Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1791

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
20-07-2010
Zaaknummer
850009 DX EXPL 07-813
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease-overeenkomst; artikel 1:88 BW; verjaring; stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaak- en rolnummer: 850009 DX EXPL 07-813

Vonnis van: 14 juli 2010

F.no.: 632

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser in conventie],

nader te noemen [eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

nader te noemen Dexia,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: Swier & Van der Weijden Gerechtsdeurwaarders.

1. De procedure

Het volgende processtuk is ingediend:

- de dagvaarding van 28 oktober 2005, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 2 januari 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst.

Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam heeft [eiser] bij akte een afschrift overgelegd van het elektronische cliëntendossier van Dexia waaruit blijkt dat hij de opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) heeft ingediend. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 9 april 2008 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2008. Van hetgeen besproken is ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is ingediend:

- een akte overlegging producties van [eiser], met producties.

Bij rolmededeling van 26 november 2008 zijn alle bij de rechtbank aanhangige effectenlease-zaken, waaronder de onderhavige, aangehouden in afwachting van arresten van de Hoge Raad waarin rechtsvragen zouden worden beantwoord die partijen in effectenlease-zaken verdeeld houden. Op 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een drietal arresten gewezen, waarin hij op deze rechtsvragen een antwoord heeft gegeven.

Bij rolmededeling van 22 juli 2009 is de zaak verwezen naar de rol van 12 augustus 2009 voor uitlating doorhaling dan wel voortprocederen, waarop [eiser] te kennen heeft gegeven te willen voortprocederen.

Vervolgens zijn ingediend:

- de akte na comparitie tevens nadere conclusie na comparitie van [eiser], met producties;

- de nadere conclusie tevens antwoordakte van Dexia, met producties.

Daarop is vonnis bepaald.

De rechter die de zaak ter comparitie heeft behandeld, is om organisatorische redenen niet in staat om dit vonnis te wijzen en uit te spreken.

Gronden van de beslissing

2. Feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

2.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., mede handelend onder de naam Legio-Lease (hierna: Labouchere/Legio-Lease). Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2. [eiser] heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere/Legio-Lease (hierna: de lease-overeenkomst):

Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd Termijnbedrag

[nr] 11-10-1999 WinstVerDriedubbelaar € 47.214,74 36 mnd € 227,46

2.3. De lease-overeenkomst is na afloop van de looptijd, op of omstreeks 8 oktober 2002, voor een periode van 36 maanden verlengd. Tijdens de verlenging bedroeg de leasesom € 47.221,65 en het termijnbedrag € 227,65.

2.4. In totaal heeft [eiser] op grond van de lease-overeenkomst € 13.879,81 aan termijnbetalingen aan Dexia betaald en heeft Dexia € 1.981,64 aan [eiser] uitgekeerd.

2.5. Per 6 juni 2005 heeft Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst een eindafrekening opgesteld volgens welke [eiser] nog € 13.641,67 verschuldigd was. Dit bedrag is door [eiser] niet voldaan. Na verrekening resteert thans een open post van

€ 13.055,56.

2.6. [echtgenote eiser] (hierna: [echtgenote eiser]) heeft [eiser], met wie zij ten tijde van het aangaan van de lease-overeenkomst was gehuwd, geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de lease-overeenkomst.

2.7. Bij brief van 17 november 2004 heeft de gemachtigde van [echtgenote eiser] met een beroep op artikel 1:89 BW de nietigheid ingeroepen van de lease-overeenkomst en terugbetaling gevorderd binnen een termijn van veertien dagen na dagtekening

3. Vorderingen [eiser]

3.1 [eiser] vordert, voor zover hier van belang, dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht wordt verklaard dat de lease-overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd, althans wordt vernietigd, en Dexia te veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de lease-overeenkomst is betaald, bij dagvaarding gesteld op € 13.879,74, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling. Subsidiair vordert [eiser] dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld althans is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht en dat zij gehouden is tot terugbetaling van alle door [eiser] betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot aan de dag van algehele terugbetaling. Voorts vordert [eiser] dat Dexia zijn registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel ongedaan laat maken op straffe van een dwangsom. Ten slotte vordert [eiser] Dexia te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten.

4. Standpunten [eiser]

4.1 [eiser] stelt, voor zover hier van belang, dat de lease-overeenkomst moet worden aangemerkt als huurkoop in de zin van artikel 7A:1576h BW en derhalve als koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 BW en dus de toestemming van [echtgenote eiser] behoefde ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW. Omdat zij deze (schriftelijke) toestemming niet heeft verleend, heeft zij de lease-overeenkomst rechtsgeldig kunnen vernietigen.

5. Standpunten Dexia

5.1. Dexia betwist de vorderingen van [eiser]. Daartoe stelt zij zich op het standpunt dat de vordering tot vernietiging van de lease-overeenkomst is verjaard.

6. Reconventie

6.1. In reconventie vordert Dexia [eiser] te veroordelen tot betaling van € 13.055,56 zijnde het resterende saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekening inzake de lease-overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de eindafrekening plus veertien dagen en met de kosten, stellende dat [eiser] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomst.

6.2. [eiser] voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen in reconventie.

7. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

7.1. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, (LJN BC2837) wordt de onderhavige overeenkomst aangemerkt als huurkoop.

7.2. Dit betekent dat artikel 1:88 lid 1 onder d BW op de lease-overeenkomst van toepassing is, zodat [eiser] voor het aangaan van de lease-overeenkomst de toestemming van [echtgenote eiser] behoefde. Nu volgens artikel 7A:1576i BW huurkoop bij akte wordt aangegaan, diende deze toestemming ook schriftelijk te worden gegeven (vgl. het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9721, rov 2.12.3 en het reeds genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008). De stelling van Dexia dat [echtgenote eiser] de verlenging mede heeft ondertekend en aldus op de hoogte was van de onderliggende lease-overeenkomst, berust op een aanname van Dexia die bij gebreke aan een nadere feitelijke onderbouwing dient te worden gepasseerd. Nu de schriftelijke toestemming van [echtgenote eiser] voor het aangaan van de lease-overeenkomst ontbreekt, had zij de bevoegdheid een beroep te doen op de hier bedoelde vernietigbaarheid.

Verjaring

7.3. Dexia beroept zich er op dat het vernietigingsrecht van artikel 1:89 BW is verjaard. De verjaringstermijn voor een beroep op dit vernietigingsrecht is op grond van artikel 3:52 lid 1 sub d BW drie jaar. De termijn vangt aan op het moment dat degene aan wie de bevoegdheid tot vernietiging toekomt bekend wordt met de overeenkomst. Niet noodzakelijk is dat deze bekend is met de juridische kwalificatie van die overeenkomst (vgl. HR 5 januari 2007, LJN AY8771 en Gerechtshof Amsterdam, 19 mei 2009, LJN BI 4359). Van belang is derhalve wanneer [echtgenote eiser] bekend was met het bestaan van de lease-overeenkomst.

7.4. Op Dexia rust de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het beroep op verjaring.

7.5. Ter onderbouwing van haar beroep op verjaring heeft Dexia allereerst aangevoerd dat er in de Nederlandse gezinsverhoudingen van uitgegaan mag worden dat de echtgenoot er steeds van op de hoogte is wanneer de partner investeringen als de onderhavige doet. Deze stelling is echter naar het oordeel van de kantonrechter in haar algemeenheid onvoldoende om bekendheid van [echtgenote eiser] met de beslissing van [eiser] tot het aangaan van de lease-overeenkomst aan te nemen. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het eerdergenoemde arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 mei 2009.

7.6. Daarnaast heeft Dexia bij nadere conclusie tevens antwoordakte zich beroepen op een rapport van het Nibud over geldzaken binnen het gezin en aangevoerd dat het aannemelijk is dat het salaris van [echtgenote eiser] tevens werd aangewend voor de betaling van de maandtermijnen. Aan beide omstandigheden verbindt Dexia de conclusie dat het aannemelijk is dat [echtgenote eiser] van de lease-overeenkomst op de hoogte is geweest. De kantonrechter is van oordeel dat genoemde omstandigheden slechts veronderstellingen behelzen van Dexia die bij gebreke van een nadere feitelijke onderbouwing voor haar rekening dienen te blijven.

7.7. Voorts heeft Dexia bij nadere conclusie tevens antwoordakte aangevoerd dat 18 keer dividend is uitgekeerd voor een totaalbedrag van € 1.981,64. Volgens Dexia is het dividend gestort op een en/of-rekening en is het onaannemelijk dat [echtgenote eiser] hiervan niet op de hoogte is. [eiser] heeft ter comparitie aangegeven dat hij en [echtgenote eiser] over eigen bankrekeningen beschikten. Zij voerden een strikt gescheiden financiële huishouding die mede werd ingegeven door het feit dat het voor [eiser] en [echtgenote eiser] hun tweede huwelijk was.

7.8. Overwogen wordt dat uit het gegeven dat dividenden zijn uitgekeerd niet noodzakelijkerwijs volgt dat dit samenhangt met de lease-overeenkomst. Voorstelbaar is immers dat [eiser] andere aandelen bezit uit hoofde waarvan ook dividend wordt uitgekeerd. Daar komt bij dat Dexia zich pas in het laatste stadium van de procedure op dit standpunt heeft gesteld, namelijk bij haar laatste conclusie nadat reeds een comparitie had plaatsgevonden. Mede gelet op hetgeen [eiser] reeds eerder heeft verklaard over zijn financiële situatie, is de kantonrechter van oordeel dat Dexia haar stellingen op dit punt onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Aan deze stelling zal dan ook worden voorbij gegaan.

7.9. Ten slotte heeft Dexia ter comparitie aangevoerd dat [echtgenote eiser] wellicht via ingekomen poststukken van de bank kennis heeft genomen van de lease-overeenkomst, dan wel dat de onderliggende aandelen zijn opgenomen in de belastingaangifte. Aan deze stellingen wordt voorbijgegaan. [eiser] heeft verklaard dat hij en [echtgenote eiser] elkaars post niet openden. Voorts deden zij gescheiden belastingaangifte en blijkt uit het overgelegde biljet van een proces van [echtgenote eiser] dat de aandelen niet in haar belastingaangifte zijn opgevoerd.

7.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Dexia haar stelling dat het vernietigingsrecht is verjaard onvoldoende heeft onderbouwd, zodat daaraan voorbij wordt gegaan en aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Het beroep op verjaring wordt verworpen en er moet derhalve van worden uitgegaan dat [echtgenote eiser] de lease-overeenkomst tijdig, dat wil zeggen, binnen drie jaar nadat zij van het bestaan ervan op de hoogte raakte, rechtsgeldig heeft vernietigd. Nu de verlenging zodanig samenhangt met de lease-overeenkomst waarvan [echtgenote eiser] op 17 november 2004 de nietigheid heeft ingeroepen, brengt dit met zich dat ook de verlenging nietig is.

7.11. Als gevolg van de rechtsgeldige vernietiging van de lease-overeenkomst, dienen alle betalingen van [eiser] aan Dexia op grond van de lease-overeenkomst te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen [eiser] op grond van die overeenkomst van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden.

7.12. Op grond van de lease-overeenkomst heeft [eiser] in totaal € 13.879,81 (termijnen) aan Dexia betaald waarop een bedrag van € 1.981,64 voor ontvangen dividenden en andere uitkeringen in mindering dient te worden gebracht zodat per saldo een bedrag van € 11.898,17 dient te worden gerestitueerd.

Wettelijke rente

7.13. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf het moment waarop Dexia met de terugbetaling in verzuim is geraakt. Uitgaande van de in de vernietigingsbrief genoemde betalingstermijn van veertien dagen vanaf de dagtekening van de brief, is Dexia op 1 december 2004 in verzuim geraakt. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 1 december 2004 over het totaal van de voor die datum door [eiser] aan Dexia gedane betalingen verminderd met het totaal van de voor die datum door [eiser] van Dexia ontvangen uitkeringen (waaronder dividenden). Over de na 1 december 2004 door [eiser] aan Dexia gedane betalingen is wettelijke rente verschuldigd met ingang van de dag van elke betaling, verminderd met de over de na 1 december 2004 door [eiser] van Dexia ontvangen uitkeringen (waaronder dividenden) berekende wettelijke rente vanaf de dag van ontvangst van die uitkeringen.

BKR-registratie

7.14. Nu [eiser] ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia meer heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

Overige stellingen

7.15. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

Reconventionele vordering

7.16. Uit het voorgaande volgt dat de door Dexia ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen.

Proceskosten

7.17. Gelet op de uitslag van de procedure in conventie en in reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. De kosten in reconventie zullen echter worden begroot op nihil nu het debat in reconventie (vrijwel) geheel samenvalt met dat in conventie.

Buitengerechtelijke kosten

7.18. Voor zover [eiser] buitengerechtelijke kosten vordert worden deze afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak. Voor zover [eiser] vergoeding vordert van kosten voor het bij derden opvragen van bescheiden behoren deze tot de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, en derhalve tot de proceskosten.

8. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

I. verklaart voor recht dat artikel 1:88 BW op de lease-overeenkomst van toepassing is en dat de lease-overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd;

II. veroordeelt Dexia aan [eiser] te betalen € 11.898,17, te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal van de voor 1 december 2004 door [eiser] aan Dexia gedane betalingen verminderd met het totaal van de voor die datum door [eiser] van Dexia ontvangen uitkeringen, vanaf 1 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over elke na 1 december 2004 aan Dexia verrichte betaling vanaf het moment van betaling, verminderd met de wettelijke rente over de na die datum van Dexia ontvangen uitkeringen vanaf het moment van ontvangst, tot aan de dag der algehele voldoening;

III. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht € 192,00

- voor salaris van gemachtigde € 1.050,00

totaal: € 1.242,00

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

IV. veroordeelt Dexia om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Krediet Registratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de lease-overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00;

V. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

VII. wijst de vordering af;

VIII. veroordeelt Dexia in de kosten in reconventie, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juli 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter