Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1442

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
16-07-2010
Zaaknummer
13/497921-2009 RK nummer: 10/2497
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB Groot Brittannië. Het verweer dat reeds de beslissing tot overlevering een dreigende flagrante schending van artikel 3 van het EVRM oplevert (namelijk de dreiging van suïcide) en dat de overlevering om die reden op grond van artikel 11 Overleveringswet geweigerd moet worden, wordt verworpen.

De dreigende schending komt niet van buitenaf. Aan de rechtbank is bij wet opgedragen te oordelen over overleveringsverzoeken. De uitoefening van de haar opgedragen taak door de rechtbank kan niet worden gezien als een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. De weigeringsgrond van artikel 11 OLW is niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497921-2009 RK nummer: 10/2497

Datum uitspraak: 2 juli 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 april 2010 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 17 december 2009 door de Circuit Judge, verbonden aan de Maidstone Crown Court te Maidstone, Groot Brittannië. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Marokko, op [geboortedatum] 1967,

wonende op het adres [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘Overmaze’ te Maastricht,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 mei 2010. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is daarbij bijgestaan door een tolk in de Arabische taal.

De behandeling van de vordering is op die datum voor onbepaalde termijn geschorst aangezien tijdens de behandeling bleek dat de raadsman niet over een volledig dossier beschikte. Aanhouding heeft de raadsman in de gelegenheid is gesteld dit dossier met de opgeëiste persoon door te nemen.

Op de zitting van 18 juni 2010 is de behandeling van de vordering voortgezet. Op die datum zijn de officier en de raadsman gehoord. De raadsman heeft verklaard door de opgeëiste persoon gemachtigd te zijn verweer tegen de vordering te voeren. De opgeëiste persoon heeft op 18 juni 2010 schriftelijk verklaard af te zien van zijn recht om verder op de vordering te worden gehoord. Deze verklaring bevindt zich in het dossier.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel ten grondslag, uitgevaardigd door de Maidstone Magistrates Court en gedateerd 15 december 2009.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan een naar Brits recht strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 28 mei 2010 verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. Het feit valt onder nummer 9 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

witwassen van opbrengsten van misdrijven.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op het feit naar het recht van Groot Brittannië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft (ook) de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie geeft of deze namens haar wordt gegeven..

Het hoofd van de Extradition Policy and Legislation, verbonden aan de Home Office, heeft op 29 april 2010 schriftelijk met betrekking tot de opgeëiste persoon de volgende garantie gegeven:

The UK authorities hereby give the following undertaking under the Convention on the Transfer of Sentenced Persons of 21 March 1983: in the event that Mr [opgeëiste persoon] is extradited to the United Kingdom and a prison sentence is imposed on him in the United Kingdom then, if the terms of Article 3 of the 1983 Convention (including the condition that Mr [opgeëiste persoon] must consent) and any other relevant terms of that Convention are met, the United Kingdom will, following that transfer, allow the sentence to be adapted by the Netherlands according to the procedure laid down in the 1983 Convention.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Aan deze voorwaarde is voldaan. Het onder 4 bedoelde feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op: medeplegen van witwassen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 VOGP zal kunnen worden omgezet.

6. Beroep op de weigeringsgrond van artikel 11 OLW

De raadsman heeft bepleit dat inwilliging van het overleveringsverzoek zou leiden tot een flagrante schending van de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon, zoals die worden gewaarborgd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM). Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon lijdt aan depressiviteit en is suïcidaal. Naar de mening van de psycholoog in de penitentiaire inrichting Ter Apel, waar de opgeëiste persoon tot voor kort gedetineerd was, houden deze depressiviteit en de neiging tot suïcide rechtstreeks verband met de tegen hem aanhangige strafzaak in het Verenigd Koninkrijk en de overleveringsprocedure. Na overbrenging naar de penitentiaire inrichting in Maastricht heeft de psycholoog daar de begeleiding van de opgeëiste persoon overgenomen; op verzoek van de raadsman legt de officier van justitie een brief van deze psycholoog, gedateerd 16 juni 2010, over..

De raadsman heeft gesteld dat niet alleen de feitelijke overlevering, maar ook reeds een beslissing waarbij de overlevering wordt toegestaan, een potentieel levensgevaarlijke situatie voor de opgeëiste persoon doet ontstaan, nu zo’n beslissing in het algemeen gevolgd zal worden door een feitelijke overlevering.

De raadsman heeft betoogd dat de beslissing van de rechtbank een situatie in het leven zou kunnen roepen die voor de opgeëiste persoon levensgevaarlijk is, hetgeen een dreigende flagrante schending van het EVRM oplevert als bedoeld in artikel 11 OLW. De dreiging te worden gebracht in een situatie waarin neiging tot suïcide zal ontstaan, dient beschouwd te worden als een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, aldus de raadsman. Een effectief rechtsmiddel ontbreekt, immers, indien het gevaar dat de opgeëiste persoon loopt, zich zou verwezenlijken, is van een (effectief) rechtsmiddel geen sprake meer.

Primair heeft de raadsman verzocht de overlevering op deze grond te weigeren.

Subsidiair heeft hij er voor gepleit aan de Britse autoriteiten bijzondere garanties te verzoeken, zodanig dat het gevaar voor de opgeëiste persoon beperkt kan worden, in de mate waarin dat ook thans tijdens zijn Nederlandse detentie het geval is.

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman bestreden. Volgens haar is er geen sprake van een dreigende flagrante schending van enig bij het EVRM gewaarborgd recht en is de weigeringsgrond van artikel 11 OLW niet aan de orde. Zij heeft tegen het betoog van de raadsman ingebracht dat de medische voorzieningen in het Verenigd Koninkrijk voldoende zijn en toegezegd dat het Openbaar Ministerie de problematiek van de opgeëiste persoon bij de uitvaardigende justitiële autoriteit zal aankaarten, indien overlevering toelaatbaar verklaard zal worden.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

De schending waar de raadsman voor vreest is geen schending die de opgeëiste persoon na diens overlevering van buiten af wordt aangedaan. Het is de perceptie van de opgeëiste persoon zelf ten aanzien van de overlevering en de strafprocedure in Groot Brittannië die hem brengt in een situatie die mogelijk levensbedreigend zou kunnen zijn. Wat hier ook van zij, het door de psycholoog erkende ‘ernstig depressieve beeld met (pseudo-) hallucinaties, wanhoop en gebrek aan perspectief’ waaraan de opgeëiste persoon lijdt, kan bij feitelijke overlevering niet leiden tot een flagrante schending van enig fundamenteel recht, zoals gewaarborgd in het EVRM. Het betreft hier namelijk niet de vrees voor van buitenaf op de opgeëiste persoon uitgeoefend geweld, vernedering of onmenselijke behandeling. Hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht dient te worden beoordeeld in het kader van artikel 35 OLW. De psychische gesteldheid van de opgeëiste persoon kan een relevante rol spelen bij de afweging die in het kader van dat artikel is opgedragen aan de officier van justitie.

Ten aanzien van een potentiële schending die zou kunnen ontstaan doordat de rechtbank een beslissing tot overlevering neemt, oordeelt de rechtbank als volgt. Aan de rechtbank is bij wet opgedragen verzoeken tot overlevering in behandeling te nemen en te oordelen over de toelaatbaarheid van verzochte overleveringen, met in acht neming van een aantal in de wet genoemde, limitatieve weigeringsgronden. Artikel 11 OLW bevat zo’n weigeringsgrond. De uitoefening van de haar opgedragen taak door de rechtbank kan niet worden gezien als een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM en derhalve is de weigeringsgrond van artikel 11 OLW hier niet van toepassing.

De rechtbank ziet geen grondslag voor het vragen van nadere garanties aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarbij komt dat in zijn algemeenheid de rechtbank erop vertrouwt dat de (geestelijke) gezondheidszorg in Groot Brittannië voldoende gewaarborgd is, ook indien speciale zorg in een specifiek geval vereist blijkt. De raadsman heeft niet gesteld dat dit anders zou zijn. Het subsidiair gedane verzoek om aanhouding wordt dan ook afgewezen.

7. Slotsom

Nu ten aanzien van het feit waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

8. Toepasselijke wetsartikelen

de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

9. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Circuit Judge, verbonden aan de Maidstone Crown Court te Maidstone, Groot Brittannië, ten behoeve van het in Groot Brittannië tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs.C.W. Inden en W.H. van Benthem, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 2 juli 2010.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]