Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN1034

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
13-07-2010
Zaaknummer
13-680001-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOTS Spanje. Afwijking eis omdat op het moment dat werd ingestemd met het overbrengen van de veroordeelde persoon naar Nederland en hij hier werd vrijgelaten, de veroordeelde in dezelfde positie was als de andere veroordeelden die eveneens in het kader van de WOTS naar Nederland zijn overgebracht. De omstandigheid dat sprake is van een recente beleidswijziging maakt in dit geval niet dat aanleiding bestaat een hogere straf op te leggen. Het gewijzigde beleid is namelijk kennelijk nog niet op veroordeelde van toepassing aangezien wel met zijn overbrenging is ingestemd én de veroordeelde na overbrenging direct in vrijheid is gesteld. In zoverre mocht hij er dan ook op vertrouwen dat zijn straf naar Nederlandse maatstaven wordt omgezet op de wijze waarop dat in de zaken van veroordeelden die hem voorgingen, is gebeurd. Dit gaat dus verder dan de verwachting dat de veroordeelde na vrijlating in Nederland niet opnieuw vast komt te zitten, zoals de officier van justitie ter zitting heeft gesteld, maar behelst in dit geval ook de hoogte van de op te leggen straf. Daarbij weegt mee dat het in het belang van veroordeelde is dat die straf niet beduidend hoger is, maar in lijn is met eerdere straffen, nu de op te leggen straf op het strafblad van veroordeelde wordt vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

parketnummer: 13/680001-10

RK nummer:

Datum uitspraak: 21 juni 2010

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van

28 mei 2010 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van de Rechtbank van Madrid (Spanje) van 31 maart 2008. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van 9 jaren en 1 dag:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [woonplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende op het adres [adres],

verder te noemen: veroordeelde.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 7 juni 2010. Daarbij zijn de veroordeelde, en de officier van justitie gehoord.

2. Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Toelaatbaarheid

De Spaanse autoriteiten hebben de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van de rechtbank van Madrid van 31 maart 2008.

Veroordeelde is vanaf 19 maart 2007 in Spanje gedetineerd geweest, waarna hij in het kader van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen naar Nederland is overgebracht. Na aankomst in Nederland op 1 juni 2010 is hij door de officier van justitie in vrijheid gesteld.

Veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.

De rechterlijke beslissing voornoemd is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.

De rechter constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van een feit dat naar Spaans recht strafbaar is. Dit feit is naar Nederlands recht als een zelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar.

Het feit wordt naar Nederlands recht gekwalificeerd als:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.

Veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 19 november 2008 ingestemd met zijn overbrenging naar Nederland.

De tenuitvoerlegging van het hiervoor vermelde vonnis dient toelaatbaar te worden verklaard nu is bevonden dat aan alle daarvoor in het toepasselijk verdrag en de wet gestelde vereisten is voldaan. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.

4. Motivering van de strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat in plaats van de buitenlandse sanctie dient te worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd die de veroordeelde in Spanje in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest.

De officier van justitie heeft haar eis toegelicht en meegedeeld dat er onlangs een beleidswijziging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de in Nederland nog uit te zitten reststraf. Indien de officier van justitie voornemens is een eis te vorderen waarbij de veroordeelde een kortere periode dan zes maanden nog in Nederland van zijn straf dient uit te zitten, dan zal het Ministerie van Justitie niet meer instemmen met het overbrengen van de veroordeelde persoon. Voorts zal in 2011 op grond van het Europese kaderbesluit inzake de wederzijdse erkenning van strafvonnissen geen omzetting van straffen meer plaatsvinden. Met andere woorden: indien iemand in Spanje is veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, zal deze straf door Nederland in zijn geheel worden overgenomen. Gelet op het voorgaande is de eis van de officier van justitie hoger dan voorheen. De veroordeelde zou in het meest gunstige geval in Nederland na 36 maanden vervroegd in vrijheid worden gesteld, welke straf de veroordeelde op dit moment reeds heeft uitgezeten.

De rechter is van oordeel dat bij de keuze tot het opleggen van de straf en bij de bepaling van de duur daarvan, uit het oogpunt van een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met een andersoortige of lagere straf dan een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur, nu het, gezien de bewezenverklaring, gaat om invoer van verdovende middelen.

Daarbij heeft de rechter rekening gehouden met de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van veroordeelde.

Bij de vaststelling van de duur van de straf neemt de rechter het volgende in overweging. De Nederlandse overheid waarschuwt er regelmatig en nadrukkelijk voor dat aan het plegen van strafbare feiten in het buitenland, en met name op het gebied van verdovende middelen, grote risico's zijn verbonden, gezien de veelal aanzienlijk hogere straffen die daar voor dit soort feiten worden opgelegd.

Door zich in Spanje aan voornoemd delict schuldig te maken heeft veroordeelde het risico genomen daarvoor zwaarder te worden gestraft dan in Nederland.

Dit risico is voor zijn rekening.

Voorts heeft de rechter rekening gehouden met de omstandigheid dat veroordeelde, voor zover de rechter kan nagaan, geen documentatie heeft met betrekking tot misdrijven.

Een en ander leidt ertoe dat de straf hoger zal zijn dan in Nederland in overeenkomstige gevallen gebruikelijk en lager dan de in Spanje opgelegde straf.

De rechter zal afwijken van de eis van de officier van justitie. Op het moment dat werd ingestemd met het overbrengen van de veroordeelde persoon naar Nederland en hij hier werd vrijgelaten, was de veroordeelde in dezelfde positie als de andere veroordeelden die eveneens in het kader van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen naar Nederland zijn overgebracht. De omstandigheid dat sprake is van een recente beleidswijziging maakt in dit geval niet dat aanleiding bestaat een hogere straf op te leggen, zoals de officier van justitie heeft gevorderd. Het gewijzigde beleid is namelijk kennelijk nog niet op veroordeelde van toepassing aangezien wel met zijn overbrenging is ingestemd én de veroordeelde na overbrenging direct in vrijheid is gesteld. In zoverre mocht hij er dan ook op vertrouwen dat zijn straf naar Nederlandse maatstaven wordt omgezet op de wijze waarop dat in de zaken van veroordeelden die hem voorgingen, is gebeurd. Dit gaat dus verder dan de verwachting dat de veroordeelde na vrijlating in Nederland niet opnieuw vast komt te zitten, zoals de officier van justitie ter zitting heeft gesteld, maar behelst naar het oordeel van de rechter in dit geval ook de hoogte van de op te leggen straf. Daarbij weegt mee dat het in het belang van veroordeelde is dat die straf niet beduidend hoger is, maar in lijn is met eerdere straffen, nu de op te leggen straf op het strafblad van veroordeelde wordt vermeld. Gelet op het voorgaande zal de rechter bij de strafoplegging thans nog aansluiting zoeken bij de oriëntatiepunten van de LOVS en deze vermeerderen met twee treden, aangezien rekening gehouden moet worden met de in het buitenland opgelegde hogere straf. Nu het hier gaat om een veroordeling wegens de invoer van ruim 4 kilo cocaïne en in achtgenomen dat veroordeelde als een zogenoemde ‘standaard’ dader kan worden aangemerkt, acht de rechter een gevangenisstraf van 41 maanden passend en geboden.

5. Toepasselijke wetsbepalingen

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;

de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, gesloten te Straatsburg op 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, Trb. 1987, 163).

6. Beslissing

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 31 maart 2008 van de rechtbank te Madrid opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van 41 maanden.

BEVEELT dat de tijd welke [veroordeelde] voornoemd in Spanje in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welk hij met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. A.R.P.J. Davids, rechter

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juni 2010.