Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN2008

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2010
Datum publicatie
04-08-2010
Zaaknummer
13/528786-09 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van zes jeugdige verdachten, in de leeftijd van 16 tot 20 jaar, voor meerdere gewapende overvallen, straatroven en openlijk geweld gepleegd in Amsterdam-Noord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/528786-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 6 juli 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,

wonende op het adres [adres],

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 juni 2010 en 22 juni 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. N. Velthorst en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

Feit 1, zaak D6:

hij op of omstreeks 25 oktober 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 590 Euro, althans enig geldbedrag , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [restaurant], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam 1] en/of een of meer andere medewerkers van restaurant [restaurant] en/of een of meer klanten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-aan voornoemde [naam 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht (gehouden) heeft/hebben op die, zich in verdachtes onmiddelijke nabijheid bevindende [naam 1] en/of

-(daarbij) heeft/hebben gezegd: "geld, geld, geld" en/of "zo weinig" en/of "waar is de rest?", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

waarna verdachte en/of zijn mededader(s) met voornoemd vuurwapen, althans een

op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben geschoten in de muur van

voornoemd restaurant;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 25 oktober 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 590 Euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [restaurant], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

-aan voornoemde [naam 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben getoond en/of dat vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht (gehouden) heeft/hebben op die, zich in verdachtes onmiddelijke nabijheid bevindende [naam 1] en/of

-(daarbij) heeft/hebben gezegd: "geld, geld, geld" en/of "zo weinig" en/of "waar is de rest?", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, waarna verdachte en/of zijn mededader(s) met voornoemd vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben geschoten, tengevolge waardoor verdachte en/of zijn mededaders (tevens) een dreigende situatie heeft/hebben doen ontstaan voor de medewerkers en/of de klanten van restaurant [restaurant];

(art 317 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2, zaak D1:

hij op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam,in elk geval in Nederland, op de [straat], in ieder geval op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bestelling (bestaande uit onder meer eten en/of sigaretten en/of bier) en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [naam 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en / of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), voornoemde [naam 3]

-eenmaal of meermalen heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of

-heeft/hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en/of "Pak het, pak het", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam,in elk geval in Nederland, op de [straat], in ieder geval op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [naam 3] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een bestelling (bestaande uit onder meer eten en/of sigaretten en/of bier) en/of een geldbedrag van (in totaal 355,95 euro) in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s), voornoemde [naam 3]

-eenmaal of meermalen heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of

-heeft/hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en/of "Pak het, pak het", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en/of

-die [naam 3] om geld heeft/hebben gevraagd;

(artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

een of meer tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op [straat], in ieder geval op of aan de openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestelling (bestaande onder meer uit eten en/of sigaretten en/of bier) en/of een geldbedrag, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, voornoemde [naam 3]

-eenmaal of meermalen heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of

-heeft/hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en/of "Pak het, pak het", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door een bestelling te plaatsen bij snackbar [snackbar], tengevolge waarvan die [naam 3] zich in de richting van verdachte en/of zijn mededader(s) heeft begeven;

(artikel 312 jo. 48 Wetboek van Strafrecht)

en/of

een tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op [straat], in ieder geval op of aan de openbare weg, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld [naam 3] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een bestelling (bestaande uit onder meer eten en/of sigaretten en/of bier) en/of een geldbedrag van (in totaal) 355,95 euro, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededaders, voornoemde [naam 3]

-eenmaal of meermalen heeft/hebben geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt en/of

-heeft/hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en/of "Pak het, pak het", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 10 november 2009 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door een bestelling te plaatsen bij snackbar [snackbar], tengevolge waarvan die [naam 3] zich in de richting van verdachte en/of zijn mededader(s) heeft begegeven;

(artikel 317 jo. 48 Wetboek van Strafrecht)

Feit 3, zaak D5:

hij op of omstreeks 26 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een of meer geldbedragen, in elk geval enig goed/geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [restaurant] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of een of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en / of vergezeld en / of gevolgd van geweld en / of bedreiging met geweld tegen [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en / of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

-een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen

en/of

-(vervolgens) aan vernoemde [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden

en/of

-bij voornoemd vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp de vinger tegen de trekker heeft/hebben gehouden en/of met voornoemd mes op tafel heeft/hebben geslagen en/of

-(daarbij) heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "geld, geld" en/of "zitten, zitten" en/of "Geld, geld, geld of ik steek je dood" en/of "Overval" en/of Geld, portemonnee, telefoons", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij op of omstreeks 26 november 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam 1] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s),

-een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand heeft/hebben genomen

en/of

-(vervolgens) aan vernoemde [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] en/of [naam 7] en/of [naam 8] en/of [naam 9] en/of [naam 10] heeft/hebben getoond en/of voorgehouden

en/of

-bij voornoemd vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp de vinger tegen de trekker heeft/hebben gehouden en/of met voornoemd mes op tafel heeft/hebben geslagen

en/of

-(daarbij) heeft/hebben gezegd/geschreeuwd: "geld, geld" en/of "zitten, zitten" en/of "Geld, geld, geld of ik steek je dood" en/of "Overval" en/of Geld, portemonnee, telefoons", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(art. 317 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in haar vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd aan de hand van haar op schrift gestelde requisitoir. Ten aanzien van feit 1, zaak D6 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte zeer veel weet te vertellen over de overval, dat er indicaties zijn dat verdachte erbij betrokken was, maar dat niet is uit te sluiten dat verdachte het niet was. De officier van justitie heeft dientengevolge vrijspraak gevorderd van dit feit.

Ten aanzien van feit 2, zaak D1 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het medeplegen van dit feit, aangezien verdachte in een groepje werd gevraagd om te bellen naar de snackbar om de bestelling te plaatsen en het volkomen ongeloofwaardig is dat verdachte niet wist dat de bezorger zou worden overvallen.

Ten aanzien van feit 3, zaak D5 heeft de officier van justitie gevorderd dat zal worden bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft begaan, gelet op het feit dat verdachte heel veel details heeft kunnen vertellen over wat er tijdens de overval is gebeurd, de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat verdachte de vierde dader was naast hen en [medeverdachte 3], vanwege het feit dat de moeder van verdachte hem voor 80% herkent op de beelden van de overval en vanwege het feit dat de dader het vuurwapen in zijn rechterhand houdt waar verdachte rechtshandig is, terwijl [medeverdachte 4], de persoon van wie verdachte zegt dat hij de dader is, linkshandig is.

3.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft feit 1, zaak D6 ontkend.

Ten aanzien van feit 2, zaak D1 heeft verdachte verklaard naar de snackbar te hebben gebeld voor het plaatsen van een bestelling voorafgaand aan de beroving van de koerier.

Ten aanzien van feit 3, zaak D5 heeft verdachte medeplichtigheid bekend, te weten dat verdachte het wapen na afloop van de overval zou hebben verborgen.

Ten aanzien van feit 1, zaak D6 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het chatverkeer in de periode van de overval op het eerste gezicht verdacht lijkt, maar dat er veel haken en ogen aan zitten, waardoor het niet als redengevend bewijs kan meewerken. Verder is er geen ander (technisch) bewijs.

Ten aanzien van feit 2, zaak D1 heeft de raadsman primair vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van voldoende (voorwaardelijk) opzet op de beroving. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat slechts de medeplichtigheid-variant kan worden bewezen en niet de medeplegen-variant, aangezien geen sprake was van een gezamenlijk plan, de buit niet met verdachte is verdeeld en verdachte niet actief heeft deelgenomen aan de agressieve beroving.

Ten aanzien van feit 3, zaak D5 heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van dit feit. Het is niet ondenkbaar dat sprake is van een samenzwering tegen verdachte door de medeverdachten en dat zij daarmee [medeverdachte 4] uit de wind proberen te houden. Met betrekking tot de medeplichtigheid van dit feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hieronder zakelijk weergegeven feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.

De rechtbank zal eerst per feit/ zaak de feiten en omstandigheden aan de hand van de aanwezige bewijsmiddelen bespreken. Voorts zal de rechtbank ingaan op de verklaringen van verdachte en de betrouwbaarheid daarvan. Daarna zal de rechtbank concluderen wat dit voor de bewezenverklaring van de feiten tot gevolg heeft.

3.3.1. De feiten en omstandigheden

Ten aanzien van feit 1, zaak D6.

Op 25 oktober 2009 omstreeks 19.20 uur vindt een gewapende overval plaats op [restaurant] aan de [adres] te Amsterdam. Drie overvallers komen met bivakmutsen over hun hoofd het restaurant binnen, waarbij één van hen een vuurwapen heeft. De dader met het vuurwapen houdt deze in zijn rechterhand en houdt dit op de directeur van het restaurant, de heer [naam 1], gericht. De heer [naam 1] is met zijn handen op zijn hoofd geknield achter de balie op de grond gaan zitten. Ook de gasten en personeelsleden zijn op de grond en onder de tafels gaan zitten. De daders nemen het geld, te weten 590 euro, uit de bakjes op de uitgiftebalie mee. Voorts lossen zij een schot. Een van de daders zegt iets in de trant van “Jullie hebben je goed gedragen. Fijne avond verder. Tot ziens” tegen de aanwezige klanten en personeelsleden, waarna de daders het restaurant verlaten.

Verdachte heeft op 16 december 2009 bij de politie over deze overval uitgebreid verklaard. Verdachte heeft verklaard dat deze overval niet door hem zou zijn gepleegd doch door [medeverdachte 1] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1], wiens roepnaam [medeverdachte 1] is), [medeverdachte 5] de Palestijn (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 4], ook wel [medeverdachte 4] genoemd). Eén van hen zou hierbij een echt pistool hebben gehad. Dat zou [medeverdachte 5] of [medeverdachte 4] zijn geweest. Het vuurwapen, een pistool waarin 9 mm kogels gaan, zouden zij van [naam 11] (naar de rechtbank begrijpt [naam 11]) hebben geleend. Zij zouden aan verdachte hebben verteld dat al het personeel en de klanten op de grond gingen liggen en dat zij in de zaak hadden geschoten om de mensen te laten schrikken. [medeverdachte 4] zou op het laatst iets hebben gezegd als “Jullie allemaal bedankt voor jullie medewerking” tegen de aanwezige klanten en het personeel. De buit zou iets van 300 à 400 euro zijn geweest.

Ter terechtzitting is verdachte bij deze verklaring gebleven.

Op de plaats delict is op de vloer tussen de ingang en de bar/ balie een huls aangetroffen en inbeslaggenomen. Vanaf de bar/ balie gezien, zat rechts naast de ingang een perforatie in de muur, vermoedelijk veroorzaakt door de kogel welke was verschoten tijdens de overval.

De huls is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht. Het NFI heeft geconcludeerd dat de huls vermoedelijk is verschoten met een semi-automatisch pistool van het merk FEG, model PA-63, kaliber 9mm Browning Kort of met een pistool dat hiervan is afgeleid.

Op 11 januari 2010 zijn door de regiopolitie Zaanstreek/Waterland, gemeente Purmerend, twee verdachten aangehouden, te weten [naam 11] en [naam 12], terzake bezit vuurwapen. Het vuurwapen werd aangetroffen een inbeslaggenomen onder [naam 12]. Door inspecteur van politie [naam 13], in zijn hoedanigheid als vuurwapendeskundige, is nader onderzoek naar het inbeslaggenomen wapen verricht. Daaruit bleek dat het ging om een merkvervalsing, maar dat het ging om een pistool van het merk FEG, model PA-63, kaliber 9 mm kort.

Het NFI heeft voorts een vergelijkend kogel- en hulsonderzoek verricht naar voornoemde inbeslaggenomen huls en pistool. Het NFI komt tot de conclusie dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inbeslaggenomen huls is verschoten uit het inbeslaggenomen pistool, dan dat dit uit een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber met dezelfde systeemkenmerken als het inbeslaggenomen pistool is verschoten.

Op 25 oktober 2009, enkele uren vóór de overval heeft verdachte gechat met zijn toenmalige vriendin [naam 14]. Verdachte heeft onder meer de volgende teksten gechat: “ik ga kijke misschien heb ik wel een torie vandaag hoop ik op geld”, om 13.46 uur. En om 14.31 uur: “ [naam 14] ik heb die pipa in gebruik he” (noot verbalisant: Pipa is straattaal voor pistool). “Misschien ga ik een goeie buit make vanavond”. Als [naam 14] verdachte waarschuwt dat hij zich niet moet laten pakken, antwoordt verdachte: “Nee ik ben te slim daarvoor. Als ik met mooie flappen komt zal je blij zijn.” Voorts chat verdachte: “Dus laat mij maar effe de piraat spelen.” en “ik ga vanavond een goeie busniss doen”. De volgende dag, op 26 oktober 2009 chat [naam 14] met [naam 15]. [naam 14] chat onder meer de volgende teksten: “[naam 16] had vanmiddag geld gebracht voor die kleine” en “[naam 16] heb morge geld dus die neemt me mee winkele”. Op 30 november 2009 chat [naam 14] met [naam 17]. Zij chat dan onder meer: “pleegt nu overvalle en shit he [naam 16] hij heb een pistool nu ook op zak”. Op 3 december 2009 chatten verdachten en [naam 14] wederom met elkaar. [naam 14] chat dan onder meer naar verdachte: “wist je dat je voor wapenbezit minstens 5 jaar krijgt in nederland" en “Als jij me spullen geeft dan hou ik me mondje. Net als dat chinese restaurant he guil”.

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte rechtshandig is en dat [medeverdachte 4] linkshandig is en dat aangever [naam 1] heeft verklaard dat de dader het vuurwapen in zijn rechterhand hield.

Ten aanzien van feit 2, zaak D1 primair.

Op 10 november 2009 wordt telefonisch een bestelling voor diverse gerechten, bier en sigaretten gedaan bij snackbar [snackbar] voor het [straat]s] te Amsterdam. Wanneer de bezorger, [naam 3], daar aanbelt, komt er een man op hem aflopen die zijn gezicht heeft bedekt met een witte sjaal met zwarte strepen. De man gebiedt de bezorger te gaan liggen en wanneer de bezorger hem een trap op zijn been geeft om aan de bedreigende situatie te ontkomen, maakt de man een slaande beweging naar het gezicht van de bezorger en raakt hem daarbij in zijn nek. Tevens geeft de man de bezorger een trap tegen zijn rechterbeen. De man steekt zijn hand in zijn zak, alsof hij daar een wapen heeft. De man gebiedt de bezorger wederom te gaan liggen en vraagt hem om geld. Vervolgens komt er een tweede man aanlopen, die eveneens zijn hand in zijn zak heeft en ook dreigt alsof er een wapen in zat. Deze man gebiedt de bezorger zijn geld te pakken. De bezorger geeft hem het geld uit zijn zakken. De man met de witte sjaal pakte het eten en de andere man pakte het laatste geld van de grond. Daarna lopen zij weg.

In totaal is voor € 66,05 aan eten, € 269,90 aan inkomsten van eerdere bezorgingen en € 20,= aan wisselgeld weggenomen door, dan wel afgegeven aan de daders.

De bestelling bij snackbar [snackbar] is gedaan met een gestolen telefoon met imeinummer [nr], met een simkaart voorzien van nummer [06-nr]. Uit onderzoek is zeer aannemelijk geworden dat de bestelling bij de snackbar door verdachte is geplaatst.

Verdachte heeft bekend de bestelling telefonisch bij snackbar [snackbar] te hebben geplaatst. Verdachte zou dit op verzoek van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben gedaan, met een telefoon van één van hen. Verdachte had enerzijds het gevoel dat zij de bezorger wilden beroven, omdat zij geen geld op zak hadden. Anderzijds dacht verdachte dat zij mogelijk met de bezorger hadden afgesproken dat zij gratis eten van hem zouden krijgen, omdat zij hem kenden. Verdachte zou met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] mee zijn gegaan naar de [straat], omdat hij nieuwsgierig was wat zij precies zouden gaan doen. Verdachte zou tijdens de beroving op een bankje hebben gezeten en niet aan de beroving hebben meegedaan. Tevens zou verdachte niets van de buit hebben gekregen, aldus verdachte.

Ten aanzien van feit 3, zaak D5.

Op 26 november 2009 omstreeks 19.45 uur vindt wederom een gewapende ove[restaurant] aan de [adres] te Amsterdam. Vier overvallers komen het restaurant binnen, alwaar één van hen de aanwezige personeelsleden en de gasten bedreigt met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en twee van de overvallers de aanwezige personeelsleden en gasten bedreigen met een mes. De overvallers nemen een rood geldkistje met daarin 30 euro weg en persen de klanten geldbedragen en een portemonnee met inhoud af.

De rechtbank heeft op de camerabeelden van [restaurant] waargenomen dat vier jonge mannen voor de deur van het restaurant hun hoofden bedekken, het restaurant binnengaan, waarbij één van de overvallers een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft en twee van de overvallers een mes. De rechtbank neemt waar dat één van de overvallers over de toonbank springt en de anderen in het restaurant rondlopen.

Verdachte heeft op 16 december 2009 bij de politie ook over deze overval uitgebreid verklaard. Verdachte heeft verklaard dat de overval plaatsvond op de dag van de grote brand bij City Box in Amsterdam Noord. ’s Middags kwam verdachte [medeverdachte 3] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 3]), [medeverdachte 4] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 4], ook wel [medeverdachte 4] genoemd), [medeverdachte 2] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 1] (naar de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1], wiens roepnaam [roepnaam] is) bij de bushalte tegen. [medeverdachte 1] zou hebben gezegd dat zij nu wel iets zouden kunnen beroven, omdat er zoveel politie bij de brand was. [medeverdachte 1] zou aan verdachte hebben gevraagd ’s avonds weer naar buiten te komen, hetgeen verdachte ook deed. Volgens verdachte stonden [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] daar toen en zou [medeverdachte 1] hebben gezegd dat zij de Chinees zouden aanpakken. [medeverdachte 1] zou aan verdachte hebben gevraagd of hij mee wilde doen, hetgeen verdachte zou hebben geweigerd. Verdachte zou buiten zijn blijven staan, terwijl de andere vier [restaurant] overvielen. [medeverdachte 4] zou hierbij een zwarte jas met capuchon hebben gedragen, die hij zou hebben geleend van verdachte. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zouden beiden een mes bij zich hebben gehad en [medeverdachte 4] een pistool. Na tien minuten à een kwartier zouden de vier naar buiten zijn gerend in de richting van verdachte. [medeverdachte 1] zou een pistool en tien euro in de handen van verdachte hebben gestopt, met het verzoek het pistool weg te halen, waarna hij het later weer zou komen ophalen. Verdachte heeft het wapen thuis op de zolderkamer verstopt. Direct nadat verdachte het pistool had aangepakt, is hij naar een telefooncel gegaan, welke ligt tussen [restaurant] en zijn huis en van daaruit belde verdachte zijn toenmalige vriendin om te zeggen dat hij een “torrie” had gezet (naar de rechtbank begrijpt: een overval had gepleegd) en dat hij snel “loesoe” (naar de rechtbank begrijpt: weg) moest, omdat zij een overval hadden gepleegd. De volgende dag zou verdachte [medeverdachte 3] zijn tegengekomen en zijn luchtdrukpistool hebben teruggevraagd. [medeverdachte 3] zou hierbij hebben gezegd dat hij en de andere jongens de kleding die zij hadden gedragen bij de overval hadden verbrand en in containers gegooid. Die middag zou verdachte [medeverdachte 1] zijn tegengekomen en die zou hebben gezegd dat hij tijdens de overval over de toonbank was heengesprongen, dat er maar twee tientjes in de kassa zaten en dat zij daarom ook de klanten hadden aangepakt en bedreigd. Met zijn allen zouden zij volgens [medeverdachte 3] ongeveer 200 euro hebben gepakt bij die overval, aldus verdachte.

Ter terechtzitting is verdachte bij deze verklaring gebleven.

De medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bekend dit feit samen met verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] te hebben gepleegd. Verdachte zou hierbij degene met het pistool zijn geweest.

Ook de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bekend dit feit samen met verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te hebben gepleegd. Verdachte zou hierbij degene met het pistool zijn geweest.

Op 26 november 2009 om 20.09 uur, slechts circa 23 minuten na de overval, heeft verdachte een smsje aan zijn toenmalige vriendin [naam 14], gestuurd met de tekst: “[naam 14] bel me me heb buit gemaakt ik kan niet belle ben thuis nu bel me”. Zeventien minuten later, om 20.26 uur, belt verdachte naar [naam 14] en zegt dan onder meer: “ik ga loesoe ik heb kanker veel buit gemaakt dus ik moet hier loesoe man. Ik ga weg uit Amsterdam. Waarom, omdat ik vandaag een gevaarlijke torrie heb gezet.”

[moerder verdachte], de moeder van verdachte, heeft bij het zien van de foto’s van de camerabeelden van [restaurant] verklaard dat degene die het wapen in zijn hand heeft op verdachte lijkt. Zij herkent verdachte voor 70 à 80% aan zijn donkere, brede wenkbrauwen en zijn lichaamshouding. Ook de jas, een zwart gewatteerde met een zak aan de voorzijde, komt haar bekend voor.

Uit een proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte rechtshandig is, terwijl [medeverdachte 4] linkshandig is en dat de getuige [naam 4] heeft verklaard dat de dader het wapen in zijn rechterhand droeg en het geld met zijn rechterhand pakte.

3.3.2. De verklaringen van verdachte

De rechtbank overweegt omtrent de verklaringen van verdachte als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard omtrent zijn eigen rol in de tenlastegelegde feiten.

De verklaringen van verdachte omtrent de gebeurtenissen zijn zeer uitvoerig en bevatten veel daderkennis. Deze verklaringen vinden voor het overige, daar waar het niet de rol van verdachte zelf betreft, in grote mate steun in andere bewijsmiddelen, zoals de aangiftes, de verklaringen van de getuigen, de verklaringen van de medeverdachten, de camerabeelden van [restaurant] en de inbeslaggenomen huls en het vuurwapen.

De verklaringen van verdachte omtrent zijn eigen rol in de tenlastegelegde feiten vinden echter in geen enkel ander bewijsmiddel steun. Integendeel. Dat verdachte de feiten heeft mede gepleegd blijkt uit de vele andere, in rubriek 3.3.1. genoemde, bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van de medeverdachten, het feit dat verdachte evenals de dader met het vuurwapen rechtshandig is, terwijl degene van wie verdachte zegt dat hij de dader is linkshandig is, de camerabeelden van [restaurant] waarop de dader met het vuurwapen degene is met de jas van verdachte en die door de moeder van verdachte voor 70 tot 80% wordt herkend als zijnde verdachte, de taps van de sms, een telefoongesprek en de chats en de ongeloofwaardige verklaring van verdachte dat hij degene was die de bestelling bij de snackbar moest plaatsen om mogelijk gratis eten te regelen via de bezorger [naam 3], terwijl de medeverdachten de bezorger kenden en dat hij voorts wel zou zijn meegegaan naar het opgegeven bezorgadres, maar daar niets zou hebben meegekregen en niet zou hebben meegedaan aan de beroving van de bezorger.

Verdachte had bovendien een reden om zijn eigen aandeel te ontkennen of kleiner te maken, namelijk om straf te ontlopen of om een lagere straf opgelegd te krijgen.

3.3.3. Conclusie

Gelet op de, in rubriek 3.3.1., aan de hand van de bewijsmiddelen weergegeven feiten en omstandigheden en hetgeen de rechtbank in rubriek 3.3.2. omtrent de verklaringen van verdachte heeft overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1, zaak D6, feit 2, zaak D1 primair en feit 3, zaak D5 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1, zaak D6:

op 25 oktober 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 590 Euro, toebehorende aan [naam 1] en/of [restaurant], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam 1] en andere medewerkers van restaurant [restaurant] en klanten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders

-aan voornoemde [naam 1] een vuurwapen hebben getoond en dat vuurwapen gericht gehouden hebben op die, zich in verdachtes onmiddelijke nabijheid bevindende [naam 1] en

-daarbij hebben gezegd: "geld, geld, geld" en "zo weinig" en "waar is de rest?",

waarna verdachte en/of zijn mededaders met voornoemd vuurwapen hebben geschoten in de muur van voornoemd restaurant;

Feit 2, zaak D1 primair:

op 10 november 2009 te Amsterdam, op de [straat], op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bestelling bestaande uit onder meer eten en sigaretten en bier en een geldbedrag, toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader, voornoemde [naam 3]

- hebben getrapt en geslagen en

- hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en "Pak het, pak het";

en

op 10 november 2009 te Amsterdam, op de [straat], op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [naam 3] hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [naam 2] en/of snackbar [snackbar], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader, voornoemde [naam 3]

- hebben getrapt en geslagen;

- hebben gezegd: "Liggen, liggen, nu, nu, liggen" en "Pak het, pak het";

en

-die [naam 3] om geld hebben gevraagd;

Feit 3, zaak D5:

op 26 november 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag en enig goed, toebehorende aan [naam 1] en/of [restaurant],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam 1] en [naam 4] en [naam 5] en [naam 6] en [naam 7], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders,

- een mes, en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand hebben genomen

en

- aan die [naam 4] en [naam 6] en [naam 7] hebben getoond en voorgehouden

en

- daarbij hebben gezegd/geschreeuwd: "geld, geld" en "zitten, zitten" en "geld, geld, geld of ik steek je dood" en "overval" en "geld, portemonnee, telefoons”;

en

op 26 november 2009 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[naam 5] en [naam 6] en [naam 7], heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen en een portemonnee (inhoudende diverse pasjes op naam van [naam 7]) en een VISA-card op naam van [naam 7] en een rijbewijs op naam van [naam 7], toebehorende aan [naam 5] en [naam 6] en [naam 7],

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededaders,

- een mes, en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ter hand hebben genomen

en

- aan die [naam 5] en [naam 6] en [naam 7] hebben getoond en voorgehouden

en

- daarbij hebben gezegd/geschreeuwd: "geld, geld" en "zitten, zitten" en "geld, geld, geld of ik steek je dood" en "overval" en "geld, portemonnee, telefoons”;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder feit 2, zaak D1 primair en feit 3, zaak D5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren, met als bijzondere voorwaarde toezicht door de Reclassering conform het advies uit het Reclasseringsrapport.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [restaurant], de heer [naam 1] en mevrouw [naam 18] en de heer [naam 7] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze redelijk zijn en goed zijn onderbouwd. Dientengevolge heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen geheel zullen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte 189 dagen in voorarrest heeft gezeten. De raadsman heeft verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen onder de voorwaarden uit het Reclasseringsrapport, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om het een en ander te regelen, waaronder woonruimte.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich binnen een periode van iets meer dan een maand schuldig gemaakt aan drie zeer ernstige strafbare feiten.

Het Chinese restaurant [restaurant] is binnen een periode van iets meer dan een jaar maar liefst driemaal het doelwit geweest van zeer bedreigende en gewelddadige gewapende overvallen door meerdere daders afkomstig uit de groep waartoe ook verdachte behoort, waarbij verdachte tweemaal tot de medeplegers behoorde. De personeelsleden en de gasten van het restaurant zijn hierbij bedreigd met vuurwapens, althans op vuurwapens gelijkende voorwerpen, en messen. De slachtoffers hebben in hun aangiftes verklaard zich erg bedreigd te hebben gevoeld. Eén van de gasten uit het restaurant, bij wie een mes tegen zijn borst werd gezet, voelde zich dermate bang en dacht dat zijn leven aan een zijden draadje hing, dat hij in elkaar zakte en zijn bewustzijn een kwartier lang verloor, totdat hij door ambulancepersoneel werd behandeld. De eigenaar van het restaurant, de heer [naam 1], en zijn echtgenote, mevrouw [naam 18], hebben ter terechtzitting, door middel van de door hen ingediende vorderingen waarbij zij zichzelf als benadeelde partij hebben gesteld en door middel van een schriftelijke slachtofferverklaring, naar voren gebracht wat de gevolgen van de overvallen voor hen zijn. Zij hebben de overvallen als levensbedreigend ervaren en deze hebben hen diep aangegrepen. Tot op de dag van vandaag hebben zij last van de geestelijke gevolgen van de misdrijven. De heer [naam 1] piekert veel, slaapt nog steeds slecht en hij ondervindt spanningsklachten zoals druk op de borst en kortademigheid. De heer [naam 1] is door zijn huisarts doorverwezen naar Mentrum. De gedachten van mevrouw [naam 18] en haar functioneren in het restaurant worden beheerst door angst. Mevrouw [naam 18] kan zich zeer moeilijk ontspannen en haar gedachten erbij houden. Zij slaapt slecht en heeft regelmatig last van angstdromen. Het vergt ontzettend veel energie van haar om iedere dag te leven met angst en onzekerheid. Door hard te werken hebben de heer [naam 1] en mevrouw [naam 18] de afgelopen jaren een goede zaak op kunnen bouwen. Door de overvallen zijn zij echter dermate angstig geworden voor herhaling dat het plezier in hun werk volledig is verdwenen, waardoor zij hebben besloten hun restaurant zo snel mogelijk te verkopen. Verdachte heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers. Verdachte heeft de gewapende overvallen slechts gedreven door eigen belang, namelijk geldelijk gewin, mede gepleegd. Naast de gevolgen voor de slachtoffers versterken feiten als deze onrust in de samenleving en gevoelens van onveiligheid.

Tevens heeft verdachte zich mede schuldig gemaakt aan een beroving van een bezorger van een snackbar. Verdachte heeft bij de snackbar telefonisch een bestelling geplaatst, waarna de bezorger bij het afleveren hiervan is geslagen, geschopt, bedreigd en waarbij de bestelling en het geld dat hij bij zich had van hem zijn afgenomen en afgeperst. Ook ten aanzien van dit feit heeft verdachte op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft ook dit feit slechts gedreven door eigen belang, namelijk geldelijk gewin, mede gepleegd. Naast de gevolgen voor het slachtoffer versterken ook feiten als deze onrust in de samenleving en gevoelens van onveiligheid.

Met zijn ontkennende proceshouding heeft verdachte ook ter terechtzitting op geen enkele wijze blijk gegeven van inzicht in de gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 december 2009 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld terzake strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van:

- Een psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte d.d. 15 maart 2010, opgemaakt door mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog;

- Een Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 14 juni 2010.

De psycholoog komt – zakelijk weergegeven - onder meer tot de volgende bevindingen.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van intellectuele capaciteiten op laag zwakbegaafd niveau. Hiervan was sprake ten tijde van het tenlastegelegde.

Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over een eventueel verband tussen de gestelde diagnose en het tenlastegelegde, over de kans op herhaling alsmede over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte, gelet op zijn ontkennende proceshouding. Meer in algemene zin kan worden opgemerkt dat de beperkte intellectuele capaciteiten van verdachte in combinatie met zijn subassertieve houding met zich meebrengen dat verdachte handelingen kan verrichten waarvan hij de consequenties op het moment van handelen niet goed kan overzien.

Daar er vanuit forensisch oogpunt geen uitspraak kan worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op herhaling, kan ook geen uitspraak worden gedaan over de zorgprognose en de beïnvloedingsmogelijkheden. In algemene zin kan worden opgemerkt dat verdachte hulp nodig heeft voor het op de rails zetten van zijn leven, omdat zijn beperkingen hem niet goed in staat stellen dit zelfstandig te regelen. Hierbij zou verdachte begeleid kunnen worden door de Reclassering.

De Reclassering Nederland adviseert om aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden, een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan de volgende bijzondere voorwaarden verbonden:

- Een meldingsgebod. Verdachte dient zich te houden aan de aanwijzingen die de Reclassering hem geeft;

- Een behandelverplichting, te weten het volgen van een groepsbehandeling Delictpreventie bij de Waag;

- Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten het volgen van een begeleid of beschermd wonen traject bij Amsta en daar te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de Reclassering opstelt.

De rechtbank neemt deze adviezen over.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [restaurant] B.V., van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 590,= (vijfhonderd en negentig euro) aan materiële schade voor het feit gepleegd op 25 oktober 2009 en € 30,= (dertig euro) aan materiële schade voor het feit gepleegd op 26 november 2009. De vordering kan dan ook tot het bedrag van € 620,= (zeshonderd en twintig euro) worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [restaurant] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Nu niet is gebleken dat aan de benadeelde partij [restaurant] B.V. voor het overige deel van de vordering, te weten een overval gepleegd op 8 oktober 2008, rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen geachte feiten, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering, te weten een gevorderd bedrag van € 418,= (vierhonderd en achttien euro) aan materiële schade, niet-ontvankelijk is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [naam 1], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.550,= (drieduizend vijfhonderd en vijftig euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [naam 18], van zo eenvoudige aard is dat dit zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.870,= (éénduizend achthonderd en zeventig euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 18] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Nu niet is gebleken dat aan de benadeelde partij [naam 18] voor het overige deel van de vordering, te weten een overval gepleegd op 8 oktober 2008, rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen geachte feiten, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering, te weten een gevorderd bedrag van € 935,= (negenhonderd en vijfendertig euro) aan immateriële schade, niet-ontvankelijk is.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam 18] voorts het volgende.

De rechtbank merkt op dat zowel uit punt 3. van het voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces als uit de korte situatieschets op bijlage 1 van het Schade-onderbouwings-formulier blijkt dat mevrouw [naam 18] immateriële schade vordert voor de psychische gevolgen van de drie gewapende overvallen, gepleegd op 8 oktober 2008, 25 oktober 2009 en 26 november 2009, waarbij zij aanwezig was. Bij de jurisprudentie/ vergelijkbare uitspraken van het Schade-onderbouwings-formulier worden alleen vergelijkingen gemaakt met de overvallen gepleegd op 8 oktober 2008 en op 25 oktober 2009 en niet met die gepleegd op 26 november 2009. De rechtbank heeft het totaal gevorderde bedrag aan immateriële schade dientengevolge evenredig verdeeld over de drie overvallen gepleegd op 8 oktober 2008, 25 oktober 2009 en op 26 november 2009.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [naam 7], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 381,50 (driehonderd en eenentachtig euro en vijftig cent) aan materiële schade en € 825,= (achthonderd en vijfentwintig euro) aan immateriële schade. De vordering kan dan ook tot het totaal bedrag van € 1206,50 (éénduizend tweehonderd en zes euro en vijftig cent) worden toegewezen. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [naam 7] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, zaak D6, feit 2, D1 primair en feit 3, zaak D5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, zaak D6:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2, zaak D1 primair en feit 3, zaak D5:

Meerdaadse samenloop van

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen, als veroordeelde tijdens de proeftijd (een van) de volgende bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldingsgebod. Veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die de Reclassering hem geeft;

- Behandelverplichting, te weten het volgen van een groepsbehandeling Delictpreventie bij de Waag, of een soortgelijke instelling;

- Opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten het volgen van een begeleid of beschermd wonen traject bij Amsta, of een soortgelijke instelling, en daar te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de Reclassering opstelt;

- Veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [restaurant] B.V., gevestigd op het adres 1033 TH Amsterdam, [adres] toe tot een bedrag van € 620,= (zeshonderd en twintig euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [restaurant] B.V. voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [restaurant] B.V., te betalen de som van € 620,= (zeshonderd en twintig euro), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 (twaalf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 1], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 3.550,= (drieduizend vijfhonderd en vijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1], te betalen de som van € 3.550,= (drieduizend vijfhonderd en vijftig euro), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 71 (eenenzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 18], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 1.870,= (éénduizend achthonderd en zeventig euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 18] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 18], te betalen de som van € 1.870,= (éénduizend achthonderd en zeventig euro), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 37 (zevenendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam 7], wonende op het adres [adres], toe tot een bedrag van € 381,50 (driehonderd en eenentachtig euro en vijftig cent) aan materiële schade en € 825,= (achthonderd en vijfentwintig euro) aan immateriële schade, te weten voor een totaal bedrag van € 1206,50 (éénduizend tweehonderd en zes euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [naam 7] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [naam 7], te betalen de som van € 1206,50 (éénduizend tweehonderd en zes euro en vijftig cent), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander of anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 (vierentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en J.J. Molenaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M. Scholten en A. Gordon, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2010.