna: de Richtlijn), en dat die afwijking niet is opgenomen in de lijst van toegelaten afwijkingen in artikel 7 lid 3 van de vergunningvoorwaarden. Artikel 7 lid 2 van de vergunningvoorwaarden bepaalt dat de beschrijving van de acceptatievoorwaarden die deel uitmaken van de vergunning moeten voldoen aan de Richtlijn, behoudens de goedgekeurde afwijkingen.

7.3.2.6. Juist is dat in de aanvraag deze wijze van inzameling van scheepsafvalstoffen door APS als Afwijking 1 wordt aangeduid én dat deze afwijking niet is opgenomen in artikel 7 lid 3 van de vergunningvoorwaarden.

Het OM heeft erop gewezen dat de Staatssecretaris in de overwegingen die deel uitmaken van de vergunning de door APS in de aanvraag genoemde Afwijking 1 niet als een afwijking heeft gekwalificeerd, zodat er voor opname in de lijst van toegelaten afwijkingen geen aanleiding bestaat. De verdediging heeft aangevoerd dat de Staatssecretaris ten onrechte deze door APS beschreven acceptatieprocedure niet als een afwijking heeft aangemerkt.

7.3.27. De Richtlijn bevat, voor zover hier van belang, de volgende voorschriften:

2.1 Het acceptatieproces

Maak ten aanzien van het acceptatieproces onderscheid in een vooracceptatiefase en een acceptatiefase. Ga daarnaast in ieder geval in op de volgende specifieke onderwerpen die bij de acceptatie van afval een rol spelen, te weten:

- het moment van feitelijke acceptatie; indien de afvalstoffen worden opgebulkt in het inzamelmiddel vindt de feitelijke acceptatie altijd plaats bij de fysieke afgifte van de afvalstof bij de ontdoener;

- de omvang van het acceptatieonderzoek.

Geef aan hoe omgegaan wordt met situaties waarbij de vooracceptatie niet plaatsvindt. Bij de inzameling van scheepsafvalstoffen zal de vooracceptatie vaak beperkt blijven tot een telefonische aanmelding van de afgifte en gelijktijdig een beperkt administratief onderzoek (controle aard en herkomst afvalstof). In deze gevallen moet minimaal zijn aangegeven dat de zaken opgenomen onder het onderdeel vooracceptatiefase onverkort van toepassing zijn op de acceptatiefase.

[..]

2.1.1.1 De vooracceptatiefase van een nieuwe afvalstof

[..]

Geef aan op welke gronden wordt beslist om als aanvulling op het administratieve onderzoek bij de vooracceptatie reeds een analytisch onderzoek uit te voeren en waar dit onderzoek uit bestaat. Maak daarbij een onderscheid in karakteristieke parameters, aanvullende parameters en overige parameters. Voor zover wordt aangegeven dat monsters voor analyse worden aangeboden aan de verwerker kan het vaststellen van deze parameters achterwege blijven.

Sluit hiertoe conform onderstaande tabel aan bij de gehanteerde risico-indeling.

[..]

Toelichting: bij scheepsafval kan in grote lijn de volgende indeling worden gehanteerd:

[...]

- De inhoud van sloptanks is per definitie hoog risico. Indien geen analyses aanwezig zijn dienen deze fracties gescheiden te worden ingezameld. In dat geval zijn analyses bij acceptatie niet verplicht.

2.1.2 De acceptatiefase

[..]

Geef aan welke werkzaamheden worden verricht om de tijdens de vooracceptatiefase verkregen informatie te verifiëren. De volgende activiteiten moeten hier in ieder geval deel van uit maken:

[..]

bij hoog risico een analytische controle van de karakteristieke en eventuele aanvullende parameters en voor zover noodzakelijk van de overige parameters; Indien de afvalstof gescheiden wordt ingezameld kan een analyse achterwege blijven. De betreffende analyse dient in dat geval door de verwerker te worden uitgevoerd. (toelichting: bij scheepsafvalstoffen vindt vooracceptatie en eindacceptatie veelal gelijktijdig plaats. In dat geval kan worden volstaan met dezelfde analytische controle).

[..]

Geef aan welke beslissingen worden genomen aan de hand van de tijdens de acceptatiefase verkregen informatie. Besteed in ieder geval aandacht aan:

- de definitieve beslissing omtrent acceptatie van de afvalstof (...)."

