Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1981

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
21-07-2010
Zaaknummer
13-660304-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

CIE-informatie als grondslag voor binnentreden en doorzoeking woning; redelijk vermoeden art. 49 Wwm en art. 9 Opiumwet. Art. 359a; geen niet-ontvankelijkheid maar bewijsuitsluiting; besmette vruchten van het onderzoek; verbaliseringsplicht. In casu was sprake van niet geverifiëerde CIE-informatie, over de betrouwbaarheid waarvan geen oordeel kon worden gegeven. Schijn van discrepantie tussen proces-verbaal van verhoor verdachte en niet geverbaliseerde opsporingsbevindingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/660304-10

Datum uitspraak: 20 juli 2010

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Albanië) op [geboortedatum] 1984,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Haarlem” te Haarlem.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. de Groot en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. L.M. Ravestijn en door verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

1.

op of omstreeks 23 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 218,5 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(artikel 2 Opiumwet)

2.

op of omstreeks 23 maart 2010 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen een weegschaal en/of een hoeveelheid versnijdingsmiddelen

en/of een of meer emmer(s) en/of een pers, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

(artikel 10a Opiumwet).

2. en 3. Voorvragen en waardering van het bewijs

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak en er zijn geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De raadsvrouw stelt zich bij pleidooi op het standpunt dat de CIE-informatie die ten grondslag lag aan de doorzoeking van de woning aan [adres] te beperkt, onvolledig en gedateerd was en geen betrekking had op verdachte. Er kan daarom geen sprake zijn van een rechtmatige doorzoeking en aanhouding van verdachte. Er is onvoldoende nader onderzoek geweest naar aanleiding van de CIE-informatie, enkel een mislukte poging de woning te observeren. De beginselen van een goede procesorde zijn dermate geschonden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in haar vervolging dient te worden verklaard.

Beoordeling van het verweer.

Het verweer van de verdediging leidt, ook ambtshalve, tot de volgende overwegingen met betrekking tot de rechtmatigheid van het verkregen bewijs.

Blijkens de processtukken was de grondslag van de aanhouding van verdachte en diens medeverdachte [medeverdachte] in, de woning aan [adres], op 23 maart 2010 om 05:55 uur en de om 06.45 uur daarop gevolgde doorzoeking van die woning, een proces-verbaal van CIE-informatie nr. 782-0173/2010 d.d. 9 maart 2010, inhoudende, voor zover thans van belang:

“Bij de Criminele Inlichtingen Eenheid Amsterdam-Amstelland is in de afgelopen vier weken via één informant de navolgende informatie binnengekomen:

“In [woonplaats] is een cokelaboratorium gevestigd. Het pand is onder andere in gebruik bij een Albanees die [naam 1] (fonetisch) wordt genoemd. [naam 1] handelt in kleine en grote partijen cocaïne, variërend van enkele kilo’s tot tientallen kilo’s. [naam 1] werkt in het pand nauw samen met twee andere mannen. Zij verwerken, mixen en verpakken de cocaïne in de woning. De coke is bedoeld voor de export.

[adres] is de verblijfplaats van [naam 1], die voorheen verbleef bij een Roemeense vriendin op het adres [adres]. [naam 1] verdiend veel geld met zijn cokehandel.

[naam 1] is in het bezit van meerdere vuurwapens, welke in de woning moeten liggen”.

Voorts verklaar ik, alvorens de bovenstaande informatie ter beschikking te hebben gesteld, mij een oordeel te hebben gevormd over de vermoedelijke betrouwbaarheid van de informant en over de vermoedelijke juistheid van de informatie.

Dat oordeel luidt, dat de mij bekende achtergrond van de informant, bezien in de samenhang met de door die informant aangedragen gegevens, tot de conclusie leidt:

Dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie niet kan worden gegeven.

Uit het onderzoek is voorts gebleken:

Op het adres [adres] staan geen personen ingeschreven (conform GBA)

Van [naam 1] zijn verdere gegevens onbekend.

Roemeense vriendin is vermoedelijk [naam 3], geboren [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], wonende [adres] (conform politieadministratie en GBA)”.

Op 22 maart 2010 was door de hulpofficier van justitie [naam 2] een machtiging afgegeven aan een niet nader genoemde (naar moet worden aangenomen) politieambtenaar om in de woning aan [adres] zonder toestemming van de bewoner binnen te treden met als doel de aanhouding van een “nn-man [naam 1]” als verdacht van overtreding van art. 2 Opiumwet.

Aan de doorzoeking onder leiding van de rechter-commissaris lag ten grondslag een vordering a.b.i. artikel 110 Wetboek van Strafvordering. Deze vordering houdt, naast de omschrijving van strafbare feiten onder zowel de Opiumwet als de Wet wapens en munitie waaraan “[naam 1]” zich zou hebben schuldig gemaakt, onder meer in:

“Overwegende, dat uit voormeld proces-verbaal blijkt dat het in het belang van het onderzoek is dat door de rechter-commissaris ter inbeslagneming de navolgende plaats(en) wordt/worden door [adres]”.

Met het overigens ten onrechte als “voormeld” aangeduide proces-verbaal wordt in deze vordering kennelijk gedoeld op een daaraan gehecht proces-verbaal nr. 2010066576 “Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming” d.d. 22 maart 2010, waarin de inhoud van voormeld CIE proces-verbaal, dat aan het onderhavige proces-verbaal is gehecht, verkort wordt weergegeven en waarin overigens wordt vermeld, voor zover hier relevant:

“Uit onderzoek is niet gebleken wie de huidige eigenaar/bewoner is van genoemde woning. Door het onderzoeksteam is getracht een locatie te vinden om de genoemde locatie (bedoeld wordt, naar de rechtbank aanneemt: de woning [adres]) enige tijd te observeren. Dit is niet gelukt.

Gezien bovenstaande informatie is het van belang een doorzoeking in te stellen in [adres] en te zoeken naar de volgende goederen en stoffen:

- vuurwapen(s) en onderdelen daarvan

- munitie

- verdovende middelen

- geld;

- gebruiksvoorwerpen voor het vervaardigen van verdovende middelen

- verpakkingsmateriaal

- (…..)”.

Bij de doorzoeking van de woning is onder meer ruim 218 gram cocaïne aangetroffen, alsmede meerdere kilo’s versnijdingsmiddelen, een pers, emmers, weegschalen en een mengmachine.

De machtiging tot binnentreden van de woning [adres] ter aanhouding is uitsluitend afgegeven met het oog op overtreding van de Opiumwet. Voormelde CIE informatie en de vordering doorzoeking ter inbeslagneming en het daarbij behorend aanvraag-PV relateren zowel een verdenking van overtreding van de Opiumwet als van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm).

Naar moet worden aangenomen voorziet met name artikel 49 van de Wwm in de meest ruim bemeten wettelijke doorzoekingsbevoegdheid ter inbeslagneming. Een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens (en munitie) a.b.i. dat wetsartikel kán worden aangenomen op basis van een anonieme melding (HR LJN ZD1858). In het onderhavige geval was de CIE informatie afkomstig van één informant en is deze in zoverre op één lijn te stellen met een anonieme melding. Strikte criteria voor de toetsing van dergelijke informatie ter beantwoording van de vraag of redelijkerwijs kan worden vermoed dat wapens en/of munitie op een plaats aanwezig zijn, zijn niet voorhanden. De volgende feiten en omstandigheden spelen in het onderhavige geval een rol bij de beantwoording van die vraag .

Zoals gezegd was sprake van informatie van één informant. Het CIE proces-verbaal vermeldt niet bij hoeveel gelegenheden gedurende de vier weken voorafgaand aan 9 maart 2010 de gerelateerde informatie bij de CIE is binnengekomen. Bovendien kan blijkens het CIE proces-verbaal een oordeel over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie niet worden gegeven zodat er niet van kan worden uitgegaan dat de informatie betrouwbaar was.

Weliswaar bevat de CIE informatie concrete en specifieke informatie omtrent een mogelijke verdachte en diens werkwijze en wordt de woning in kwestie daarin specifiek aangeduid, maar gezien het feit dat een oordeel over de betrouwbaarheid van de informant niet kon worden gegeven, diende een zekere mate van verificatie van diens informatie plaats te vinden alvorens tot het toepassen van dwangmiddelen over te kunnen gaan. Dit was kennelijk ook de zienswijze van de onderzoeksleiding nu uit het hiervoor genoemde proces-verbaal nr. 2010066576 “Aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming” d.d. 22 maart 2010 volgt dat naar aanleiding van de CIE-informatie, observatie van de woning werd overwogen. Er wordt in dat proces-verbaal evenwel niet verduidelijkt waarom het onderzoeksteam er niet in is geslaagd een geschikte locatie voor observatie van de woning te vinden. In dit verband valt op dat uit het verhoor van verdachte [verdachte] is af te leiden dat het onderzoek zich al enige tijd vóór de aanhouding van verdachte (mede) op de woning richtte. Ook de passage in dit verhoor met betrekking tot de later in beslag genomen auto in combinatie met de vraag aan verdachte of hij spullen van boven naar beneden heeft gebracht of in een auto heeft geladen, doet vermoeden dat weliswaar enig, ook door de onderzoeksleiding noodzakelijk geacht, onderzoek ter verificatie van de CIE informatie heeft plaatsgevonden, maar dat dat onderzoek geen concrete resultaten heeft opgeleverd. Niet alleen heeft er dus geen enkele verificatie van de CIE-informatie plaatsgevonden, maar is er in zoverre ook er sprake van schijn van een niet nader verklaarde discrepantie met proces-verbaal nr. 2010066576 en rijst bovendien de vraag of het onderzoeksteam ten volle heeft voldaan aan de verbaliseringsplicht a.b.i. artikel 152 Sv.

Door onder deze omstandigheden het CIE proces-verbaal als enige grondslag van de doorzoeking te hanteren wordt niet voldaan aan de eis van art. 49 Wwm dat men redelijkerwijs kon vermoeden dat wapens en/of munitie in de woning [adres] aanwezig waren. Dat de doorzoeking plaatsvond onder leiding van de rechter-commissaris doet daar niet aan af.

De gang van zaken toetsend aan de artikelen 9 Opiumwet en 110 Wetboek van Strafvordering, brengt het voorgaande a fortiori mee dat de doorzoeking in dat opzicht evenmin aan de eisen van de wet voldeed, nu er geen redelijk, te weten: voldoende geverifieerd, vermoeden bestond dat zekere “[naam 1]” zich in de woning [adres] schuldig maakte aan overtreding van de Opiumwet.

De conclusie moet allereerst zijn dat zich de situatie als bedoeld in art 359a Wetboek van Strafvordering voordoet. Bij het voorbereidend onderzoek zijn vormen verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken.

Van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan evenwel geen sprake zijn. Bedoelde vormverzuimen voldoen niet aan het criterium van de Hoge Raad, dat niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zal volgen, als het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling in zijn zaak is tekortgedaan.

Wel dient de consequentie van de onjuiste gang van zaken te zijn dat de in de woning in beslag genomen verdovende middelen en de daaraan te relateren goederen niet tot het bewijs van het tenlastegelegde kunnen bijdragen, nu dat bewijs in zoverre onrechtmatig is verkregen. Dit gevolg wordt gerechtvaardigd door het feit dat sprake is geweest van schending van een fundamenteel recht, te weten het huisrecht, dat aan verdachte en aan zijn medeverdachte als bewoners van de woning toekwam.

Of er een voldoende redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte bestond toen hij werd aangehouden, kan buiten beschouwing blijven. De rechter-commissaris heeft de aanhouding impliciet getoetst door de inverzekeringstelling van verdachte niet onrechtmatig te achten. Dat verdachte over de beschuldiging een verklaring heeft afgelegd is weliswaar een gevolg van zijn aanhouding, maar zijn verklaring is, inhoudelijk gezien, toch in de eerste plaats te herleiden tot vragen die hem zijn gesteld naar aanleiding van het aantreffen in de woning van verdovende middelen en de daaraan te relateren goederen. Uit het voorgaande volgt reeds dat die verklaring voor zover zij voor verdachte belastend is, als ‘fruits of the poisonous tree’ (besmette vruchten van het onderzoek) kan worden beschouwd en derhalve niet aan het bewijs kan bijdragen.

De rechtbank acht concluderend dat het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslag

Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:

1. 1.00 STK Computer Kl: zwart

Acer laptop

3806376

2. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: grijs

NOKIA

3806315

3. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: grijs

NOKIA

3806319

4. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zwart

NOKIA

3806321

5. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zw/grijs

NOKIA

3806324

6. 1.00 STK Zaktelefoon Kl: zw/grijs

NOKIA

3806325

7. 1.00 STK Telefoonkaart

LYCA simkaart

3806331

8. 1.00 STK Telefoonkaart

VODAFOON simkaart

3806333

9. 1.00 STK Portemonnee Kl: bruin

Leer

3806437

10. 1.00 STK Rijbewijs

Albanees

3806440 tnv [verdachte]

11. 1.00 STK legitimatiebewijs

Albanees

3806454 tnv [verdachte]

15. 1.00 STK Horloge

Heren

3806486 met bruine band

18. 9.00 STK Stempel

-

3806508, betreft malletjes

Gelast de teruggave aan [medeverdachte] van:

12. Geld euro

-

3806381, 5x50, 1x20, 3x10 euro

13. Geld buitenlands

-

3806382, 1 biljet van 10 USA dollar

14. Geld Euro

-

3806430 2x 20 eurobiljet

16. 1.00 STK horloge

-

3807807 met zwarte band

17. 1.00 STK Portemonnee Kl: zwart

Heren

3806496 met 10 euro belkaart

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

19. 1.00 STK Personenauto [nr]

RENAULT MEGANE Kl: Zwart

3807868

20. 1.00 STK enveloppe

-

3807895 met diverse losse papieren.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 7 juli 2010. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.