Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0817

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-06-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
AWB 10/1173 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres gesplitst in een bijstandsaanvraag en een WMO-aanvraag en beide beoordelingen niet op elkaar betrokken. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2010 (LJN: BM1992) acht de rechtbank dit onzorgvuldig. Daarbij is van belang dat verweerder voor zowel de WMO, de WIJ als de WWB het tot beschikken bevoegde orgaan is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1173 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Cerezo - Weijsenfeld,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

verweerder,

gemachtigde mr. D. Achmed.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2010 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand niet in behandeling genomen.

Bij besluit van 29 januari 2010 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2010 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 maart 2010 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen primair besluit II niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2010.

Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.C. Cerezo - Weijsenfeld en mr. W.G. Fischer. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. D. Achmed.

Overwegingen

1. feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is geboren op 15 oktober 1988 en verblijft reeds geruime tijd illegaal in Nederland. Zij leidt een zwervend bestaan en verblijft telkens op verschillende adressen.

1.2. Op (in ieder geval) 23 december 2009 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor zowel toegang tot maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) als een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) dan wel de Wet werk en bijstand (WWB). Eiseres was ten tijde van deze aanvragen hoogzwanger. Op 13 januari 2010 en ook op 21 januari 2010 heeft eiseres zich gemeld bij verweerder, omdat verweerder op de beide aanvragen toen nog geen besluit had genomen.

Eiseres is op 26 januari 2010 bevallen van een dochter, [dochter eiseres]. [dochter eiseres] is sinds de geboorte op verzoek van de Raad voor de kinderbescherming in een pleeggezin geplaatst.

Eiseres is sinds 2 juni 2010 herenigd met haar dochter, omdat zij een plek heeft aangeboden gekregen bij Cordaan. In deze instelling wordt haar bovendien per week €30 voor eten en €50 voor zakgeld verstrekt.

1.3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voorzover deze betrekking heeft op een inkomensvoorziening bij primair besluit I niet in behandeling genomen omdat eiseres illegaal in Nederland verblijft.

1.4. Bij primair besluit II heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een inkomensvoorziening afgewezen omdat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland.

1.5. Verweerder heeft het bezwaar tegen primair besluit I bij bestreden besluit I ongegrond verklaard.

1.6. Het bezwaar tegen primair besluit II heeft verweerder kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat met primair besluit II niet werd beoogd een nieuw rechtsgevolg in het leven te roepen. Dit besluit moet naar de mening van verweerder dan ook worden aangemerkt als een herhalingsbesluit van primair besluit I.

2. omvang van het beroep

2.1. Eiseres heeft niet afzonderlijk beroep ingesteld tegen bestreden besluit II. Zij stelt zich echter op het standpunt dat zij met haar beroepschrift tegen bestreden besluit I ook beoogd heeft beroep in te stellen tegen bestreden besluit II.

2.2. De rechtbank constateert in dat verband dat verweerder tweemaal heeft besloten op dezelfde aanvraag van eiseres om een inkomensvoorziening en dat in dat kader ook tweemaal een beslissing op bezwaar is afgegeven. Aangezien het ten aanzien van bestreden besluit II derhalve gaat om een procedure met betrekking tot dezelfde aanvraag als in bestreden besluit I aan de orde is, ziet de rechtbank aanleiding voor het oordeel dat het beroep tegen bestreden besluit I mede moet worden opgevat als een beroep tegen bestreden besluit II.

3. herhaald besluit

3.1. Eiseres is van mening dat verweerder haar bezwaar tegen primair besluit II ten onrecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In de periode tussen primair besluit I en primair besluit II is eiseres bevallen van een dochter, zodat niet kan worden gezegd dat primair besluit II een herhalingsbesluit is van primair besluit I. Er heeft immers een relevante wijziging van omstandigheden plaatsgevonden die verweerder mee had dienen te nemen in zijn beoordeling van de aanvraag. Voorts heeft eiseres er ter zitting op doen wijzen dat het eerste primaire besluit blijkens de tekst ervan uitdrukkelijk een buiten behandelingstelling betreft, en het tweede een afwijzing.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat primair besluit II een herhalingsbesluit is van primair besluit I. In primair besluit I wordt immers de aanvraag niet in behandeling genomen, terwijl in primair besluit II de aanvraag blijkbaar wel in behandeling wordt genomen maar vervolgens wordt afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank moet primair besluit II daarom worden aangemerkt als een wijzigingsbesluit van primair besluit I. Het voorgaande betekent dat verweerder het bezwaar tegen primair besluit II ten onrecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en om die reden niet in behandeling heeft genomen.