7.3.2.8. Uit de hiervoor aangehaalde beschrijving volgt dat voor scheepsafvalstoffen geldt dat acceptatie kan plaatsvinden zonder dat analyse heeft plaatsgevonden, mits

a) de afvalstoffen in het inzamelmiddel gescheiden worden ingezameld en

b) op enig moment analyse plaatsvindt door de verwerker.

Aan beide voorwaarden wordt in de door de APS beschreven acceptatieprocedure voldaan, zodat moet worden vastgesteld dat van een afwijking van de randvoorwaarden geen sprake is. Daaraan doet niet af dat in de voorwaarden is opgenomen dat:

"indien de afvalstoffen worden opgebulkt in het inzamelmiddel [..] de feitelijke acceptatie altijd plaats[vindt] bij de fysieke afgifte van de afvalstof bij de ontdoener".

Daaraan is immers niet te ontlenen dat acceptatie niet ook reeds kan plaatsvinden bij fysieke afgifte zonder dat wordt opgebulkt, voor welke methodiek door APS is gekozen.

7.3.2.9. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat APS zowel verwerker als inzamelaar is, niet zonder meer meebrengt dat de acceptatieprocedure van de Wm-vergunning ook geldt voor de acceptatie door APS als inzamelaar. APS heeft immers bij de inzamelvergunning nu juist gekozen voor een afwijkend regime, waarbij van analyse vóór acceptatie wordt afgezien, omdat analyses bij scheepsafval veelal niet kunnen worden afgewacht. Dat is ook uitdrukkelijk door APS in de aanvraag als reden voor de gekozen acceptatieprocedure opgegeven.

7.3.2.10. De conclusie moet dan zijn dat met de fysieke inzameling in het inzamelvaartuig de feitelijke acceptatie is voltooid en dat de teruglevering vanuit de Main VII aan de Probo Koala een afgifte is geweest in de zin van artikel 10.37 Wm, zodat kan worden bewezen verklaard hetgeen aan APS onder 1 is ten laste gelegd. Van enige vorm van medeplegen is overigens niet gebleken.

8. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat APS het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat die staan vermeld in de voetnoten 31 tot en met 82.

9. Bewezenverklaring

De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen en acht dan ook bewezen dat APS het onder 1 tenlastgelegde heeft begaan met dien verstande dat zij:

op 5 juli 2006 te Amsterdam opzettelijk, zich door afgifte aan Trafigura Beheer B.V. en/of (de kapitein van) het schip Probo Koala, heeft ontdaan van met het schip Main VII ingezamelde gevaarlijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen.

10. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

11. De strafbaarheid van de verdachte

11.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat APS strafbaar is voor het overtreden van artikel 10.37 Wm zoals is ten laste gelegd. Ten eerste is het OM van mening dat APS een professioneel afvalbedrijf is dat geacht moet worden bekend te zijn met de geldende regels en conform haar vergunningen dient te handelen. Ten tweede heeft het OM aangevoerd dat APS ten onrechte geen contact heeft gezocht met VROM en het IMT en dat zij DMB ten onrechte niet heeft gewezen op de inzamelvergunning en de aanwijzing HOV.

11.2. Het standpunt van de verdediging

11.2.1. De verdediging heeft betoogd dat mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde komen, APS moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat zij in deze zeldzame en juridisch zeer complexe situatie gerechtigd was af te gaan op de door DMB gegeven toestemming voor het terugpompen van de stoffen. APS had en heeft de overtuiging dat zij de afvalstof niet had geaccepteerd, omdat zij deze niet had verwerkt. Om die reden was zij gerechtigd de afvalstof aan de Probo Koala terug te geven. Te meer omdat zij daartoe uitdrukkelijk toestemming had gekregen van DMB, de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor handhaving, toezicht en vergunningverlening ingevolge de Wm.

11.2.2. De verdediging heeft de twee door het OM aangevoerde argumenten voor zijn stelling dat APS strafbaar is als volgt weersproken. Ten eerste heeft APS wel gehandeld volgens de voor haar geldende regels of heeft zij er in ieder geval verontschuldigbaar van mogen uitgaan dat zij dat deed. De verdediging heeft tegenover het tweede argument gesteld dat APS te maken had met verschillende instanties die als één overheid optraden. APS mocht er dus vanuit gaan dat die overheid met één mond tegen haar sprak. Dat APS DMB niet gewezen heeft op de inzamelvergunning en de aanwijzing HOV, kan haar volgens de verdediging niet worden tegengeworpen. DMB beschikte, als overheidsinstantie die is belast met toezicht en handhaving van artikel 10.37 Wm, immers over alle relevante vergunningen en aanwijzingen van APS.

11.3. Het oordeel van de rechtbank

11.3.1. Het beroep op afwezigheid van alle schuld wegens verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de (on)geoorloofdheid van de verweten gedraging slaagt.

11.3.2. Toen bij analyse van de monsters die APS uit de Main VII had genomen bleek dat deze niet voldeden aan de parameters voor verwerking heeft APS aan Trafigura laten weten dat zij voor de verwerking daarvan een aanzienlijk hogere prijs per ton in rekening moest brengen. Trafigura heeft laten weten niet bereid te zijn tot betaling van de door APS verlangde prijs en APS gevraagd de slops dan maar weer terug te pompen.

11.3.3. De gemeente heeft bij brief van 4 juli 2006xcix aan APS bericht dat zij met teruglevering aan boord van de Probo Koala niet akkoord ging op grond van artikel 10.37 Wm. Na overleg tussen de gemeente en APS heeft de gemeente op 4 juli 2006 's avonds aan APS bericht dat zij niet langer dat standpunt innam. Bij brief van 12 juli 2006c heeft de gemeente dat aan APS schriftelijk bevestigd.

11.3.4. Vastgesteld moet worden dat de gemeente, toen zij haar standpunt aan APS heeft overgebracht, kennelijk slechts oog heeft gehad voor de uit de Wm-vergunning voortvloeiende acceptatievoorschriften. Het OM heeft erop gewezen dat de gemeente weliswaar het bevoegd gezag was voor de Wm-vergunning, maar niet voor de inzamelvergunning. Die stelling is op zichzelf juist, maar de vraag die ter beantwoording voorlag, was niet of APS de vergunningsvoorwaarden van deze of gene vergunning overtrad, maar of zij al dan niet handelde in strijd met artikel 10.37 Wm.

11.3.5. De gemeente is ingevolge artikel 18.2d lid 2 sub b Wm belast met de bestuurlijke handhaving buiten een inrichting van de bij of krachtens hoofdstuk 10 Wm gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op het zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.37 Wm.

11.3.6. Naar het oordeel van de rechtbank mocht APS onder die omstandigheden afgaan op de mededelingen van de met de handhaving van de milieuwetgeving belaste ambtenaren van de gemeente dat zij bij teruglevering niet zou handelen in strijd met artikel 10.37 Wm.

11.3.7. APS zal op grond daarvan worden ontslagen van rechtsvervolging ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.

11.3.8. Op grond van het voorgaande behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren geen bespreking.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12. Beslissing

Verklaart het onder 2 partieel nietig voor zover het betreft de zinsnede

"niet onmiddellijk onderzoek [heeft] ingesteld naar de oorzaak van die emissie en/of stank, en/of",

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde voor het overige niet bewezen en spreekt APS daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat APS het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 9 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan APS meer of anders onder 1 is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt APS daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, Amsterdam Port Services B.V., voor het onder 1 bewezene niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.G. Bauduin, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en W.M. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. Cordia en N.C. van Geel, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2010.

i HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376.

ii HR 29 mei 1978, NJ 1978, 358, m.nt. Th.W.v.V. (Menten I).

iii HR 17 december 1985, NJ 1986, 591, HR 22 maart 1988, NJ 1989, 161. Zie ook HR 28 oktober 2003, LJN AL4369, 00562/03 B en Gerechtshof Arnhem 11 juli 2005, LJN AT 9295.

iv Zie bijvoorbeeld HR 13 september 1988, NJ 1989, 403.

v Gegevens Probo Koala, rubriek 9.01, doorgenummerde p. 1.

vi Rubriek 4.21, doorgenummerde p. 289 tot en met 291: verhoor [naam 26].

vii Rubriek 5.04, bijlage 5.4.9.1., doorgenummerde p. 49: crewlist Probo Koala.

viii "Trafigura; about us", overgelegd door de verdediging bij pleidooi.

ix Rubriek 4.19, doorgenummerde p. 270: verhoor [naam 19].

x E-mail van [naam 20] aan [naam 21] en [naam 22], d.d. 27 december 2005, bijlage bij bijlage 1 bij brief

d.d. 22 maart 2010 van de officier van justitie, toegevoegd aan het dossier op 16 maart 2010.

xi Zie bijvoorbeeld rubriek 9.27, map 3, doorgenummerde p. 7136: e-mail van [naam 7] aan [naam 9] d.d. 26 juni

2006.

xii Rubriek 5.102, doorgenummerde p. 46: e-mail van [naam 7] aan [naam 21] van 28 december

2005.

xiii Rubriek 9.27, map 1, doorgenummerde p. 6513: brief van Trafigura aan Tankage Mediterranee d.d.

17 maart 2006.

xiv Rubriek 9.23, doorgenummerde p. 6339 tot en met 6342: brief van Trafigura aan Tankage Mediterranee

d.d. 23 februari 2006.

xv Rubriek 9.27, map 2, doorgenummerde p. 6782: e-mail van [naam 23] aan [naam 7] d.d. 17 april 2006, rubriek

8.05, map 2, doorgenummerde p. 554: e-mail van [naam 19] aan [naam 24] d.d. 20 april 2006 en rubriek 5.72,

doorgenummerde p. 4163.

xvi Rubriek 8.05, map 2, doorgenummerde p. 511: e-mail van [naam 22] aan Chartering tankers d.d. 2

april 2006 en p. 513: e-mail van [naam 19] aan [naam 7], [naam 25], [naam 26] d.d. 31 maart 2006 en

rubriek 9.64, map 4, doorgenummerde p. 1121: e-mail van [naam 26] aan [naam 27], [naam 28],

[naam 29] d.d. 30 maart 2006.

xvii Verhoor van [naam 30] bij de rechter-commissaris d.d. 24 juni 2009.

xviii Rubriek 9.27, map 1, doorgenummerde p. 6519: e-mail van [naam 7] aan [naam 31] d.d. 7 september 2006.

xix Zie bijvoorbeeld rubriek 9.27, map 1, doorgenummerde p. 6477 tot en met 6479: e-mail van [naam 23] aan de

kapitein van Probo Koala c/o Athens ops d.d. 7 april 2006.

xx Rubriek 8.05, doorgenummerde p. 511.

xxi Rubriek 5.20, doorgenummerde p. 880.

xxii Rubriek 5.88, doorgenummerde p. 324: dossier rechtshulpverzoek Malta en rubriek 5.70,

doorgenummerde p. 4139 en 4141.

xxiii Rubriek 9.32, map 2, doorgenummerde p. 8934: e-mail [naam 26] aan Probo Koala d.d. 26 juni 2006.

xxiv Rubriek 9.32, map 2, doorgenummerde p. 8937: e-mail [naam 24] aan Probo Koala d.d. 27 juni 2006.

xxv Rubriek 5.88, doorgenummerde p. 327: dossier rechtshulpverzoek Malta en rubriek 5.90,

doorgenummerde p.67: uiteenzetting van de feiten door Saybolt.

xxvi Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 819: 'vessel ullage report' d.d. 2 juli 2006 en rubriek 5.71,

doorgenummerde p. 4158.

xxvii Rubriek 9.25, doorgenummerde p. 6397-6475: NFI rapport van 29 januari 2007, in het bijzonder bladzijden 19/63 en 20/63 van dat rapport.

xxviii Rubriek 5.90, doorgenummerde p. 82 en 83: e-mail van [naam 32] aan [naam 7] d.d. 10 april 2006.

xxix rubriek 5.90, doorgenummerde p. 79: e-mail van [naam 43] aan [naam 32] d.d. 10 april 2006.

xxx Rubriek 9.32, map 8, doorgenummerde p. 357:e-mail van [naam 33] aan Probo Koala d.d. 29 juni

2006.

xxxi Rubriek 4.06, doorgenummerde p. 120: verhoor [naam 7] bij politie op 18 december 2006.

xxxii Rubriek 9.09, doorgenummerde p. 112: e-mail [naam 7] aan [naam 8].

xxxiii Rubriek 9.09, doorgenummerde p. 105, 106 en 109: e-mail met bijlagen.

xxxiv Rubriek 9.09, doorgenummerde p. 109: e-mail [naam 7] aan [naam 9].

xxxv Rubriek 9.27, map 3, doorgenummerde p. 7126: e-mail [naam 24] aan [naam 7] "Better via STS".

xxxvi Rubriek 3.18, doorgenummerde p. 423-426: e-mail [naam 34] aan BMA d.d. 28 juni 2006.

xxxvii Rubriek 4.02, doorgenummerde p. 32: verhoor [naam 9].

xxxviii Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 789: offerte.

xxxix Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 808: Notification of ships waste and (remainders of) noxious substances.

xl Rubriek 4.16, doorgenummerde p. 207: verhoor [naam 6]: "ik kreeg van dit bedrijf mail met als

bijlage een formulier. Ik moest dat formulier invullen en aangeven welke afvalstoffen de Probo Koala in

Amsterdam af zou geven. Ik heb vervolgens dit formulier samen met het begeleidende mailtje naar dat bedrijf

Gemaild."

xli Verhoor [naam 35] bij de rechter-commissaris op 9 juli 2009, p. 8.

xlii Rubriek 5.32, doorgenummerde p. 2704: routeoverzicht van een vaartuig.

xliii Rubriek 5.12, doorgenummerde p. 535 en 554: tankenplan d.d. 2 juli 2006, bijlage bij proces-verbaal

bevindingen.

xliv Rubriek 3.05, doorgenummerde p. 72: verhoor [naam 36].

xlv Rubriek 9.06, doorgenummerde p. 96: werkbon APS d.d. 2 juli 2006.

xlvi Rubriek 3.07, doorgenummerde p. 109: verhoor [naam 10].

xlvii Verhoor [naam 8] bij rechter-commissaris op 18 augustus 2009, p. 12.

xlviii Rubriek 4.01, doorgenummerde p. 6 en 7: verhoor [naam 8].

xlix Rubriek 3.31, doorgenummerde p. 517: verhoor [naam 36].

l Rubriek 9.12, doorgenummerde p. 236: e-mail van [naam 8] aan [naam 11] d.d. 3 juli 2006.

li Verhoor [naam 37] bij rechter-commissaris op 14 mei 2009, p. 4.

lii Rubriek 3.07, doorgenummerde p. 112: verhoor [naam 10].

liii Rubriek 3.11, doorgenummerde p. 210: verhoor [naam 11], rubriek 3.17, doorgenummerde p. 413:

verhoor A.A. [naam 33] en rubriek 3.31, doorgenummerde p. 517: verhoor [naam 36].

liv Rubriek 3.11, doorgenummerde p. 211: verhoor [naam 11].

lv Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 836: e-mail van [naam 24] aan BMA van 3 juli 2006.

lvi Verhoor [naam 12] bij rechter-commissaris op 11 maart 2009, pag. 6.

lvii Rubriek 5.01, doorgenummerde p. 1, 3 en 5.

lviii Rubriek 5.07, doorgenummerde p. 210 tot en met 212.

lix Verklaring van verdachte [naam 5] zoals afgelegd ter terechtzitting van 3 juni 2010 en toegevoegd

aan alle dossiers.

lx Rubriek 3.22, doorgenummerde p. 457 en 458: verhoor [naam 38] en verhoor [naam 38] bij rechter-commissaris

van 26 maart 2009, p. 4.

lxi Verhoor [naam 38] bij rechter-commissaris op 26 maart 2009, p. 4, 8 en 9.

lxii Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 809: ontheffing.

lxiii Rubriek 5.03, doorgenummerde p. 38 tot en met 40.

lxiv Rubriek 3.10, doorgenummerde p. 134: verhoor [naam 12] en verhoor [naam 12] bij rechter-

commissaris op 11 maart 2009, p. 14.

lxv Rubriek 5.06, doorgenummerde p. 209: anonieme fax.

lxvi Rubriek 5.04, doorgenummerde p. 41 tot en 48.

lxvii Rubriek 5.04, onder bijlage 5.4.9.1., doorgenummerde p. 181 tot en met 188: aanvraag onderzoek.

lxviii Rubriek 9.13, doorgenummerde p. 296 en 297: fax van APS aan DMB d.d. 4 juli 2006.

lxix Rubriek 9.42, doorgenummerde p. 12161 tot en met 12165 en rubriek 9.13 p. 294 (e-mail van [naam 39] aan

[naam 4] van 4 juli 2006, waarin is vermeld: "conclusie: APS heeft de partij niet geaccepteerd").

lxx Rubriek 9.13, doorgenummerde p. 290: fax van DMB aan APS d.d. 4 juli 2006.

lxxi Rubriek 9.17, doorgenummerde p. 814 tot en met 817: verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag.

lxxii Verhoor [naam 40] bij rechter-commissaris op 10 maart 2009, p. 26 en nader verhoor verdachte

[naam 5] bij rechter-commissaris op 8 december 2009, p. 29.

lxxiii Verhoor van [naam 40] bij rechter-commissaris op 10 maart 2009, p. 28.

lxxiv Rubriek 9.13, doorgenummerde p. 282 en 283: brief van DMB aan APS d.d. 12 juli 2006.

lxxv Rubriek 5.21, doorgenummerde p. 888: bijzonderhedenlijst Saybolt, met vermelding van tijdstippen.

lxxvi Rubriek 5.18, doorgenummerde p. 820: statement of facts wet mode van de Probo Koala.

lxxvii Rubriek 5.09, doorgenummerde p. 220.

lxxviii Rubriek 9.27, map 3, doorgenummerde p. 7170: e-mail BMA aan [naam 7] d.d. 5 juli 2006 en rubriek 9.18,

doorgenummerde p. 767: logboek Probo Koala.

lxxix Verhoor [naam 41] bij de rechter-commissaris op 24 september 2009, p. 4 en verhoor [naam 42] bij de

rechter-commissaris op 24 juni 2009, p. 4.

lxxx Rubriek 9.27, map 3, doorgenummerde p. 7406: e-mail [naam 43] aan o.a. [naam 24] d.d. 10 augustus 2006 en

rubriek 9.32, map 1, doorgenummerde p. 8387: e-mail van de Probo Koala aan [naam 26] d.d. 17 augustus

2006.

lxxxi Rubriek 9.32, map 1, doorgenummerde p. 8385: e-mail van [naam 26] aan de Probo Koala d.d. 17 augustus

2006.

lxxxii Rubriek 9.23, doorgenummerde p. 6148: Notice of Readiness.

lxxxiii Verhoor getuige [naam 10], rubriek 3.07, doorgenummerde p. 109.

lxxxiv Verhoor getuige [naam 15], rubriek 3.06, doorgenummerde p. 92.

lxxxv Bijlage bij p.v. van bevindingen rubriek 5.46, doorgenummerde p. 2999.

lxxxvi Verhoor getuige [naam 10], rubriek 3.07, doorgenummerde p. 112.

lxxxvii Dagrapport 3-7-2006 bijlage bij p.v. van bevindingen, rubriek 5.14, doorgenummerde p. 690.

lxxxviii Intern analyseformulier d.d. 3 juli 2006, bijlage p-v van bevindingen, rubriek 5.10.91, doorgenummerde p. 313.

lxxxix Verhoor [naam 13], rubriek 3.04, doorgenummerde p. 39.

xc Verhoor [naam 13], rubriek 3.04, doorgenummerde p. 39.

xci Incidentrapport advies gevaarlijke stoffen, rubriek 5.11, doorgenummerde p. 29.

xcii Verhoor getuige [naam 16], rubriek 3.14, doorgenummerde p. 242.

xciii Verhoor [naam 17], rubriek 3.15, doorgenummerde p. 244 en 245.

xciv Nader verhoor verdachte [naam 5] bij de rechter-commissaris, p. 10.

xcv Verhoor getuige [naam 13], rubriek 3.04, doorgenummerde p. 33.

xcvi Incidentrapport advies gevaarlijke stoffen, rubriek 5.11, doorgenummerde p. 29.

xcvii Inzamelvergunning APS rubriek 9.19 p. 5825 ev.

xcviii Inzamelvergunning APS rubriek 9.15 p. 959 ev.

xcix Rubriek 9.13, doorgenummerde p. 290 en 291: brief van DMB aan APS.

c Rubriek 9.13, doorgenummerde p. 282 tot en met 284: brief van DMB aan APS.

Parketnummer: 13/846006-08

Inzake: Amsterdam Port Services B.V.