3.3. Het beroep van eiseres tegen bestreden besluit II dient dan ook gegrond te worden verklaard, zodat dat besluit dient te worden vernietigd.

4. verdere beoordeling

4.1. Het bovenstaande onder rechtsoverweging 3.2 gegeven oordeel van de rechtbank betekent voor de te beoordelen periode het volgende. Volgens vaste rechtspraak bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. In dit geval staat vast dat verweerder uiteindelijk met primair besluit II heeft beslist op de aanvraag van eiseres om een inkomensvoorziening. De te beoordelen periode beslaat naar het oordeel van de rechtbank in dit geding dan ook de periode van de datum van de aanvraag tot en met de datum van primair besluit II, te weten 29 januari 2010. Verweerder is daarvan echter niet uitgegaan in het eerste bestreden besluit, maar heeft daar 21 januari 2010 als einddatum genomen.

Dit is met name van belang, waar eiseres zich uitdrukkelijk beroept op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM, en voor de toetsing aan dat artikel op 26 januari 2010 een wezenlijke wijziging in de situatie is opgetreden met de geboorte van [dochter eiseres]. Toetsing daaraan heeft echter (ten onrechte) niet plaatsgevonden.

4.2. Ter zitting is namens eiseres benadrukt dat verweerder niet adequaat heeft gereageerd op haar aanvraag. Die aanvraag was niet specifiek gericht op het verkrijgen van een uitkering, maar op het verkrijgen van hulp van verweerder. Eiseres is de dupe van een lokettenkwestie, aldus haar gemachtigde.

Van de zijde van verweerder is uitdrukkelijk erkend dat eiseres zich gedurende de in geding zijnde periode in een zeer moeilijke positie bevond.

4.3. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 april 2010 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BM1992) is voor een beoordeling van bijstandsaanspraken op grond van artikel 8 van het EVRM relevant of betrokkene al dan niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de WMO.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres gesplitst in een aanvraag in het kader van de WIJ en een aanvraag in het kader van de WMO, en heeft die beoordelingen niet op elkaar betrokken.

4.4. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het eerste bestreden besluit wegens strijd met genoemde jurisprudentie en artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank acht in dit verband van belang dat verweerder voor zowel de WMO, de WIJ als de WWB het tot beschikken bevoegde orgaan is. De rechtbank zal het beroep tegen bestreden besluit I dan ook gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

5. conclusie

5.1. Het voorgaande betekent dat beide bestreden besluiten dienen te worden vernietigd, onder gegrondverklaring van het beroep.

Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres dienen te nemen die ziet op de periode van de datum van de aanvraag tot en met 29 januari 2010. Voorts zal verweerder bij deze nieuwe beslissing op bezwaar dienen in te gaan op de vraag of betrokkene al dan niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de WMO en de relevantie daarvan voor de beoordeling onder de WIJ. Verweerder heeft dan ook de mogelijkheid om de beoordeling in deze zaak af te stemmen op of te integreren met die op het bezwaar onder de WMO.

5.2. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden in beroep begroot op € 874,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het beroepschrift á € 437,- per punt). Voor de kosten in bezwaar ten aanzien van het vernietigde bestreden besluit II worden deze kosten begroot op € 874,- (1 punt voor de twee gelijkluidende bezwaarschriften en 1 punt voor de hoorzitting á € 437,- per punt).

5.3. Tot slot dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten I en II gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I en II;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak één nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van in totaal € 1.748,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, als voorzitter,

mrs. L.H. Waller en J.H.M. van de Ven, als leden,

in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2010.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB